Direct naar hoofdmenu / zoekveld

Nota pop en Jazz

Nota pop en Jazz

Aan de wethouder van Kunstzaken

 

4172949

 

 

Nota Popmuziek en Jazz

 

Inleiding

 

Voordat ik inhoudelijk op de nota inga, moet ik eerst

enkele kanttekeningen kwijt.

 

Ik mis in de nota een overzicht van de omgeving waarin

het beleid ten aanzien van de popmuziek en jazz wordt

gepositioneerd. Het Rotterdams cultuurbeleid is altijd

beschouwd als complementair aan het culturele aanbod

van de vrije markt. Een nota met de bedoeling een

zinvolle beleidsdiscussie op gang te brengen en het

beleid voor meerdere jaren vast te leggen, kan daarom

niet zonder een analyse van de omgeving waarin dat

beleid gestalte moet krijgen. In de nota van de RKS

had dit aspect naar mijn mening wat meer belicht

kunnen worden. Hoewel niet in alle opzichten volledig,

geeft de nota van Skala Lokala op het punt van de

vrije markt een nadere beschouwing.

 

Daar komt bij, dat met name de popmuziek niet alleen

strikt culturele, maar eveneens directe

beleidsimplicaties heeft op maatschappelijk gebied.

Bij het laatste kan onder meer worden gedacht aan de

raakvlakken met het jeugd- en jongerenbeleid.

Bij het ontwikkelen van een dergelijk beleid is het

dus nodig in zicht te hebben in het geheel van

omstandigheden die met de voornoemde muziekvormen te

maken hebben.

 

 

 

Ten aanzien van de popmuziek vind ik het ook een gemis

dat het popbeleid van de SKVR (Popwerkplaats,

Vereniging Instrumentenbeheer) inhoudelijk nauwelijks

bij de nota lijkt te zijn betrokken. Tenslotte

bedraagt het popbudget van de SKVR 5 à 6 ton, bijna

evenveel als het huidige budget van de RKS voor de

popmuziek. Dit punt is des te opmerkelijker als men

bedenkt dat SKVR en RKS enige tijd geleden nog een

samenwerkings-convenant opstelden.

 

De vraag, hoe zich het Rotterdams beleid ten aanzien

van de uitvoerenden in de popmuziek verhoudt tot

vormings- en scholingsactiviteiten van de SKVR op dit

terrein, blijft hierdoor onbeantwoord. Dat deze twee

zaken sterk verbonden zijn komt echter in de praktijk

bijvoorbeeld duidelijk naar voren in het door de

commissie voor de Kunstzaken positief beoordeelde plan

van het Popverzamelcentrum, waar SKVR, Via Ritmo en de

RKS in participeren. Een beleidsmatige encadrering van

deze ontwikkeling komt in een nadere uitwerking bij de

besluitvorming over de popwerkplaats aan de orde,

heeft dir. RKS mij verzekerd.

 

Hoewel de nota dus niet kan worden beschouwd als een

volledige schets van de Rotterdamse jeugd- en

jongerencultuur en de activiteiten die al dan niet

binnen of buiten de vrije markt tot ontwikkeling

(moeten) komen, dienen de pop- en jazzmuziek te worden

aangemerkt als achterstandsgebieden binnen de kunsten,

culturele uitingsvormen die de huidige warme aandacht

van de politiek meer dan verdienen. Alleen al op het

terrein van de muziek is te zien, dat de pop en jazz

er zeer karig vanaf komen. De nota popmuziek en jazz

is een springplank voor nieuw beleid. Het is duidelijk

dat dit nieuwe beleid extra geld kost.

 

 

De nu voorliggende nota behandelt zowel de popmuziek

als de jazz in Rotterdam. In 1984 verscheen van de

hand van de RKS voor het eerst een nota over

popmuziek. Reeds lang vóór die tijd, vanaf 1978, werd

er echter ondersteuning gegeven door de muziekschool

(in samenwerking met Skala Lokala) en door de

commissie Kunstzaken. Naar aanleiding van de in de

1984-nota geformuleerde doelstellingen is in de

periode sindsdien beleid ontwikkeld door de RKS met

betrekking tot deze muziekvorm. Over de jazz is in

1977 een algemene nota verschenen, en is in 1986 een

nota geproduceerd genaamd "Een Rotterdams Jazzpodium",

ter voorbereiding van de oprichting van Thelonious.

Popmuziek

 

De in 1984 verschenen nota over popmuziek in Rotterdam

had de volgende doelstellingen:

a. het creëren van een netwerk van oefenruimtes en een

steunpunt voor popmusici;

b. het subsidiëren van nieuwe muzikale produkten:

LP's, videoclips en popfestivals

c. het samenstellen van een beoordelingscommissie voor

subsidie-aanvragen;

d. het verbeteren van de slechte podiumsituatie.

 

In de nu voorliggende nota wordt gesteld dat de doelen

in meerdere of mindere mate verwezenlijkt zijn. Er

blijft echter nog veel te wensen over. Zo vormt

bijvoorbeeld het tekort aan oefenruimte nog immer een

knelpunt, is de podiumsituatie nog niet optimaal en

kan het steunpunt voor popmusici beslist worden

verbeterd.

 

In principe maakt de RKS ook nu nog dezelfde

onderverdeling in doelstellingen, maar er is

tegenwoordig wel sprake van een hiërarchie in

prioriteitsstelling van de doelen onderling. Deze

hiërarchie geeft aan in welke mate de RKS zich

specifiek sturend en initiërend met het beleidsgebied

wil bezig houden.

 

De uitgangspunten die ten grondslag aan deze nieuwe

prioriteitsstelling liggen zijn: effiency,

concentratie op kerntaken, een rolverdeling tussen

publiek en privaat, en Rotterdams. Deze uitgangspunten

komen in het vervolg van de nota echter niet expliciet

als sturings-instrumenten in de keuzes naar voren, en

zijn als zodanig moeilijk herkenbaar. Impliciet valt

bijvoorbeeld wel te herkennen wat de RKS als haar

kerntaken ziet, maar waaróm deze keuze wordt gemaakt

is niet duidelijk. Hoe wordt het effect gemeten van de

"duidelijke ondubbelzinnige doelen" die onder het

kopje efficiency worden geplaatst?

En: hoe moet de verhouding publiek/privaat dan wel

zijn, en waarom is deze overweging niet in een breder

kader geplaatst?

 

 

Hieronder ga ik nader in op de genoemde

doelstellingen.

 

Een netwerk voor oefenruimtes en een steunpunt voor

popmusici (a)

 

Via Ritmo en de daarin opgenomen muzikantenwinkel zijn

de tastbare resultaten van dit beleidsuitgangspunt. In

het in het kader van het prioriteitenbudget

gesubsidieerde nog op te zetten popverzamelcentrum zal

deze functie, in symbiose met de afdeling popmuziek

van de SKVR, verder worden uitgebouwd.

 

Als dit is geschied, acht de RKS de problematiek met

betrekking tot het gebrek aan oefenruimte in Rotterdam

in belangrijke mate opgelost. Alsdan zal dit terrein

voor de RKS een lager prioriteit hebben, hetgeen tot

uitdrukking komt in het voornemen de eigen rol te

beperken tot een adviserende en begeleidende. Ten

aanzien van het nieuwe popverzamelcentrum lijkt deze

houding te voldoen: bij SKVR en Via Ritmo zijn genoeg

ideeën en expertise aanwezig om dit centrum vorm te

geven. De subsidie die de RKS op dit moment onder het

kopje "oefenruimte" aan Via Ritmo verstrekt

(Ÿ 120.000,--), zal in de toekomst opgaan in het

Popverzamelcentrum, dat naast de oefenruimten de

belangrijkste functie zal krijgen in het ondersteunen

van de amateurs.

 

In de nota wordt voorgesteld de bunkers die al geruime

tijd bestemd zijn om te worden ingericht als

oefenruimte, in hun huidige vorm te laten voor wat ze

zijn. Dan zou het budget voor inrichting (het

uitgespaarde sloopbudget) kunnen worden besteed aan

Via Ritmo. Een overigens hardnekkig misverstand: als

de bunkers niet worden hergebruikt, zal het budget

(afkomstig van Binnenlandse Zaken) worden ingezet voor

sloop.

 

De passage blijkt overigens te zijn achterhaald door

de positieve ontwikkelingen omtrent de voorgestelde

subsidiëring van het Popverzamelcentrum. Zowel van de

directeur SKAR als van de RKS heb ik begrepen dat over

de herbestemming van de bunkers als oefenruimten wordt

overlegd. De SKAR heeft ondertussen een begin gemaakt

met de verbouwingsvoorbereidingen, en ik ga er vanuit

dat de daadwerkelijke realisering van de oefenruimten

ook op korte termijn zal plaatsvinden.

 

 

Het subsidiëren van nieuwe muzikale produkten (b)

 

Voor het grootschalig subsidiëren van de

geluidsdragers en de clips blijken niet genoeg

middelen voorhanden. In voorliggende nota wordt aan

deze doelstelling geen hoge prioriteit meer gegeven.

 

De popfestivals zijn wél van de grond gekomen, te

noemen zijn Metropolis, Rotterdamse Akkoorden en

Poetry Park. Volgens de nota dient Metropolis meer

subsidie te krijgen om het programma op peil te

houden, is Rotterdamse Akkoorden belangrijk in het

kader van presentatiemogelijkheden van amateurs, en

heeft Poetry Park een status verworven als

belangrijkste festival in Nederland voor wat betreft

wereldmuziek. Verder worden ook kleinere evenementen

door de RKS actief gesteund. Onder de noemer Projecten

ligt hier een beleidsprioriteit van de RKS.

 

 

De RKS kondigt aan binnenkort zowel Rotterdamse

Akkoorden als Metropolis te zullen evalueren. Poetry

Park wordt reeds jaarlijks geëvalueerd. In de nota

wordt bepleit na positieve evaluatie te komen tot

meerjarenafspraken met deze festivals. Met name ten

aanzien van Metropolis wordt gesteld dat de jaarlijkse

strijd om financiën een te groot beslag op de

organisatie legt.

 

In het onlangs door de commissie voor de Kunstzaken

behandelde advies van de RKS ten behoeve van de

verdeling van het Evenementenbudget wordt melding

gemaakt van een heroriëntatie ten aanzien van

Rotterdamse Akkoorden. Deze evaluatie zal dus ter hand

worden genomen. Ook de voorgenomen evaluatie van

Metropolis acht ik op dit moment noodzakelijk. Het

popfestival is nu al een aantal jaren onderdeel van

het zomerprogramma, en de financiële wensen worden

allengs groter. Tezamen met de reeds vermelde

professionalisering van de organisatie voldoende reden

om eens pas op de plaats te maken en met behulp van de

evaluatie de toekomst uit te stippelen. Ik ga er

vanuit dat deze evaluatie in de loop van 1993 plaats

zal vinden en aan u zal worden aangeboden.

 

 

Het verbeteren van de slechte podiumsituatie (d)

 

Na een relatieve bloeiperiode in midden jaren tachtig,

is er later sprake van een teruggang. Dit komt onder

meer door het opdrogen van de subsidies in de

welzijnssector, en de steeds hoger wordende kosten van

optredens door de professionalisering van zowel de

uitvoerenden als de podia. Dit is een prioriteit van

de RKS.

 

De podia worden in de voorliggende nota onderverdeeld

in drie categorieën.

 

Onder de noemer A-podia valt slechts Nighttown. Dit

podium heeft onlangs een gunstige evaluatie van de RKS

mogen ontvangen. Gezien de voorgeschiedenis is dat

zeer verheugend te noemen. Voor de toekomst wordt aan

een uitbreiding van het takenpakket gedacht, waarvoor

uiteraard ook extra middelen nodig zullen zijn.

 

Categorie B wordt gevormd door Rotown en De Vlerk.

Rotown zou wegens professionalisering van de

organisatie meer subsidie moeten krijgen om het

huidige programmeringspeil te kunnen behouden. Deze

professionalisering houdt in dat meer geld wordt

besteed aan het perfectioneren van het concertgeluid

door het inhuren van betere geluidstechnici en het

aanschaffen van professionele apparatuur. Blijkens de

nota is van het honoreren van de programmeurs van deze

podia nog geen sprake. De positie van de muzikanten is

echter nog steeds even weinig rooskleurig.

 

Bij De Vlerk spreekt de nota van een noodsituatie.

Reeds jaren heeft dit podium geen vaste behuizing. In

de nota wordt gepleit voor een tijdelijke oplossing in

de vorm van huisvesting in de accommodatie aan de

Lijnbaan. Dit is inmiddels verwezenlijkt. Voor de

toekomst wordt het dringend nodig geacht dat De Vlerk

een vaste huisvesting krijgt met een substantiële

uitbreiding van de subsidie.

 

In de nota wordt geen stelling genomen met betrekking

tot de verschillende te ondersteunen muzieksoorten. Er

is in de popmuziek tenslotte sprake van vele

subculturen. Zouden sommige wellicht minder na te

streven kwaliteiten dan andere bezitten, of valt zo'n

afweging niet te maken?

 

Om een concreet voorbeeld te geven: met betrekking tot

De Vlerk zorgt deze muziekinhoudelijke "afstand" die

uit de nota spreekt voor motiveringsproblemen. Al

jaren wordt zonder meer gesteld dat de programmering

van De Vlerk steun behoeft, maar ondertussen staan de

ontwikkelingen in het veld niet stil. Wat is die eigen

signatuur van De Vlerk eigenlijk precies, nu we sinds

enige tijd een programmering in "The Basement" van

Nighttown hebben (waar overigens ook De Vlerk tweemaal

heeft geprogrammeerd), en ook Rotown zich niet

onbetuigd laat? Is die eigenheid nog voldoende om een

afzonderlijk podium te rechtvaardigen?

 

Voornoemde vragen met betrekking tot De Vlerk hebben

mij ertoe gebracht de Kunststichting nog een nadere

toelichting hierover te vragen. Daaruit bleek, dat

De Vlerk programmatisch toch sterk een eigen signatuur

heeft: De Vlerk programmeert de meer experimentele

acts die elders geen kans krijgen, en is als zodanig

een waardevolle aanvulling op de andere podia. Dit is

ook een reden waarom De Vlerk niet terecht kan in The

Basement: de programmering is daarvoor niet

commercieel genoeg. Verder bleek dat in de weekends

The Basement gereserveerd wordt voor de discogangers,

wat betekent dat De Vlerk slechts op werkdagen terecht

zou kunnen.

 

 

Categorie C bestaat uit de podia in de horecasector,

en wat er over is in de welzijnssector. Ook hier wordt

gerept van professionalisering met een bijbehorend

hoger kostenpeil, en een grotere kostenpost in verband

met de techniek. Helaas uit de professionalisering

zich ook in een grotere commercialisering, en daardoor

een vermindering van optreedkansen voor de

experimentelere vormen van popmuziek.

 

In de nota wordt, gekoppeld aan een te verwezenlijken

hoger budget, voorgesteld de podia te inventariseren

en per podium tot een bepaalde status te komen met

bijbehorende financiële ondersteuning. Een belangrijk

doel is hierbij het scheppen van meer

presentatiemogelijkheden voor beginnende groepen.

 

Andere beleidsuitgangspunten

 

Dit is een hoofdstuk in de nota waarin doelen en

uitgangspunten worden geformuleerd die blijkbaar niet

direct aansluiten op de nota uit 1984. Hierover een

paar opmerkingen.

 

Er wordt melding gemaakt van een belangrijke taak voor

de lokale overheid ten aanzien van het ondersteunen

van projecten voor amateurs. Tussen de verschillende

organisaties in dit veld (waaronder SKVR en RKS) is

geen structurele samenwerking. Zoals gezegd wordt dit

ook weerspiegeld in de nota, en zou deze situatie

verbetering behoeven.

 

De RKS hoeft zich geen zorgen te maken over de

gevolgen van het eventueel opheffen door het

Rotterdams Conservatorium van de zelfstandige

opleiding popdocent. Dit was ook nimmer de bedoeling.

Wel is er ooit sprake geweest van een andere

organisatorische opzet. Maar dat is nog een punt van

nader onderzoek.

 

Onder het kopje "Commercie en overheidsbeleid" wordt

gesteld dat in deze sector overheidsbeleid en

commercie op een goede manier samen kunnen gaan om

betere resultaten te behalen, maar dat hierover nog

niet voldoende is nagedacht. Ik stem, in het licht van

mijn eerdere opmerkingen over de "kijkwijdte" van de

nota, natuurlijk ten volle in met de conclusie van de

RKS dat "nadere standpuntbepaling" noodzakelijk is.

 

 

Jazz en geïmproviseerde muziek

 

 

De RKS stelt dat na de magere jaren tachtig, toen er

in Rotterdam een soort "woestijnklimaat" heerste, er

nu sprake is van een kentering in de belangstelling

voor jazz en geïmproviseerde muziek. Nu Thelonious,

het belangrijkste Rotterdamse jazzpodium, een nieuwe

huisvesting in de Witte de Withstraat heeft gekregen,

kan een nieuwe start worden gemaakt met de jazzmuziek

in Rotterdam, met een zakelijker beheer van het

jazzcentrum.

 

Daarvoor zijn wel extra middelen nodig: de nota

spreekt over knelpunten met betrekking tot het

personeel (programmeur en technicus), en het gewenste

hoger programmeringspeil.

 

Net zoals het geval is met betrekking tot de

popmuziek, is er ook voor jazzmuziek een pot waaruit

projecten kunnen worden gesubsidieerd. De nota

vermeldt echter geen prioriteit te geven aan het

verhogen van dit budget, "omdat de uitbreiding van de

activiteiten in de jazzsector geconcentreerd moet

worden in het nieuwe Thelonious".

 

Ten aanzien van het jazzgedeelte van de nota valt op

dat in de visie van de RKS het begrip "jazzsector"

blijkbaar grotendeels samenvloeit met "Thelonious".

Een actief beleid ten aanzien van projecten in de

jazzsector wordt niet opportuun geacht, al wordt er

wel melding gemaakt van initiatieven buiten Thelonious

om.

 

Zoals het jazzbeleid nu verwoord is, is er feitelijk

sprake van een monopolie-positie van Thelonious. Dit

lijkt mij in beginsel geen goede zaak. Toch kan ik

voor deze situatie begrip opbrengen. Er zijn immers op

dit moment simpelweg geen middelen om een breder

beleid te voeren. De RKS stelt daarbij desgevraagd dat

er binnen het jazzcircuit momenteel ook niet voldoende

initiatieven zijn om een bredere prioriteitsstelling

te rechtvaardigen. In het verlengde van deze

budgettaire en inhoudelijke realiteit wordt er slechts

een subsidieverhoging voor Thelonious voorgesteld, en

daar blijft het bij.

 

Uit de recente berichten lijkt naar voren te komen,

dat de ontwikkelingen bij Thelonious de goede kant op

gaan. Zo wordt momenteel aan de kelder als oefenruimte

de laatste hand gelegd. Deze kelder zal worden

gebruikt voor repetities en optredens, en als zodanig

huisvesting bieden voor de groepen die tot voor kort

gebruik maakten van de faciliteiten aan de Lijnbaan.

 

Toch zal natuurlijk niet kunnen worden vermeden dat

Thelonious zich tot bepaalde richtingen in de jazz zal

beperken, en daardoor andere gebieden onontgonnen

zullen blijven. Dat is misschien jammer, maar

anderzijds is het gezien de huidige omstandigheden

alleszins aanvaardbaar dat eerst alle energie op het

totstandkomen van Thelonious worden gericht. In de

toekomst zouden eventuele nieuwe ontwikkelingen binnen

deze sector echter met een open oog tegemoet getreden

dienen te worden.

 

 

Zoals gesteld is de meest recente voorgaande nota over

de jazz de nota uit 1986 geweest, die zou leiden tot

jazzcentrum Thelonious. Omdat de geschiedenis zich in

zekere opzichten herhaalt, is het goed om te bezien of

er nog iets uit deze nota te leren valt.

 

In de nota uit 1986 worden zes functies genoemd, die

het nieuwe Thelonious zou moeten herbergen. Vier van

deze functies worden in het nieuwe jazzcentrum aan de

Witte de Withstraat waargenomen, echter twee niet:

- het bundelen van informatie en publiciteit over de

jazzaktiviteiten in de stad;

- het verlenen van advies en informatie aan degenen

die al dan niet beroepsmatig met jazz bezig zijn

(programmeurs, pers, musici).

 

In de popmuziek bezit de muzikantenwinkel deze

functie. De vraag is op dit moment of bovengenoemde

service al ergens in het jazzveld wordt verleend, en

zo nee, of dit nodig is.

 

Conclusies en aanbevelingen

 

In deze nota wordt nieuw beleid geformuleerd waarvoor

in totaal ruim 7 ton extra subsidie noodzakelijk wordt

geacht. Een onderverdeling in prioriteit wordt door de

RKS niet gemaakt, behalve ten aanzien van De Vlerk

(Ÿ 130.000,--) en Thelonious (Ÿ 215.000,--), waar

gesproken wordt van dringende knelpunten. Naast de

vraag of twee fte's geen al te riante inschatting is

van het benodigde aantal uren voor het functioneren

van Thelonious, acht ik het spijtig dat geen verdere

fasering in tijd en prioriteit is gemaakt ten aanzien

van het beleid in de komende jaren. Hierdoor blijft de

nota wat in de lucht hangen.

 

Misschien kan echter een aanvulling van de RKS op

voornoemde nota worden gevraagd waarin a. de

beleidsopties concreter uitgewerkt wordt, en b. de

beleidsvisie wordt verbreed, in ieder geval met

betrekking tot de SKVR.

 

 

Ik geef u in overweging de commissie voor de

Kunstzaken het volgende te verzoeken.

 

 

1. De popmuziek en de jazz als achterstandsgebieden

binnen de kunstsector aan te merken, die als zodanig

in de prioriteitenrondes van de komende jaren een

substantiële uitbreiding van de middelen tegemoet

kunnen zien.

 

2. De RKS uit te nodigen ten behoeve van de

prioriteitenronde 1994 en verder, op grond van de in

het belegstuk en door de commissie gemaakte

opmerkingen, een nadere uitwerking van het te voeren

beleid ten aanzien van de popmuziek en de jazz te

presenteren.

 

 

3. Aanvullende informatie te vragen aan RKS en SKVR

met betrekking tot de educatie in de popmuziek, deze

te beschouwen als appendix bij voornoemde nota, en als

zodanig mee te nemen met de onder 2. genoemde nadere

uitwerking van de nota.

 

 

4. Ten principale positief te adviseren ten aanzien

van het knelpunt met betrekking tot De Vlerk en

Thelonious en over de dekking daarvoor nadere

voorstellen te vragen. Het voorgaande met dien

verstande dat met betrekking tot het knelpunt

Thelonious het vooralsnog lijkt dat 1 fte in

mindering gebracht zou kunnen worden.

 

Coördinator Culturele Zaken,

 

C.H. Weeda

 

bijl.


Uitgelicht


Zoeken