Gemeenteblad 2008
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam
2008
De Raad van de gemeente Rotterdam,
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 mei 2008;
(raadsvoorstel nr. 17687);
gelet op de artikelen 149, 154 en 174 van de Gemeentewet;
overwegende:
- dat het van groot belang is dat de Algemene Plaatselijke
Verordening Rotterdam helder, actueel en werkbaar is;
- dat het noodzakelijk was de Algemene Plaatselijke Verordening
Rotterdam waar mogelijk te dereguleren;
- dat nieuwe regelgeving het noodzakelijk maakt de regels Algemene
Plaatselijke Verordening Rotterdam aan te passen;
- dat recente ontwikkelingen in de stad het wenselijk maken de
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam op verschillende punten
aan te passen;
Besluit vast te stellen:
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
§ 1.1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:
- aanvraag: aanvraag om een toestemming krachtens deze
verordening;
- aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel
30b van de Wet op de Kansspelen;
- bebouwde kom: bebouwde kom waarvan Gedeputeerde Staten van
Zuid-Holland de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel
27, tweede lid, van de Wegenwet;
- beheerder:
a. voor zover het betreft een openbare inrichting:
natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding
uitoefent in de inrichting;
b. voor zover het betreft een seksinrichting of
escortbedrijf:
natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding
uitoefent in de inrichting of het bedrijf;
c. voor zover het betreft een speelautomatenhal:
natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding uitoefent en met
het dagelijks bestuur is belast in de speelautomatenhal;
- behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan:
a. het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een
verlengde speelduur of het recht op gratis spellen, en
b. het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de
speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van
zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden
middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het
recht op gratis spellen verkregen wordt;
- bevoegd bestuursorgaan: krachtens deze verordening bevoegd
bestuursorgaan;
- bijlage: bij deze verordening behorende bijlage;
- boom: gemeentelijke of particuliere boom;
- bosplantsoen: al dan niet aangeplante bosachtige
elementen, inclusief kruidengroei, grotendeels bestaande uit
inheemse houtachtige soorten bomen en struiken;
- bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen,
metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
indirect steun vindt in of op de grond;
- collectieve festiviteit: festiviteit of activiteit, die
niet specifiek aan één of een klein aantal openbare inrichtingen is
verbonden;
- college: college van burgemeester en wethouders;
- consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk in de zin van het
Vuurwerkbesluit;
- escortbedrijf: bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
bedrijfsmatig was, aanbieden van prostitutie die op een andere
plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
- evenement: voor publiek toegankelijke verrichting van
vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
van de Gemeentewet;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een
openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel
2.3.2 geldt, mits die vergunning mede betrekking heeft op deze
verrichting van vermaak;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
de Wet openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.8;
- exploitant:
a. voor zover het betreft een openbare inrichting:
natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico
de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de
rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de
bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Drank-
en Horecawet;
b. voor zover het betreft een seksinrichting of
escortbedrijf:
natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico
de inrichting, onderscheidenlijk het bedrijf wordt gedreven, en de
bestuurders van die rechtspersoon of hun gevolmachtigden;
c. voor zover het betreft speelautomaten:
houder van een vergunning, als bedoeld in artikel 30h van de Wet op
de kansspelen;
- gebouw: bouwwerk dat een voor personen toegankelijke
overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
- gemeentelijke boom: houtachtig, overblijvend gewas waarvan
de gemeente zakelijk gerechtigde is, dat:
a. één- of meerstammig is, waarbij in geval van vertakken,
b. de omvang van de stam, of bij meerstammigheid de omvang
van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 1,30 meter hoogte
boven het maaiveld;
- grootschalig evenement: evenement waarvan de aard of de
publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde
en veiligheid dusdanig grootschalig is, dat daarin zonder nadere
ordening niet kan worden voorzien;
- hakhout: boom of bomen of boomvormers die, na te zijn
geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
- handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het
besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste
lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36);
- handelsreclame: openbare aanprijzing van goederen of
diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
dienen;
- hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;
- houtopstand: gemeentelijke of particuliere boom of bomen,
hakhout, houtwal, lintbeplanting in de vorm van bosheesters, al of
niet met bomen, of beplanting van bosplantsoen;
- iepenspintkever: insect, in elk ontwikkelingsstadium,
behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus
multistriatus (Marsh) of Scolytus pygmaeus;
- iepziekte: aantasting van iepen door de schimmel
Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
Moreau);
- incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
gebonden is aan één of een klein aantal openbare inrichtingen;
- kampeermiddel: onderkomen of voertuig waarvoor geen
bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is
vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan
worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
- kansspelautomaat: speelautomaat, die geen
behendigheidsautomaat is;
- kapvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 4.4.2;
- knotten: tot op de oude snoeiplaats verwijderen van
aangegroeid takhout bij als cultuurboom gekweekte knotbomen,
gekandelaberde bomen of leibomen;
- laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen;
- ondernemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
speelautomatenhal, een hoogdrempelige inrichting of een
laagdrempelige inrichting exploiteert en de wettelijke
vertegenwoordiger van die rechtspersoon;
- openbaar water: wateren die - al dan niet met enige
beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk
zijn;
- openbare inrichting:
a. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend,
zomede de daarbij horende terrassen;
b. voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen,
tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen
en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend
als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek
toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg
bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel
5.2.3, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:
1. gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei
eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken,
2. amusement of ontspanning wordt aangeboden, met
uitzondering van een speelautomatenhal, of
3. voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard
worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke
voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven;
- openbare plaats: plaats als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties;
- organisator: degene voor wiens rekening en risico een
evenement plaatsvindt;
- parkeren: parkeren als bedoeld in het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990;
- particuliere boom: houtachtig, overblijvend gewas, waarvan
een natuurlijke of rechtspersoon, niet zijnde de gemeente, zakelijk
gerechtigde is, dat;
a. één- of meerstammig is, waarbij in geval van vertakken,
b. de omvang van de stam, of bij meerstammigheid de omvang
van de dikste stam, minimaal 100 centimeter is op 1,30 meter hoogte
boven het maaiveld;
- prostituee: persoon die zich beschikbaar stelt voor het
verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
- prostitutie: zich beschikbaar stellen voor het verrichten
van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
- rechthebbende: natuurlijke of rechtspersoon die over enige
zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk
recht;
- seksinrichting: voor het publiek toegankelijke, besloten
ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht;
- speelautomaat: toestel, ingericht voor de beoefening van
een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld
mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het
resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering
van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis
verder te spelen;
- speelautomatenhal: inrichting, bestemd om het publiek
gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te
beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de
Wet op de kansspelen;
- standplaats: op of aan de weg of aan een openbaar water
dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het
publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats waar in de
uitoefening van de ambulante handel vanuit een mobiele inrichting
of vanaf een grondplaats, tafel of enig ander vergelijkbaar middel
goederen te koop worden aangeboden of verkocht of diensten worden
aangeboden of verstrekt;
- standplaatsvergunning: vergunning krachtens artikel 5.2.4;
- toestemming: vergunning of ontheffing krachtens deze
verordening;
- verkoopregister: register als bedoeld in artikel 2.5.2;
- voertuigen: voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a
en al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
uitzondering van:
a. treinen en trams;
b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;
- weg:
a. voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met
inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die
wegen of paden behorende bermen of zijkanten, alsmede de aan de
wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
b. voor het publiek - al dan niet met enige beperking -
toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
speelweiden, bossen, stranden, duinen en andere natuurterreinen,
ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
c. voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
portieken, gangen, passages, arcades en galerijen, die uitsluitend
tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet
afsluitbaar zijn;
d. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades,
nissen en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat
zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht
bevoegd is, zijn afgesloten.
2. Onder evenement wordt in deze verordening en de daarop
berustende bepalingen mede verstaan:
- braderie op of aan de weg;
- feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
- herdenkingsplechtigheid op of aan de weg;
- optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
2.1.4, op of aan de weg;
- snuffelmarkt.
3. Onder vaartuigen worden in deze verordening en de daarop
berustende bepalingen mede verstaan drijvende werktuigen,
glijboten, luchtkussenvaartuigen, ponten, vlotten, pontons,
amfibische voertuigen, zeilplanken en soortgelijke drijvende
voorwerpen en schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
worden gebruikt of tot woning zijn bestemd. Onder vaartuigen worden
tevens mede verstaan vaartuigen die tijdelijk of blijvend de
mogelijkheid of geschiktheid hebben verloren om te varen of te
drijven, en vaartuigen in aanbouw of casco´s van vaartuigen.
4. In deze verordening wordt onder vellen mede verstaan
omzagen, rooien, met inbegrip van verplanten, met uitzondering van
het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal
van één meter, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven-
als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering
van houtopstand tengevolge kunnen hebben.
5. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen
worden onder bezoeker niet verstaan:
a. de levenspartner en kinderen van de exploitant, alsmede
diens elders wonende bloed- of aanverwanten en die van zijn
levenspartner, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en
met de derde graad;
b. voor zover het betreft een openbare inrichting: de
personen die voorkomen in het voor die inrichting bijgehouden
register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
Strafrecht;
c. andere personen wier tegenwoordigheid ter plaatse
noodzakelijk is.
§ 1.2 PROCEDURES VOOR HET VERKRIJGEN VAN EEN
TOESTEMMING
Artikel 1.1a Aanvulling of afwijking van de Algemene
wet bestuursrecht
Naast of in afwijking van titel 4.1 van de Algemene wet
bestuursrecht gelden met betrekking tot toestemmingen krachtens
deze verordening de bepalingen van deze paragraaf.
Artikel 1.1b Indiening
Het college kan regels stellen omtrent de gegevens en bescheiden,
die bij de aanvraag om een toestemming moeten worden overgelegd.
Artikel 1.2 Beslistermijnen
1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag om
een vergunning of ontheffing binnen vier weken na de dag waarop de
aanvraag is ontvangen, tenzij in deze verordening een andere
beslistermijn is vastgesteld.
2. In afwijking van het eerste lid beslist het bevoegde
bestuursorgaan binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag om
een toestemming krachtens de artikelen 2.2.3, 2.3.2, 2.3a.3, 3.2.2,
4.4.3 of 5.2.4 is ontvangen.
3. Het bevoegde bestuursorgaan kan binnen drie weken na
ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn
eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen, onderscheidenlijk
binnen zes weken de in het tweede lid bedoelde termijn met acht
weken. Het doet hiervan mededeling aan de aanvrager.
Artikel 1.3 Te late indiening aanvraag
Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te
behandelen, indien zij wordt ingediend binnen vier weken, of in
gevallen als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, binnen acht weken,
voor het begin van de activiteit waarvoor de toestemming wordt
gevraagd en het bestuursorgaan van mening is daardoor een
verantwoorde beoordeling van de aanvraag onmogelijk is.
Artikel 1.3a Beperking geldigheidsduur van de
toestemming
1. Een toestemming die betrekking heeft op een activiteit
die uit haar aard van beperkte duur is, wordt verleend voor de duur
van die activiteit.
2. In het belang van de openbare orde en veiligheid of het
woon- of leefklimaat wordt een toestemming krachtens:
a. artikel 2.3.2, 2.3.9, 2.3a.3, 3.2.1b of verleend voor de duur
van vijf jaar;
b. artikel 5.2.4, verleend voor de duur van drie jaar.
3. In het belang van de openbare orde en veiligheid of het
woon- of leefklimaat kan de burgemeester afwijken van dit artikel.
Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen
1. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden
verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend. De
voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming
van het belang of de belangen in verband waarmee de toestemming is
vereist.
2. Degene voor wie de toestemming geldt, is verplicht de
daaraan verbonden voorschriften na te komen.
Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van de
toestemming
De toestemming geldt alleen voor degene aan wie zij is verleend.
Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van de
toestemming
1. De toestemming kan, onverminderd het elders in deze
verordening bepaalde, worden ingetrokken of gewijzigd, indien:
a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
gegevens zijn verstrekt;
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of
inzichten opgetreden na het verlenen van de toestemming, moet
worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door
het belang of de belangen ter bescherming waarvan de toestemming is
vereist;
c. de aan de toestemming verbonden voorschriften of de
beperkingen waaronder zij is verleend, niet zijn of worden
nageleefd;
d. van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een
daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een dergelijke termijn,
binnen een naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan
redelijke termijn;
e. degene voor wie de toestemming geldt dit verzoekt.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan, onverminderd het elders
in deze verordening bepaalde, een toestemming weigeren indien de
aanvrager voorschriften, verbonden aan een eerdere toestemming voor
een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n
toestemming is verleend, niet heeft nageleefd en het vermoeden
gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde toestemming wordt
verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen
waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven.
Artikel 1.6a Grond voor verlening van een
ontheffing
Een ontheffing krachtens deze verordening wordt slechts verleend,
indien het belang dat door het betrokken verbod wordt beschermd,
zich daartegen niet verzet.
Artikel 1.6b Actualisering van gegevens
1. Het bevoegde bestuursorgaan kan – ten hoogste eens in de
drie jaar – degene voor wie een toestemming geldt, verzoeken de
juistheid van de bij dat bestuursorgaan bekende gegevens omtrent
degene voor wie of omtrent de activiteit waarvoor de toestemming
geldt, binnen een door dat orgaan te stellen termijn te
controleren.
2. Degene aan wie het verzoek is gedaan, is verplicht
daaraan te voldoen.
Artikel 1.7 Termijnen
Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door
terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op
een vrijdag na 12 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12 uur
op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen
erkende feestdag is.
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
§ 2.1 ORDE EN VEILIGHEID OP EN AAN DE WEG
Artikel 2.1.1 Samenscholing en
ongeregeldheden
1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
2. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij
een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor
wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op
een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg
te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
verwijderen.
3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op wegen
of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in het
belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
wanordelijkheden zijn afgezet.
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het
derde lid gestelde verbod.
5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
openbare manifestaties.
Artikel 2.1.2 Optochten [vervallen]
Artikel 2.1.3 [vervallen]
Artikel 2.1.4 Betogingen, vergaderingen en
samenkomsten op openbare plaatsen
1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in de Wet openbare
manifestaties, te houden, is verplicht daarvan voor de openbare
aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze zal worden
gehouden, schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
2. De burgemeester kan in bijzondere gevallen een mondelinge
kennisgeving, gedaan binnen de termijn van 48 uur, in behandeling
nemen.
Artikel 2.1.5 Regelmatige terugkerende betogingen,
vergaderingen of samenkomsten
In afwijking van artikel 2.1.4 kan van op vooraf bepaalde
tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of
samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing,
voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig
schriftelijk kennis worden gegeven.
Artikel 2.1.6 Te verstrekken gegevens
1. De kennisgeving bevat:
a. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of
samenkomst houdt;
b. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst;
c. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst
wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d. de plaats waar de betoging, vergadering of samenkomst
wordt gehouden, en, voor zover van toepassing, de route en de
plaats van beëindiging;
e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of
samenkomst houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te
bevorderen.
2. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een
bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
Voorschriften, beperkingen of verboden met betrekking tot de
betoging, vergadering of samenkomst door de burgemeester gesteld,
onderscheidenlijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare
manifestaties worden in het bewijs vermeld.
Artikel 2.1.7 Dienstverlening [vervallen]
Artikel 2.1.8 Straatartiest
1. Het is verboden ten behoeve van publiek als
straatartiest, straatfotograaf, straatmuzikant, tekenaar,
filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester
aangewezen wegen of weggedeelten.
2. De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid
gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en
uren.
3. De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen
van het verbod.
Artikel 2.1.9 Plaatsen van voorwerpen op of aan de
weg in strijd met de publieke functie van de weg
1. Het is verboden zonder vergunning van het college of de
burgemeester de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan
overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2. Het verbod geldt niet voor:
a. evenementen;
b. terrassen als bedoeld in artikel 2.3.8;
c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3;
d. uitstallingen van winkelwaren gedurende de openingstijden
van de betrokken winkel op de stoep daarvoor, indien de stoep ter
plaatse, gemeten van de gevel tot en met de stoeprand, minimaal
3,50 meter breed is, op de stoep een obstakelvrije ruimte van
minimaal 1,80 meter overblijft en de uitstalling maximaal 1 meter,
gemeten uit de gevel van de winkel, beslaat en niet breder is dan
de gevel;
e. één reclame-uiting in het kader van verkoop of
dienstverlening vanuit een winkel, die niet hoger zijn dan 1,25
meter en in geen enkele richting breder dan 0,85 meter;
f. andere door het college of de burgemeester aangewezen
categorieën van gevallen.
3. Het college kan in afwijking van het tweede lid, onder d,
bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor
uitstallingen in door hem aangewezen gebieden, indien wordt voldaan
aan daarbij gestelde regels met betrekking tot:
a. de situering, oppervlakte en omvang van de uitstalling,
of
b. de constructie van de uitstalling.
4. Het verbod geldt tevens niet voor voorwerpen door middel
waarvan gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
artikel 7, eerste lid van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang,
vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de weg,
gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig of
veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het
doelmatig beheer of onderhoud van de weg.
5. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de
gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een
publiekrechtelijke taak.
6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet,
de Woningwet, de Wet milieubeheer of het Provinciaal
wegenreglement.
Artikel 2.1.9a Weigerings- en
intrekkingsgronden
Een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.9 kan worden geweigerd of
ingetrokken:
a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan
vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;
b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
welstand;
c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast
voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.
Artikel 2.1.10 Winkeluitstallingen [vervallen]
Artikel 2.1.11 Aanleggen, beschadigen en veranderen
van een weg
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg
in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 of een
niet-openbare ontsluitingsweg van een gebouw aan te leggen, te
veranderen of de wijze van aanleg ervan te veranderen.
2. Het verbod geldt niet bij het uitvoeren van een
publiekrechtelijke taak.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het
Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, een
keur van het betrokken waterschap, de Wegenverordening
Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de
Telecommunicatieverordening Rotterdam of de Leidingenverordening
Rotterdam.
Artikel 2.1.12 Maken en veranderen van een
uitweg
1. Het is verboden zonder vergunning van het college:
a. een uitweg te maken naar een weg in de zin van artikel 1
van de Wegenverkeerswet 1994;
b. van een zodanige weg gebruik te maken voor het hebben van
een uitweg;
c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar een
zodanige weg.
2. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg;
b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet
1994, een keur van het betrokken waterschap of de Wegenverordening
Zuid-Holland.
Artikel 2.1.13 Winkelwagens
De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking
stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de
weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of
een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf
door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes
onverwijld te verwijderen of te doen verwijderen.
Artikel 2.1.14 Hinderlijke beplanting of
voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
wordt belemmerd of dat daardoor op andere wijze hinder of gevaar
wordt veroorzaakt voor het wegverkeer.
Artikel 2.1.15 Openen straatkolken e.d.
1. Het is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of
enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare
nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
2. Het verbod geldt niet voor degene die deze handelingen
verricht in opdracht van de beheerder van de betrokken voorziening
of bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
Artikel 2.1.16 Rookverbod in bossen en
natuurgebieden
1. Het is verboden te roken in bossen, duinen of andere
natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan
gedurende de door het college aangewezen periode.
2. Het is verboden in bossen, duinen of andere
natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan in
de open lucht brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen,
weg te werpen of te laten liggen.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin
ingerichte, erven.
4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder
3º, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.1.17 Gevaarlijk of hinderlijk
voorwerp
1. Het is verboden op, aan of boven het voor het verkeer
bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad,
schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen
of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de
weg.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen,
die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg,
op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
aangebracht.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.1.18 Vallende voorwerpen
Het is verboden aan de weg of aan enig deel van een bouwwerk een
voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
neervallen op de weg.
Artikel 2.1.19 Voorzieningen voor verkeer en
verlichting
1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te
laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen
ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting
worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn
besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van
een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in
het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de
Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
Privaatrecht.
Artikel 2.1.20 Verwijdering e.d. van voorzieningen
voor verkeer en verlichting [vervallen]
Artikel 2.1.21 Veiligheid op het ijs
1. Het is verboden:
a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen,
te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te
nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan
te verijdelen of te belemmeren.
2. Een ieder is verplicht op eerste vordering van een
ambtenaar van politie onverwijld het ijs te verlaten ter voorkoming
van gevaar voor personen of goederen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het
Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening.
Artikel 2.1.22 [vervallen]
Artikel 2.1.23 (Slaap)verblijf op de weg, in
voertuigen en in kampeermiddelen
Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te
slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent,
caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het
kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te
slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.
Artikel 2.1.24 Melding voorvallen gevaarlijke
stoffen [vervallen]
§ 2.2 TOEZICHT OP EVENEMENTEN
Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving
[vervallen]
Artikel 2.2.2 Evenementenvergunning
1. Het is verboden zonder evenementenvergunning van de
burgemeester een evenement te organiseren.
2. De evenementenvergunning kan worden geweigerd in het
belang van:
a. de openbare orde;
b. het voorkomen of beperken van overlast;
c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
goederen;
d. de zedelijkheid of gezondheid;
e. de bescherming van een krachtens de Gemeentewet
ingestelde markt.
3. Met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen en
de bij de aanvraag om vergunning verstrekte gegevens kan de
burgemeester aan de vergunning voorschriften verbinden ter
regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen
hebben op:
a. de plaats en het tijdstip van het evenement;
b. de benodigde technische voorzieningen;
c. de verdere inrichting;
d. de benodigde openbare aankondigingen over hoe het
evenement per openbaar vervoer kan worden bezocht.
4. De aanvraag om een evenementenvergunning vermeldt:
a. de plaats waar het evenement wordt gehouden,
b. de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt
gehouden,
c. een opgave van het verwachte aantal deelnemers en
toeschouwers,
d. de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare
orde en veiligheid, en
e. de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om
wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen.
5. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst
na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld
aan de burgemeester te worden gemeld.
6. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of
aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel
10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.2.2a Kennisgeving evenementen
1. Het in artikel 2.2.2, eerste lid, gestelde verbod geldt,
behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, niet voor
eendaagse evenementen indien:
a. het evenement een feest op eigen terrein, barbecue of
straatfeest in de openlucht betreft,
b. het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 249 personen,
c. het evenement op een werkdag plaatsvindt tussen 9 en 23
uur of op een zon- of feestdag tussen 13 en 23 uur,
d. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige
geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A),
e. het evenement niet plaatsvindt op de weg in de zin van de
Wegenverkeerswet 1994 of anderszins een belemmering vormt voor het
verkeer en de hulpdiensten,
f. slechts kleine objecten worden
geplaatst met een oppervlakte van minder dan 2 m² per object,
g. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt,
h. er een organisator is,
i. de organisator de burgemeester ten minste vier weken
voorafgaand aan het evenement kennis geeft met een door de
burgemeester vastgesteld kennisgevingsformulier,
j. binnen een week na ontvangst van het
kennisgevingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is
verzonden, en
k. de organisator een ontvangstbevestiging, van het feit dat
hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.
2. Indien het vermoeden bestaat dat een evenement de
openbare orde kan verstoren, kan de burgemeester, in afwijking van
het eerst lid, bepalen dat het in artikel 2.2.2, eerste lid,
gestelde verbod, onverkort geldt. De burgemeester zendt dit
tegenbericht, als bedoeld in onderdeel j van het eerste lid, binnen
een week na ontvangst van het kennisgevingsformulier.
Artikel 2.2.3 Grootschalig evenement
1. Het is verboden een grootschalig evenement aan te
kondigen, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te
nemen:
a. indien wordt afgeweken van de aan de burgemeester
verstrekte gegevens;
b. indien wordt gehandeld in strijd met de krachtens het
derde lid van artikel 2.2.2 door de burgemeester aan de vergunning
verbonden voorschriften.
2. De burgemeester weigert de vergunning in ieder geval
indien:
a. naar zijn oordeel noch door het stellen van
voorschriften, noch door de aan de zijde van de organisator
voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de belangen
genoemd in artikel 2.2.2, tweede lid, kan worden voorkomen;
b. indien de ter handhaving van de openbare orde en
veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een zijns inziens
onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.
Artikel 2.2.4 Beslistermijn grootschalig evenement
[vervallen]
Artikel 2.2.5 Openbare orde en veiligheid
grootschalig evenement
1. De organisator van een grootschalig evenement is
verplicht:
a. het grootschalige evenement onverwijld te beëindigen
indien daartoe door of namens de burgemeester een bevel gegeven
wordt;
b. ervoor te zorgen dat, nadat een bevel als onder a bedoeld
is gegeven, geen publiek meer tot het grootschalige evenement wordt
toegelaten;
c. ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van ambtenaren van
politie en brandweer stipt en onverwijld worden opgevolgd.
2. Het is voor het publiek verboden aanwezig te zijn of te
blijven bij een grootschalig evenement ten aanzien waarvan openbaar
is bekend gemaakt dat een bevel als bedoeld in het eerste lid,
onder a, is gegeven.
3. Het is verboden zich bij gelegenheid van een grootschalig
evenement op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke
doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te
bedreigen.
4. Het is verboden om bij gelegenheid van een grootschalig
evenement - al dan niet op het evenemententerrein - op of aan de
weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of
stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk
bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren.
5. Een ieder is verplicht bij gelegenheid van een
grootschalig evenement alle aanwijzingen, gegeven door politie en
brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid van
personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar,
onverwijld en stipt op te volgen.
§ 2.3 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
Artikel 2.3.1 Begripsomschrijving
[vervallen]
Artikel 2.3.2 Vergunningplicht
1. Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden
een openbare inrichting te exploiteren zonder
exploitatievergunning.
2. Bij de inwerkingtreding van een verleende nieuwe
exploitatievergunning vervalt de oude exploitatievergunning van
rechtswege.
3. De aanvraag wordt ingediend door de exploitant.
4. De vergunning is in de openbare inrichting aanwezig.
Artikel 2.3.2a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant
en beheerder
1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers
geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder in de
openbare inrichting aanwezig is.
2. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er
voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen
strafbare feiten plaatsvinden.
3. De burgemeester kan categorieën van openbare inrichtingen
of openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
gestelde verbod niet geldt.
Artikel 2.3.3 Vrijstelling en ontheffing
1. De burgemeester kan:
a. bepalen dat het exploiteren van categorieën van openbare
inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of
gedeeltelijk van de exploitatievergunningplicht wordt vrijgesteld;
b. voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld
onder a;
c. categorieën van openbare inrichtingen of openbare
inrichtingen aanwijzen waarbij de leeftijdseis van exploitanten en
beheerders op achttien jaar wordt gesteld.
2. De exploitatie van een openbare inrichting waarop een
besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is,
geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de
omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op
ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.
Artikel 2.3.4 Vergunningaanvraag
Per openbare inrichting wordt één aanvraag tegelijk in behandeling
genomen.
Artikel 2.3.5 Beslistermijn [vervallen]
Artikel 2.3.6 Weigerings-, intrekkings- en
wijzigingsgronden
1. De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning
in indien:
a. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting
in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een
stadsvernieuwingsplan of een leefmilieuverordening in de zin van de
Wet op de stads- en dorpsvernieuwing,
b. de exploitant of de beheerder onder curatele staat,
c. de exploitant of de beheerder is ontzet uit de ouderlijke
macht of de voogdij,
d. de exploitant of de beheerder niet de leeftijd van
eenentwintig jaar heeft bereikt, tenzij artikel 2.3.3, eerste lid,
onder c, van toepassing is, of
e. de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht
levensgedrag is.
2. De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of
gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of
gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:
a. naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het
woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door
de aanwezigheid van de openbare inrichting nadelig wordt beïnvloed,
b. de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de
bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt,
c. aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder
betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die gevaar kunnen
veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het
woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting,
d. de exploitant of de beheerder strafbare feiten pleegt in
de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn
openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd,
e. de exploitant of de beheerder zich schuldig maakt aan
discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid,
f. zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins
feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend
blijven van de openbare inrichting gevaar kan veroorzaken voor de
openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat
in de omgeving van de openbare inrichting,
g. er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een
wijziging in de exploitant, waarvoor geen nieuwe
exploitatievergunning is aangevraagd, of
h. er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting
personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of
krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000
bepaalde.
3. Bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde
gronden houdt de burgemeester rekening met:
a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de
openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen;
b. de aard van de openbare inrichting;
c. de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse
reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
van de openbare inrichting;
d. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of
beheerder van de openbare inrichting in deze of in andere openbare
inrichtingen.
Artikel 2.3.7 Sluiting van openbare
inrichtingen
1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of
voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien:
a. die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder
geldige exploitatievergunning;
b. die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met
de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;
c. een van de in artikel 2.3.6, tweede lid, genoemde
situaties zich voordoet.
2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang
van de openbare inrichting aangebracht.
3. Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door
de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden
feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn
oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van
de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
4. Het is de exploitant of de beheerder van de openbare
inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting
bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de openbare inrichting toe
te laten of daarin te laten verblijven.
5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de
burgemeester gesloten openbare inrichting als bezoeker te
verblijven.
Artikel 2.3.8 Terrassen
1. Ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens
van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting
behorende terrassen, beslist de burgemeester - gelet op de openbare
orde en veiligheid ter plaatse - tevens omtrent de ingebruikneming
van de openbare weg.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid,
kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming
van de openbare weg weigeren indien het de verwachting is
dat het gebruik:
a. schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar kan veroorzaken
voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
gebruik daarvan;
b. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
onderhoud van de weg;
c. afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare
ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
3. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om
enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is,
is de exploitant van de openbare inrichting verplicht dit binnen de
door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.
4. Het is verboden op of in de omgeving van een terras
dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken:
a. buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge
het eerste lid is toegestaan, of
b. aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras
aanwezige zitplaatsen.
5. De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat
dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare
inrichting, doch in ieder geval onverwijld op eerste aanzegging van
een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het
bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de weg
achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of
van dat terras afkomstig, worden verwijderd.
Artikel 2.3.9 Openings- en sluitingstijden
1. Het is de exploitant of de beheerder verboden de openbare
inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe
te laten op andere tijdstippen dan van 7 uur tot 1 uur.
2. In het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) wordt
het in het eerste lid genoemde nachtelijke tijdstip met één uur
verlengd.
3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het
eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden:
a. voor een openbare inrichting die behoort tot een nader
door de burgemeester aan te wijzen categorie;
b. voor een openbare inrichting, waarvan de exploitant ten
genoegen van de burgemeester heeft aangetoond, dat de exploitatie
van die openbare inrichting geen nadelige invloed heeft op de
openbare orde of op het woon- of leefklimaat in de naaste omgeving
van die openbare inrichting (nachtontheffing).
4. De ontheffingen bedoeld in het derde lid, onder a en b,
sluiten elkaar wederzijds uit.
5. De burgemeester kan de ontheffing bedoeld in het derde
lid weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of
gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien een van de in artikel
2.3.6, eerste en tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.
6. De exploitant van een openbare inrichting kan maximaal
tien incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4.1.1, onder
e, houden, waarbij het de exploitant of beheerder is toegestaan de
openbare inrichting, met uitzondering van het terras, voor
bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten van 7
uur tot 6 uur, mits de exploitant op de dag waarop de festiviteit
plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22 uur, de
burgemeester van de festiviteit kennis heeft gegeven.
7. De kennisgeving wordt gedaan volgens de procedure die op
het daartoe door de burgemeester vastgestelde formulier is
voorgeschreven.
8. De kennisgeving kan alleen worden gedaan in combinatie
met de kennisgevingen als bedoeld in artikel 4.1.3.
9. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en
het woon- of leefklimaat voor een of meer openbare inrichtingen of
voor de tot de openbare inrichting behorende terrassen de in het
eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden - al dan
niet tijdelijk - beperken, dan wel andere openings- en
sluitingstijden vaststellen.
10. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van
een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de
krachtens het eerste en tweede lid geldende openings- en
sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer
bepaalde openbare inrichtingen.
11. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
milieubeheer.
Artikel 2.3.10 Raamkaart
1. Met de exploitatievergunning worden één of meer door of
namens de burgemeester gewaarmerkte raamkaarten afgegeven, waarop
staat aangegeven:
a. de naam van de exploitant,
b. de openings- en sluitingstijden van de openbare
inrichting, inclusief eventuele ontheffingen daarvan,
c. de aanwezigheid van een eventueel terras,
d. de ingangsdatum van de exploitatievergunning, en
e. de oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke
ruimtes van de openbare inrichting, alsmede van een eventueel
terras.
2. De burgemeester kan bepalen welke andere gegevens op een
raamkaart moeten zijn vermeld en op welke wijze een raamkaart wordt
ingericht.
3. De raamkaart wordt zichtbaar bij de ingang aangebracht.
Artikel 2.3.11 Beëindiging exploitatie
1. De exploitatievergunning vervalt zodra de exploitant dan
wel de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft
dan wel hebben beëindigd.
2. Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de
exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel een van
de exploitanten, geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan de
burgemeester.
Artikel 2.3.12 Wijziging beheer
1. Indien een beheerder het beheer in de openbare inrichting
feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een
week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk
kennis aan de burgemeester.
2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
beheerder, indien de burgemeester op aanvraag van de exploitant,
met inachtneming van artikel 2.3.6, de verleende
exploitatievergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer
heeft gewijzigd.
Artikel 2.3.13 Schakelbepaling
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
gebouw is als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt
niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd
bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1 tot en met 2.3.12 en
de daarop berustende bepalingen.
§ 2.3a SEKSINRICHTINGEN EN ESCORTBEDRIJVEN
Artikel 2.3a.1 Begripsomschrijvingen [vervallen]
Artikel 2.3a.2 Nadere regels
Het college kan nadere regels stellen omtrent de inrichting en
bedrijfsvoering van seksinrichtingen en escortbedrijven.
Artikel 2.3a.3 Vergunningplicht seksinrichting of
escortbedrijf
1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde
bestuursorgaan.
2. Per seksinrichting of escortbedrijf wordt één aanvraag
tegelijk in behandeling genomen.
3 De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant
en op diens naam gesteld.
4. De vergunning is in de seksinrichting aanwezig.
Artikel 2.3a.4 Eisen exploitant en beheerder
[vervallen]
Artikel 2.3a.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant
en beheerder
1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend
te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de
seksinrichting aanwezig is.
2. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er
voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting:
a. geen strafbare feiten plaatsvinden;
b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
3. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen
jonger dan 18 jaar toegang te verlenen tot de seksinrichting.
4. De exploitant en beheerder van een escortbedrijf treft
maatregelen ter waarborging van de veiligheid van de prostituee en
ter voorkoming van gedragingen als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.3a.6 Sluitingstijden
1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend
te hebben en daarin bezoekers toe te staan of te laten verblijven
tussen 1 en 7 uur en in het weekeinde (zaterdagochtend en
zondagochtend) tussen 2 en 7 uur.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan bij voorschrift van de
vergunning, bedoeld in artikel 2.3a.3, eerste lid, afwijken van de
in het eerste lid genoemde sluitingstijden voor een seksinrichting,
waarvan de exploitant ten genoegen van het bevoegde bestuursorgaan
heeft aangetoond, dat de exploitatie van die seksinrichting geen
nadelige invloed heeft op de openbare orde of het woon- of
leefklimaat in de naaste omgeving van die seksinrichting.
3. Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de
openbare orde en het woon- of leefklimaat voor een bepaald gebied
voor een of meer seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde
sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel andere
sluitingstijden vaststellen.
4. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich
daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting
krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel
2.3a.11, gesloten moet zijn.
5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
milieubeheer .
Artikel 2.3a.7 Beslistermijn [vervallen]
Artikel 2.3a.8 Weigerings-, intrekkings- en
wijzigingsgronden
1. Het bevoegde bestuursorgaan weigert of trekt de vergunning
in, indien:
a. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting in
strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een
stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet
op de stads- en dorpsvernieuwing;
b. de vestiging of de exploitatie in strijd is met de
krachtens artikel 2.3a.2 gestelde regels omtrent inrichting en
bedrijfsvoering;
c. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
d. de exploitant of de beheerder is ontzet uit de ouderlijke
macht of de voogdij;
e. de exploitant of de beheerder niet de leeftijd van
eenentwintig jaar heeft bereikt;
f. de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht
levensgedrag is.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de vergunning geheel of
gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of
gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:
a. naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het
woon- of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting nadelig
wordt beïnvloed;
b. dit in het belang van de veiligheid van personen of
goederen is;
c. dit in het belang van de gezondheid of zedelijkheid is;
d. dit in het belang van de arbeidsomstandigheden van de in
de seksinrichting werkzame prostituees is;
e. er door de exploitant of beheerder onvoldoende
maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de
hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de
seksinrichting of voor het escortbedrijf werkzame personen, alsmede
ter bescherming van de volksgezondheid;
f. in de seksinrichting een minderjarige prostituee
wordt aangetroffen dan wel indien een escortbedrijf werkzaamheden
laat verrichten door een minderjarige prostituee;
g. de exploitant of beheerder de bepalingen in deze
paragraaf dan wel de krachtens artikel 2.3a.2 gestelde regels
overtreedt;
h. aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken
is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten
in of vanuit de seksinrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor
de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of
leefklimaat;
i. de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt
in de seksinrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn
seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd;
j. zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening
van het escortbedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de
vrees wettigen, dat de exploitatie van de seksinrichting of het
escortbedrijf gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een
bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van
de seksinrichting of het escortbedrijf;
k. er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een
wijziging in de exploitant, waarvoor geen nieuwe vergunning is
aangevraagd;
l. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of voor het
escortbureau personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel
250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de
Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde
weigeringsgrond houdt het bevoegde bestuursorgaan rekening met:
a. het karakter van de straat en de wijk waarin de
seksinrichting is gelegen of zal komen te liggen;
b. de aard van de seksinrichting;
c. de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse
reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
van de seksinrichting;
d. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of
beheerder van de seksinrichting in deze of in andere
seksinrichtingen.
Artikel 2.3a.9 Geldigheid vergunning
[vervallen]
Artikel 2.3a.10 Intrekkingsgronden vergunning
[vervallen]
Artikel 2.3a.11 Sluiting van de seksinrichting
1. Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting
tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien:
a. de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
vergunning;
b. de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de
aan de vergunning verbonden voorschriften;
c. een van de in artikel 2.3a.8, tweede lid, genoemde
situaties zich voordoet.
2. Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door
het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de
toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in
werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede
lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft,
zolang de sluiting van kracht is.
4. Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting,
verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven,
zolang de sluiting van kracht is.
5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste
lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te
verblijven.
6. Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van
belanghebbende(n) door het bevoegde bestuursorgaan worden
opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden
hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de
sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2.3a.12 Beëindiging exploitatie
1. De vergunning vervalt zodra de exploitant dan wel de
exploitanten de exploitatie van de seksinrichting of het
escortbedrijf heeft dan wel hebben beëindigd.
2. Binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door
de exploitant, de exploitanten dan wel een van de exploitanten,
geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde
bestuursorgaan.
Artikel 2.3a.13 Wijziging beheer
1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 2.3a.3,
tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk
heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het
bevoegde bestuursorgaan.
2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
beheerder, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de
exploitant, met in achtneming van artikel 2.3a.8, de verleende
vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer heeft
gewijzigd.
Artikel 2.3a.14 Overgangsbepaling
Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in
artikel 2.3a.3, eerste lid, van een bestaande seksinrichting, is
het bepaalde in artikel 2.3a.8, eerste lid, onder a, niet van
toepassing.
Artikel 2.3a.15 Schakelbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
de Gemeentewet, de burgemeester.
§ 2.3b VOOR PUBLIEK OPENSTAANDE GEBOUWEN
Artikel 2.3b.1 Sluiting overlastgevende voor het
publiek openstaande gebouwen
1. De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar
zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen
van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een
openbare inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw
behorend erf.
2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het
aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang
van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw
behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat
bedoeld afschrift is aangebracht.
3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede
lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft,
zolang de sluiting van kracht is.
4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw
of erf waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt,
verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven,
zolang de sluiting van kracht is.
5. Het is verboden een gebouw of erf waarvoor een bevel als
bedoeld in het eerste lid geldt, als bezoeker te betreden of daarin
als bezoeker te verblijven.
6. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van een
belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar
zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling
van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal
plaatsvinden.
§ 2.4 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID
Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of voor
publiek toegankelijk lokaal
1 . Het is verboden een krachtens artikel 174a van de
Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk
lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te
betreden.
2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een
bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek
toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid
in de woning of in het voor publiek toegankelijk lokaal wegens
dringende redenen noodzakelijk is.
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het
eerste en tweede lid gestelde verboden.
Artikel 2.4.2 Plakken en kladden
1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende
zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
rechthebbende op de weg, op dat gedeelte van een onroerende zaak
dat vanaf de weg zichtbaar is of op een op de weg staande roerende
zaak:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
aanduiding, aan te plakken of aan te doen plakken of op andere
wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b. op een andere wijze enige afbeelding, letter, cijfer of
teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
degene die krachtens wettelijk voorschrift bevoegd is tot het
verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt
bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het
aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen
van meningsuitingen en bekendmakingen.
7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens
eerste vordering onverwijld ter inzage af te geven.
Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.
1. Het is verboden tussen 22 uur en 6 uur op de weg of
openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, lijm, plakmiddel, kleur- of
verfstof, verfspuitbus of verfgereedschap.
2. Het verbod geldt niet, indien de materialen of
gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
handelingen als verboden in artikel 2.4.2.
Artikel 2.4.4 Hinderlijk gedrag op of aan de
weg
1. Het is verboden:
a. op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich anderszins
te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie,
openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek,
omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet
bestemd straatmeubilair;
b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen
onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;
c. zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste
afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen
zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug te
openen.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
degene die bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling
of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een
publiekrechtelijke taak.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424,
426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.4.5 Openlijk drankgebruik
1. Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te
gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare
orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of
anderszins overlast veroorzaken.
2. Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een
door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor:
a. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als
bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b. de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder
a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
en Horecawet.
Artikel 2.4.6 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
en in voor publiek toegankelijke ruimten
1. Het is verboden hinder of overlast te veroorzaken, dan
wel zich zonder redelijk doel op te houden:
a. in een portiek, bordes, poort, nis of op een trap;
b. in, op of tegen een raamkozijn, gevel of drempel van een
gebouw;
c. in of op een voor het publiek toegankelijk portaal,
telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel,
parkeergarage, rijwielstalling, winkelcentrum, abri of een andere
soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen
en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
onderwerp daarvan wordt voorzien door artikel 424 van het Wetboek
van Strafrecht.
Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag in voor publiek
toegankelijke ruimten [vervallen]
Artikel 2.4.8 Messen en andere voorwerpen als
wapen
1. Het is verboden op de weg of in voor publiek
toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen
kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben.
2. Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die
zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed
zijn.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en
munitie.
Artikel 2.4.9 Overlast van fiets of bromfiets op
markt- en kermisterreinen e.d.
Het is verboden op de door het college aangewezen uren en plaatsen
zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een
markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de
bezoekers van het terrein.
Artikel 2.4.10 Overlast door honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
hond te laten verblijven of te laten lopen:
a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
aangelijnd is met een lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot
halsband, niet meer dan 5 meter bedraagt;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op
een andere door het college aangewezen plaats;
c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een
ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet
kennen.
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste
lid onder, a, gestelde verbod niet geldt.
3. De in het eerste lid, onder a en b, gestelde verboden
gelden niet voor degene die zich vanwege zijn handicap laat
begeleiden door een geleidehond die aantoonbaar als zodanig
gekwalificeerd is, of degene die aantoonbaar gekwalificeerd is voor
het opleiden van de hond tot geleidehond.
4. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de
hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort
door aanhoudend geblaf of gejank.
Artikel 2.4.10a Opruimplicht hondenuitwerpselen
1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht de
uitwerpselen van de hond onverwijld op te ruimen.
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar de uitwerpselen
van die hond niet hoeven worden opgeruimd.
3. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste
lid gestelde verplichting.
4. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet
voor degene die zich vanwege zijn handicap laat begeleiden door een
geleidehond die aantoonbaar als zodanig gekwalificeerd is, of
degene die aantoonbaar gekwalificeerd is voor het opleiden van de
hond tot geleidehond.
Artikel 2.4.10b Gevaarlijke honden
1. Het college kan de eigenaar of houder van een hond die
naar het oordeel van het college hinderlijk of gevaarlijk is, een
verbod opleggen die hond op of aan de weg te laten verblijven of te
laten lopen, anders dan:
a. aangelijnd aan een lijn met een lengte, gemeten van hand
tot halsband, van niet meer dan 1,50 meter, of
b. voorzien van een muilkorf, als bedoeld in artikel 1,
onder d, van de Regeling agressieve dieren.
2. Het is de eigenaar of houder van een hond ten aanzien
waarvan een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven,
verboden die hond op of aan de weg te laten verblijven of te laten
lopen indien de hond niet is voorzien van een optisch leesbaar,
niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand,
dat voldoet aan door het college te stellen regels.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de
Regeling agressieve dieren.
Artikel 2.4.11 Houden van hinderlijke of schadelijke
dieren
1. Het college kan gedeelten van de gemeente of bepaalde
plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van
overlast of schade aan de volksgezondheid verboden is dieren van
een daarbij aangewezen soort:
a. aanwezig te hebben,
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade
aan de volksgezondheid gestelde regels, of
c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
aanwijzing is aangegeven.
2. Het is verboden in of op een krachtens het eerste lid
aangewezen gedeelte van de gemeente of plaats een dier of dieren
van de daarbij aangewezen soort aanwezig te hebben in strijd met
hetgeen het college daaromtrent heeft bepaald.
3. Het college kan de rechthebbende op een onroerend goed,
gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van
de gemeente, ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
verbod.
4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet
milieubeheer.
Artikel 2.4.12 Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan
de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
geld of andere zaken.
Artikel 2.4.13 Vervoer inbrekerswerktuigen en
hulpmiddelen winkeldiefstal
1. Het is verboden tussen 22 uur en 6 uur op de weg te
vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels,
touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of
middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een
gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of
te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of
het maken van sporen bij zulke handelingen te voorkomen.
2. Het is verboden op de weg een voorwerp of ander
hulpmiddel dat er kennelijk toe is uitgerust om winkeldiefstal mee
te plegen, te vervoeren of bij zich te hebben.
3. De verboden gelden niet indien de bedoelde
gereedschappen, voorwerpen, hulpmiddelen of middelen niet zijn
bestemd voor de in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid
bedoelde handelingen.
§ 2.5 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN
Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen
[vervallen]
Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
verkoopregister
1. Een handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
wijze overdraagt, in een doorlopend en door of namens de
burgemeester gewaarmerkt register, waarin hij onverwijld vermeldt:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
goed;
b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor
zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
het goed;
e. de naam en het adres van degene die het goed heeft
verkregen.
2. De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorieën
van goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid
gestelde verplichting.
Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel
437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Een handelaar is verplicht:
a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel
437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester
of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van kennis
geeft dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij
tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het
volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn
onderneming in gebruik genomen;
b. de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van
zijn register onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen,
schriftelijk kennis te geven van een verandering van zijn
woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten
behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming
is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van
de onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld;
d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf
afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan
onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;
e. zijn registers op eerste aanvraag ter inzage te geven aan
de burgemeester of aan een daartoe door de burgemeester aangewezen
ambtenaar;
f. wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep
of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar
niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan
onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk
kennis te geven.
Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
goederen
Het is een handelaar verboden enig door opkoop verkregen goed
gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is,
over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze
wijziging niet van invloed is op de herkenbaarheid van het goed.
Artikel 2.5.5 Handel in openbare
inrichtingen
Het is de exploitant of beheerder van een openbare inrichting
verboden toe te laten dat in die openbare inrichting roerende zaken
die daar aanwezig zijn, worden aangeboden of geleverd.
§ 2.6 [vervallen]
§ 2.7 VUURWERK
Artikel 2.7.1 Begripsomschrijving
[vervallen]
Artikel 2.7.2 Afleveren van vuurwerk ten behoeve van
Oud en Nieuw [vervallen]
Artikel 2.7.3 Afsteken van consumentenvuurwerk ter
gelegenheid van Oud en Nieuw
1. Het is verboden consumentenvuurwerk tot ontbranding te
brengen op door het college in het belang van de voorkoming van
gevaar, schade of overlast aangewezen plaatsen.
2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of
op een andere voor publiek toegankelijke plaats tot ontbranding te
brengen indien dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder
1°, van het Wetboek van Strafrecht.
§ 2.8 BESTUURLIJKE OPHOUDING
Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a
van de Gemeentewet, besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van
door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen
groepsgewijs niet naleven: artikel 2.1.1, 2.1.9, 2.1.11, 2.1.15,
2.1.17, 2.1.21, 2.1.23, 2.2.4, tiende, elfde en twaalfde lid,
2.4.4, 2.4.5, 2.4.6, 2.4.8, 2.7.3.
§ 2.9 VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN
Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de
Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de
aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het
ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen
voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven,
aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
§ 2.9a CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN
Artikel 2.9a.1 Cameratoezicht op openbare
plaatsen
1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2. De burgemeester heeft de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid, eveneens ten aanzien van voor een ieder toegankelijke
parkeerterreinen.
§ 2.10 GEBIEDSONTZEGGINGEN
Artikel 2.10.1 Gebiedsontzeggingen
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken
van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van
personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene
die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen
verricht een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden
op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid
waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan
de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in
het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt
geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde
verstorende handelingen verricht, een verbod opleggen om zich
gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste acht
weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in
de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad.
3. Een verbod krachtens het tweede lid kan slechts worden
opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende
handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder
verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn
geconstateerd.
4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede
gestelde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke
omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door
de burgemeester opgelegd verbod.
§ 2.11 ZAKKENROLLEN [vervallen]
Artikel 2.11.1 (Voorbereidingshandelingen) zakkenrollen [vervallen]
§ 2.12 STADIONOMGEVINGSVERBODEN
Artikel 2.12.1 Begripsomschrijving [vervallen]
Artikel 2.12.2 Omgevingsverbod
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of
de bescherming van het woon- of leefklimaat aan een persoon een
verbod opleggen om zich op te houden in de omgeving en nabijheid
van het Feyenoordstadion “de Kuip”, het Spartastadion “het Kasteel”
of het Excelsiorstadion “Woudestein” gedurende een in dat verbod
genoemd tijdvak van 4 uur voor de vastgestelde aanvangstijdstippen
tot 4 uur na de afloop van een voetbalwedstrijd georganiseerd door
de betaaldvoetbalorganisatie Feyenoord, Sparta of Excelsior waarbij
het eerste elftal een thuiswedstrijd speelt, of een evenement.
2. Het verbod geldt voor een bepaalde periode welke niet
langer is dan 2 jaar.
3. De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde
verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden
van betrokkene noodzakelijk is.
4. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door
de burgemeester opgelegd verbod.
HOOFDSTUK 3 PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS
§ 3.1 STRAAT- EN RAAMPROSTITUTIE
Artikel 3.1.1 Prostitutie
Het is verboden:
a. door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke
gedragingen, op of aan de weg, op of in voor het publiek
toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel binnenshuis
zichtbaar voor het publiek, iemand tot prostitutie uit te nodigen
of uit te lokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te
gaan;
b. op de weg ontuchtige handelingen te verrichten, indien
dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.
Artikel 3.1.2 Ontucht op de weg [vervallen]
§ 3.2 KANSSPELEN
Artikel 3.2.1 Begripsomschrijvingen
[vervallen]
Artikel 3.2.1a Maximaal aantal automaten in hoog- en
laagdrempelige inrichtingen
1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
2. In laagdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel
niet zijn toegestaan.
Artikel 3.2.1b Aanwezigheidsvergunning en
tenaamstelling
1. De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam worden
gesteld van de ondernemer.
2. In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de
inrichting waar de speelautomaten worden geplaatst, vermeld.
3. De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten
behoeve van de plaatsing van speelautomaten die in eigendom
toebehoren aan personen die in het bezit zijn van een
exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de Wet op de
kansspelen en die voorzien zijn van een merkteken als bedoeld in
artikel 30r van de Wet op de kansspelen.
4. De naam van de exploitant van de speelautomaten wordt in
de aanwezigheidsvergunning vermeld. De ondernemer is verplicht van
wijziging onverwijld kennis te geven, waarna de
aanwezigheidsvergunning wordt aangepast.
Artikel 3.2.1c Overname
Indien de inrichting waarvoor de aanwezigheidsvergunning is
verleend, wordt overgenomen door een nieuwe ondernemer, vervalt de
aan de vorige ondernemer verleende aanwezigheidsvergunning van
rechtswege.
Artikel 3.2.1d Geldigheidsduur van de
aanwezigheidsvergunning [vervallen]
Artikel 3.2.2 Vergunningplicht
speelautomatenhal
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.
2. De burgemeester is bevoegd maximaal twaalf
speelautomatenhalvergunningen te verlenen voor
speelautomatenhallen, waarvan de ondernemingsnamen limitatief
vermeld staan in de bij deze paragraaf behorende bijlage.
3. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het
tweede lid verlenen voor ten hoogste het maximale aantal
speelautomaten per speelautomatenhal als vermeld in de bij deze
paragraaf behorende bijlage.
Artikel 3.2.3 Aanvraag vergunning
1. De ondernemer vraagt de vergunning aan onder overlegging
van:
a. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is
opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is
aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk
aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld;
b. een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel
en Fabrieken;
c. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over
de ruimte te beschikken;
d. een verklaring omtrent gedrag van de ondernemer en de
beheerder van de speelautomatenhal;
e. bewijsstukken als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van
het Speelautomatenbesluit (kennis gokverslaving).
2. Het college kan nadere regels stellen omtrent de inhoud,
de inrichting, vorm en wijze van indiening van de aanvraag.
3. De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van
de ondernemer.
4. In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld.
Artikel 3.2.4 Beslistermijn [vervallen]
Artikel 3.2.5 Andere beheerder
1. Indien een overeenkomstig artikel 3.2.3, vierde lid, in
de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder
heeft verloren, dient de ondernemer onder overlegging van de in
artikel 3.2.3, eerste lid, onder d, genoemde bescheiden een nieuwe
vergunning aan te vragen binnen veertien dagen nadat de in artikel
3.2.3 bedoelde verklaring omtrent het gedrag aan hem is verzonden.
2. De vergunning vervalt indien de beslissing op een
aanvraag om een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel
exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand in werking
is getreden dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen acht
weken na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 3.2.6 Beëindiging exploitatie
1. Indien een ondernemer komt te overlijden danwel indien
een ondernemer de exploitatie van zijn speelautomatenhal beëindigt,
wordt de vergunning door de burgemeester ingetrokken.
2. De burgemeester doet van de intrekking van de vergunning,
bedoeld in het eerste lid, mededeling aan de raad. Tevens doet het
college in dat geval de raad een voorstel omtrent het al dan niet
aanpassen van artikel 3.2.2 van deze verordening.
3. Op de aanvraag om een nieuwe vergunning wordt door de
burgemeester pas beslist, nadat de raad omtrent het voorstel tot
aanpassing van artikel 3.2.2 heeft besloten.
Artikel 3.2.7 Voorschriften
De door de burgemeester aan de vergunning te verbinden
voorschriften hebben in elk geval betrekking op:
a. de sluitingstijden van de speelautomatenhal;
b. het toezicht in de speelautomatenhal;
c. het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal
aantal spelers bij volledige bezetting van de speelautomaten;
d. de exploitatie van de hal.
Artikel 3.2.8 Weigering vergunning
1. De vergunning wordt geweigerd, indien:
a. het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
speelautomatenhallen is verleend;
b. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf
de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;
c. de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft
(hebben) bereikt;
d. de ondernemer of de beheerder van de speelautomatenhal
niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het
Speelautomatenbesluit;
e. door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het
oordeel van de burgemeester het woon- of leefklimaat in de naaste
omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt nadelig
wordt beïnvloed;
f. de speelautomatenhal is gelegen in de nabijheid van
scholen, jeugd-/buurt-/clubhuizen;
g. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal
strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel met een
stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet
op de stads- en dorpsvernieuwing.
2. De burgemeester kan afwijken van het leeftijdsvereiste,
gesteld in het eerste lid, onder c.
Artikel 3.2.9 Intrekking vergunning
De burgemeester kan de vergunning intrekken:
a. indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de
vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is
ontstaan als bedoeld in artikel 3.2.8, onder e;
b. indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een
periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken;
c. indien aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder
betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die gevaar kunnen
veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen van het
woon- of leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal;
d. indien de ondernemer of beheerder strafbare feiten pleegt
in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn
inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
e. indien de ondernemer of de beheerder zich schuldig maakt
aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;
f. indien zich in de speelautomatenhal anderszins feiten
hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven
van de speelautomatenhal ernstig gevaar kan veroorzaken voor de
openbare orde.
Artikel 3.2.10 Geldigheidsduur vergunning
[vervallen]
Artikel 3.2.11 Gokken op de weg
Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of
geldswaarde spelen.
Artikel 3.2.12 Sluiting overlastgevende
gokpanden
1. Indien de rechthebbende op of de beheerder van een
openbare inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige
andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik
is, waarover hij de beschikking heeft, toestaat of gedoogt, dat
daarin een kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de Wet op
de kansspelen van toepassing is en waarvoor op grond van die wet
geen vergunning is verleend, kan de burgemeester, indien zulks naar
zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming
of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of
leefklimaat is vereist, de sluiting van die inrichting, dat perceel
of perceelsgedeelte of die ruimte bevelen.
2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het
aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang
of toegangen van de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of
de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld
afschrift is aangebracht.
3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede
lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft,
zolang de sluiting van kracht is.
4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van een
inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte
als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te
laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.
5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste
lid gesloten inrichting, perceel of perceelsgedeelte of enige
andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.
6. De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de
burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten
en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel
voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten
of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Bijlage
1. Fair Play Centers Rotterdam B.V.: maximaal 200
speelautomaten, waarvan ten hoogste 176 kansspelautomaten.
2. V.O.F. Amusementcenter Binnenweg, Amusementscenter “Roman
Palace”: maximaal 230 speelautomaten, waarvan ten hoogste 225
kansspelautomaten.
3. Amusementshal "City Hall" B.V.: maximaal 150
speelautomaten, waarvan ten hoogste 85 kansspelautomaten.
4. Amusementcenter Botersloot B.V.: maximaal 185
speelautomaten, waarvan ten hoogste 170 kansspelautomaten.
5. Amusement Mariniersweg: maximaal 180 speelautomaten,
waarvan ten hoogste 165 kansspelautomaten.
6. Waterwegcentrum (deelgemeente Hoek van Holland): nader te
bepalen.
7. JVH amusementcentra B.V.: maximaal 15 speelautomaten,
waarvan ten hoogste 12 kansspelautomaten.
8. Speelautomatenexploitatie Topa B.V.: maximaal 75
speelautomaten, waarvan ten hoogste 75 kansspelautomaten.
9. Toy Toy: maximaal 85 speelautomaten, waarvan ten hoogste
75 kansspelautomaten.
10. Krijco Amusement B.V.: maximaal 300 speelautomaten,
waarvan ten hoogste 220 kansspelautomaten.
11. Highlight Rotterdam B.V.: maximaal 60 speelautomaten,
waarvan ten hoogste 60 kansspelautomaten.
12. Toy Toy: maximaal 112 speelautomaten, waarvan ten
hoogste 98 kansspelautomaten.
§ 3.3 DRUGS
Artikel 3.3.1 Sluiting overlastgevende drugspanden
[vervallen]
Artikel 3.3.2 Verkoop van drugs op of aan de
weg
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede
zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee
heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen
als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop
gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te
bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te
bemiddelen.
Artikel 3.3.3 Verzamelingen van personen in verband
met drugs
1. Het is verboden op of aan de weg aan een verzameling van
meer dan vier personen deel te nemen indien deze verzameling van
personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in
middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of
daarop gelijkende waar.
2. Een ieder die zich bevindt in een verzameling van
personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe
strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen
of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.
Artikel 3.3.4 Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek
toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw
middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of
daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel
voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat
gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel 3.3.5 Weggooien van spuiten e.d.
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen
op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten
met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.
§ 3.4 VERBLIJFSONTZEGGINGEN [vervallen]
HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET
NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE
GEMEENTE
§ 4.1 GELUID- EN LICHTHINDER
Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen
[vervallen]
Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve
festiviteiten
1. De artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer gelden niet voor ten hoogste zeven door
het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
festiviteiten gedurende de door hem aan te wijzen dagen of
dagdelen.
2. Artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit algemene
regels voor inrichtingen milieubeheer geldt niet voor ten hoogste
zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3. In een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid, kan
het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer
delen van de gemeente.
4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor
het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onverwijld als
collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele
festiviteiten
1. De exploitant van een openbare inrichting kan maximaal
tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden waarbij de
artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de
exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de
aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22 uur, het college kennis heeft
gegeven van de festiviteit.
2. De exploitant van een openbare inrichting kan maximaal
tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden waarbij
artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer niet van toepassing is, mits de
exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de
aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22 uur, het college kennis heeft
gegeven van de festiviteit.
3. De kennisgeving wordt gedaan volgens de procedure die op
het daartoe door het college vastgestelde formulier is
voorgeschreven.
4. De kennisgeving kan alleen worden gedaan in combinatie
met een kennisgeving als bedoeld in artikel 2.3.9, zesde lid.
Artikel 4.1.3a Geluidsplafond
Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking
van geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten.
Artikel 4.1.4 Verboden incidentele
festiviteiten
De burgemeester kan een verbod opleggen een incidentele festiviteit
te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel
te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de
omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op
ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Artikel 4.1.5 Geluidhinder algemeen
1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking
te hebben of handelingen, al dan niet met een voer- of vaartuig, te
verrichten of te laten verrichten, waardoor voor een omwonende of
overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt of kan
worden veroorzaakt.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de
Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het
Vuurwerkbesluit.
Artikel 4.1.5a (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.
[vervallen]
Artikel 4.1.5b (Geluid)hinder door onversterkte
muziek vanuit inrichtingen
In afwijking van artikel 2.18, eerste lid, onder f, van het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt onversterkte
muziek tussen 23 uur en 7 uur niet buiten beschouwing gelaten bij
het bepalen van het geluidsniveau van een openbare inrichting.
Artikel 4.1.6 Aanwijzen concentratiegebied voor
horeca-inrichtingen
Het college kan delen van de gemeente aanwijzen als
concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel
6.16 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer.
§ 4.2 AFVALSTOFFEN [vervallen]
§ 4.3 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING
Artikel 4.3.1 Verontreiniging van de weg en van
terreinen [vervallen]
Artikel 4.3.2 Verontreiniging bij werkzaamheden op de
weg [vervallen]
Artikel 4.3.3 Afvalbakken in inrichtingen voor het
verbruik van eet- en drinkwaren [vervallen]
Artikel 4.3.4 Wegwerpen van reclame- of
strooibiljetten [vervallen]
Artikel 4.3.5 Straatvegen
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren of enig ander
voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide
tijdsperiode.
Artikel 4.3.6 Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg of in
openbaar water zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een
daarvoor bestemde inrichting of plaats.
Artikel 4.3.7 Afval in en nabij op de weg geplaatste
containers [vervallen]
Artikel 4.3.8 Toestand van sloten en andere wateren
en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
De beheerder van een sloot, ander water, niet-openbaar riool of put
buiten een gebouw zorgt dat deze zich niet bevinden in een toestand
die gevaar kan veroorzaken voor de veiligheid, nadeel voor de
gezondheid of hinder voor de gebruikers van dat gebouw of voor
anderen.
§ 4.4 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN/ NATUURBESCHERMING
Artikel 4.4.1 Begripsomschrijvingen
1. In afwijking van artikel 1.1 wordt in deze paragraaf en
de daarop berustende bepalingen onder bebouwde kom verstaan het
grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de gebieden met
CBS-aanduiding 06-Botlek, 07-Europoort en 08-Maasvlakte.
2. Deze bebouwde kom wordt tevens aangewezen als bebouwde
kom voor de toepassing van de Boswet.
Artikel 4.4.2 Kapverbod
1. Het is verboden zonder kapvergunning van het college
houtopstand te vellen of te doen vellen.
2. Van een kapvergunning mag pas gebruik worden gemaakt:
a. nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
verstreken zonder dat een verzoek om een voorlopige voorziening als
bedoeld in artikel 8:81 van die wet is ingediend, of
b. nadat binnen de onder a bedoelde termijn op een verzoek
om een voorlopige voorziening is beslist.
3. Het college kan, indien er sprake is van een spoedeisend
belang, op verzoek van de aanvrager of ambtshalve, in de vergunning
bepalen dat zij in afwijking van het bepaalde in het tweede lid in
werking treedt op een eerder daarbij aan te geven tijdstip.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
a. bomen die behoren tot het populieren- of
wilgengeslacht,als wegbeplantingen en éénrijige wegbeplantingen op
of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;
b. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
c. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf
jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in
het bijzonder bestemde terreinen;
d. kweekgoed;
e. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten
de bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid
vormt die:
1° geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, of
2° bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
gerekend over het totale aantal rijen.
5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor:
a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de
Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het
college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.4.9 en
4.4.12;
b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
reguliere onderhoud;
c. het dunnen van een bosplantsoen.
6. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor
knotten, indien:
a. eerder een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor
het knotten of kandelaberen is verleend,
b. het een periodieke handeling betreft die voortvloeit uit
of samenhangt met de eerder verleende vergunning, en
c. de handeling wordt uitgevoerd met het doel de boom in een
bestaande, specifieke cultuurvorm te handhaven.
Artikel 4.4.3 Aanvraag kapvergunning
1. De vergunning wordt aangevraagd door degene, die
krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke
bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
2. Wanneer het agentschap Landelijke Service bij Regelingen
van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit
(het bureau LASER) aan het college een afschrift heeft toegezonden
van de ontvangstbevestiging bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
beschouwt het college dit afschrift mede als een
vergunningaanvraag.
Artikel 4.4.3a Beslistermijn [vervallen]
Artikel 4.4.4 Weigering/verlening vergunning
1. Het college verleent de vergunning, indien deze
wordt gevraagd teneinde te voldoen:
a. aan de verplichting ingevolge het bepaalde in Boek 5,
artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek;
b. aan de wettelijke zorgplicht van de aanvrager;
c. aan de op grond van de artikelen 37 en 38 van het Verdrag
inzake de internationale burgerluchtvaart door de Internationale
Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) vastgestelde en voor Nederland
geldende eisen.
2. Het college betrekt bij zijn besluit de toepasselijke
gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.
3. Het college kan bij zijn besluit tevens de overeenkomstig
artikel 4.4.11 vastgestelde waarde van de betrokken boom of bomen
betrekken.
4. Het college kan de vergunning weigeren dan wel onder
voorwaarden verlenen in het belang van:
a. natuur- en milieuwaarden;
b. landschappelijke waarden;
c. cultuurhistorische waarden;
d. waarden van stads- en dorpsschoon;
e. waarden voor recreatie en leefbaarheid.
5. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden
ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. De
voorschriften kunnen inhouden dat binnen een daarbij aangegeven
termijn en overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen
vervangende beplanting moet worden aangebracht. Daarbij kan tevens
worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke
wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
6. Indien in een gemeentelijke bestemmings-, bomen-, groen-
of landschapsplan is aangegeven dat de te vellen houtopstand als
waardevol moet worden beschouwd, wordt aan de vergunning een
voorschrift verbonden als bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin.
Artikel 4.4.5 Afstand van de erfgrenslijn
De afstand bedoeld in boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk
Wetboek wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel,
vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en
heesters.
Artikel 4.4.6 Openbaarmaking
Het college draagt zo spoedig mogelijk zorg voor publicatie van
vergunningaanvragen en van door hem verleende vergunningen bedoeld
in artikel 4.4.2, eerste lid, in een lokaal dag-, nieuws- of
huis-aan-huisblad.
Artikel 4.4.7 Intrekken vergunning
Het college kan de kapvergunning intrekken indien blijkt dat
daarvan binnen één jaar na afgifte geen gebruik is gemaakt.
Artikel 4.4.8 Bijzondere vergunningsvoorwaarden
[vervallen]
Artikel 4.4.9
Herplant-/instandhoudingsplicht
1. Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4.2.2 gestelde
kapverbod geldt zonder kapvergunning is geveld, of op andere wijze
is tenietgegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de
grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
verplichting opleggen vervangende houtopstand op eigen terrein aan
te brengen overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen
en binnen een door het college te stellen termijn.
2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid
opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke
termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde
beplanting moet worden vervangen.
3. Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4.2.2 gestelde
kapverbod geldt in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het
college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot
het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
om overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen
een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen,
waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
4. Ook de rechtsopvolger van degene aan wie een verplichting
als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd is
verplicht daaraan te voldoen.
5. Een verplichting krachtens dit artikel kan voorschriften
inhouden met betrekking tot bomen met een geringere stamomvang dan
in artikel 1.1 is aangegeven.
Artikel 4.4.10 Schadevergoeding
Voor zover een zakelijk gerechtigde of degene die krachtens
publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is om over de houtopstand
te beschikken, door de toepassing van artikel 4.4.2 of artikel
4.4.9 schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet
geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding
niet anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek
een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
Artikel 4.4.11 Waarde- en schadebepaling aan
bomen
1. De bepaling van de waarde van bomen en de schade aan
bomen vindt plaats volgens de meest recente richtlijnen van de
Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen.
2. Het college kan regels stellen waarbij van deze
richtlijnen wordt afgeweken.
Artikel 4.4.12 Bestrijding iepziekte
1. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die
naar het oordeel van het college gevaar kunnen veroorzaken voor
verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de
iepenspintkevers, is de zakelijk gerechtigde van de grond waarop
zich de houtopstand bevindt, indien hij daartoe door het college is
aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te
stellen termijn:
a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
b. de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;
c. de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of
zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
voorkomen.
2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden
of in voorraad te hebben of te vervoeren, met uitzondering van
geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner
dan 4 centimeter.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede
lid gestelde verbod.
Artikel 4.4.13 Bescherming
groenvoorzieningen
1. Het is, behoudens op door het college aan te wijzen
plaatsen, verboden in een voor publiek toegankelijk gemeentelijk
bos, park, plantsoen, groenstrook of duin:
a. zich buiten de paden te bevinden, met uitzondering van de
grasperken;
b. zich met een rij- of trekdier buiten een ruiterpad te
bevinden.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
Artikel 4.4.14 Voorwerpen aan/in houtopstand
Het is verboden zonder vergunning van het college aan of in
houtopstand voorwerpen aan te brengen.
§ 4.5 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST
Artikel 4.5.1 Opslag voertuigen, vaartuigen,
caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.
1. Het is verboden op een door het college in het belang van
het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
van overlast dan wel voorkoming van schade aan de volksgezondheid
aangewezen plaats die is gelegen buiten een inrichting als
aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet
milieubeheer in de openlucht en buiten de weg, een of meer van de
volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te
slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met
inachtneming van de door het college gestelde regels:
a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c. kampeermiddelen, vaartuigen, of andere dergelijke,
gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebruikte voorwerpen, indien
het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van
vuil, verzamelingen ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in
het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de
Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Verordening Bescherming
Landschap en Natuur Zuid-Holland of de
Grondwaterbeschermingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 4.5.2 Handelsreclame op onroerende
zaken
1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak
handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift,
aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg
zichtbaar is, indien:
a. de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht;
b. de constructieve - of brandveiligheid in gevaar wordt
gebracht;
c. hinder, overlast of gevaar voor de omgeving wordt
veroorzaakt;
d. de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband
met de omgeving in strijd is met redelijke eisen van welstand;
e. overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen
onroerende zaak ontstaat; of
f. de handelsreclame in strijd is met de openbare orde of de
goede zeden.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
onverlichte:
a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het
inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk
gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;
b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken,
daartoe aangewezen door de overheid;
c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en
waarvan de langste zijde korter dan 1 meter is, die betrekking
hebben op een openbare verkoping of een aanbieding ten verkoop,
verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang
zij feitelijke betekenis hebben en voor zover zij geplaatst zijn
op, aan of bij de onroerende zaak; of
d. opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op het
beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak
wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op
naamborden, met dien verstande dat indien de onroerende zaak die
gelegen is in:
1? een door de raad aangewezen reclame-arme zone: de
opschriften, aankondigingen of naamborden gez amenlijk geen grotere
oppervlakte hebben dan 0,50 m² en geen van alle een grotere
afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en zijn aangebracht
op of aan de onroerende zaak;
2? een door de raad aangewezen reclamezone: de opschriften,
aankondigingen of naamborden tezamen niet groter dan 1,0 m² zijn en
geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 2,00
meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;
e. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van
in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij
het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits
deze opschriften zijn aangebracht op borden op de bouwplaats,
kleiner dan 6,0 m² en waarvan de langste zijde korter is dan 3,0 m,
bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor
zolang zij feitelijke betekenis hebben;
f. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht
ten dienste van dat vervoer.
3. Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels geven
omtrent:
a. de veiligheid van het verkeer, bedoeld in het eerste lid;
b. de constructieve - en brandveiligheid, bedoeld in het
eerste lid;
c. hinder, overlast of gevaar voor de omgeving als bedoeld
in het eerste lid;
d. redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste
lid; of
e. overlast voor gebruikers als bedoeld in het eerste lid.
4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van
het in het eerste lid gestelde verbod.
5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregeld onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de
Provinciale landschapsverordening.
6. Het eerste lid, onder c en e, is niet van toepassing voor
zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of
krachtens de Wet milieubeheer.
7. De in het eerste lid, onder b en d, gestelde verboden
gelden niet voor bouwwerken.
Artikel 4.5.3 Fietswrakken
Het is verboden op of aan de weg een bromfiets of fiets te plaatsen
of te hebben, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud
en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
§ 4.6 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN
Artikel 4.6.1 Recreatief nachtverblijf buiten
kampeerterreinen
1. Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf een
kampeermiddel te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of
mede bestemd.
2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van een
kampeermiddel voor eigen gebruik door de rechthebbende op een
terrein.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de
ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a. de bescherming van natuur en landschap;
b. de bescherming van een stadsgezicht.
HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE
HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
§ 5.1 PARKEEREXCESSEN
Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen
In afwijking van artikel 1.1 wordt in deze paragraaf verstaan
onder:
- voertuig: motorvoertuig;
- weg: weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet
1994.
Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
e.d.
1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel
een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden binnen een door het
college aangewezen gebied of periode:
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een
straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, of
b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
verstaan:
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
personen tegen betaling.
3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
gerekend:
a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
worden verricht die in totaal niet langer dan een half uur duren,
gedurende die werkzaamheden;
b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in
het eerste lid genoemde persoon.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
Artikel 5.1.3 Te koop aanbieden van
voertuigen
1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het
te koop aan te bieden of te verhandelen.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid bedoelde verbod.
Artikel 5.1.4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig:
a. waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen
gebreken niet kan of mag worden gereden, of
b. dat niet is voorzien van een voor het rijden met een
zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,
langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5.1.5 Voertuigwrakken
1. Het is verboden een voertuig of chassis dat rijtechnisch
in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te plaatsen of te
hebben.
2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
milieubeheer.
Artikel 5.1.6 Caravans, aanhangwagens e.d.
1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper,
caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden
wordt gebruikt, te parkeren:
a. op door het college met het oog op de bescherming van het
uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen wegen of weggedeelten,
of;
b. langer dan drie achtereenvolgende dagen op door het
college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte
aangewezen wegen of weggedeelten.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid, onder b, gestelde verbod.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de
Wegenverordening Zuid-Holland of de Verordening bescherming
landschap en natuur Zuid-Holland.
Artikel 5.1.7 Parkeren van reclamevoertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
Artikel 5.1.8 Parkeren van grote voertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van
meer dan 2,4 meter, te parkeren:
a. op een door het college met het oog op de bescherming van
het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaats;
b. op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks
gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht
van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze
wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
aangedaan.
2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op door
het college met het oog op de verdeling van beschikbare
parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.
3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden
niet voor een voertuig waarvoor een vergunning geldt krachtens
artikel 5.2.12.
4. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt
niet gedurende het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
5. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op
werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8 uur tot
18 uur.
6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste
lid, onder a, en tweede lid gestelde verboden.
Artikel 5.1.9 Parkeren van uitzicht belemmerende
voertuigen [vervallen]
Artikel 5.1.10 Overlastgevend parkeren van
voertuigen
1. Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar
bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen
daarvan geluidshinder of stankoverlast ondervinden.
2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
milieubeheer.
Artikel 5.1.11 Overlastgevend stallen van
(brom)fietsen
Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar het in het
belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
volksgezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen:
a. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen
te laten staan, of
b. langer dan vier weken onbeheerd te laten staan.
Artikel 5.1.12 Hinderlijk (brom)fietsparkeren
Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen te
parkeren:
a. op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor
een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht
wordt belemmerd,
b. op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de
doorgang wordt gehinderd of belemmerd,
c. op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van
visueel gehandicapten,
d. op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram,
bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt,
e. op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair
gehinderd of belemmerd wordt, of
f. tegen monumenten of gedenktekens.
Artikel 5.1.13 Aantasting groenvoorzieningen door
voertuigen
1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te
rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of
plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
groenstrook.
2. Het verbod geldt niet:
a. op de wegen;
b. voor voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;
c. voor voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn
bestemd.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
§ 2 COLLECTEREN, VENTEN EN STANDPLAATSEN
Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goed
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
intekenlijst aan te bieden.
2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe tevens
geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het
aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien
daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de
opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
bestemd.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
4. Het college kan onder door hem te stellen voorschriften
vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod
voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen
instellingen.
Artikel 5.2.2 Venten
1. Het is verboden in de uitoefening van de ambulante handel
op of aan de weg, op of aan een openbaar water, of aan een huis
goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven, dan wel
diensten aan te bieden:
a. indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
volksgezondheid, de verkeersvrijheid of verkeersveiligheid in
gevaar komt;
b. tussen 21 en 9 uur.
2. Het verbod geldt niet voor:
a. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte
of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden
geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;
b. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
Winkeltijdenwet;
c. het te koop aanbieden, afleveren of verkopen van goederen
op een door het college ingestelde markt, op een evenement waarvoor
een vergunning geldt krachtens artikel 2.2.2, of op een standplaats
waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5.2.4.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het
verboden te venten op nader door het college aan te wijzen wegen,
dagen of uren.
4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
Wegenverkeerswet.
Artikel 5.2.3 Begripsomschrijving
[vervallen]
Artikel 5.2.4 Standplaatsen
1. Het is verboden zonder standplaatsvergunning van het
college in de uitoefening van de ambulante handel een standplaats
in te nemen met een mobiele verkoopinrichting, een kraam, een tafel
of enig ander middel op of aan de weg of een openbaar water voor
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het
anderszins aanbieden van goederen of diensten.
2. Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke
personen.
3. Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één
vergunning verleend.
4. Het verbod geldt niet voor handelingen als bedoeld in het
eerste lid:
a. op een door het college ingestelde markt ;
b. op een evenement waarvoor een vergunning geldt krachtens
artikel 2.2.2.
5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zuid-Holland, de
Wet milieubeheer of de Woningwet.
Artikel 5.2.5 Weigerings- en
intrekkingsgronden
Het college kan een vergunning weigeren of intrekken:
a. in het belang van de openbare orde;
b. in het belang van de brandveiligheid;
c. in het belang van de verkeersvrijheid of
verkeersveiligheid;
d. wegens strijd met een geldend bestemmingsplan;
e. in het belang van de bescherming van het uiterlijk
aanzien van de gemeente;
f. gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse;
g. gelet op de grootte of het uiterlijk van de
verkoopinrichting;
h. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
gemeente of een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten
is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk
verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
Artikel 5.2.6 Standplaatsencommissie
[vervallen]
Artikel 5.2.6a Beslistermijn [vervallen]
Artikel 5.2.7 Standplaatsvrije gebieden
1. Het college kan standplaatsvrije gebieden aanwijzen waar
geen standplaatsvergunning wordt verleend.
2. Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van
een standplaats op een oppervlakte van niet meer dan 2 m² in een
krachtens het eerste lid aangewezen gebied met een mobiele
verkoopinrichting met een inhoud van niet meer dan 2 m² voor de
verkoop van goederen.
3. Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van
een standplaats in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied
voor de verkoop van:
a. oliebollen van 1 november tot en met 31 januari,
b. kerstbomen van 6 december tot en met 24 december,
c. haring vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober,
d. ijs van 1 april tot en met 30 september, of
e. sinaasappelsap van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 5.2.7a Overgangsrecht standplaatsvrije
gebieden
1. Indien krachtens artikel 5.2.7, eerste lid, een
standplaatsvrij gebied wordt aangewezen, blijven de rechten van de
houder van een eerder verleende standplaatsvergunning gedurende
twee jaar na die aanwijzing onverlet, tenzij de vergunning op de
gronden genoemd in artikel 5.2.5 eerder wordt geweigerd of is
ingetrokken.
2. In een krachtens artikel 5.2.7, eerste lid, aangewezen
standplaatsvrij gebied kunnen door het college locaties worden
aangewezen waarbinnen voor de verkoop van goederen, aan de houder
voor wie ten tijde van het nemen van een aanwijzingsbesluit een
standplaatsvergunning gold, ontheffing kan worden verleend voor het
innemen van een standplaats met een mobiele verkoopinrichting van
niet meer dan 4 m², met dien verstande dat de inhoud niet meer dan
10 m³ mag bedragen.
Artikel 5.2.8 Inneming en ontruiming
standplaats
1. De vergunninghouder kan de standplaats uiterlijk een uur
voor aanvang van de verkooptijd innemen en is verplicht de
standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de
verkoop is beëindigd.
2. Het college kan voor standplaatsen voor de verkoop van
oliebollen of kerstbomen ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden.
Artikel 5.2.9 Geldigheidsduur vergunning
[vervallen]
Artikel 5.2.10 Bijzondere intrekkingsgrond
[vervallen]
Artikel 5.2.11 Overgangsbepalingen
[vervallen]
Artikel 5.2.12 Standplaatsen grote
voertuigen
1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een
voertuig dat een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
van meer dan 2,4 meter, standplaats op of aan de weg of op een
andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats standplaats in te
nemen, teneinde in of vanuit dat voertuig aan het publiek diensten
te verlenen of te verstrekken, of van het publiek goederen in
ontvangst te nemen.
2. De artikelen 5.2.5 en 5.2.7 zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Een vergunning krachtens het eerste lid kan betrekking
hebben op het innemen van standplaats op verschillende plaatsen en
op verschillende tijdstippen gedurende een bepaalde periode.
Artikel 5.2.13 Snuffelmarkten en braderieën
[vervallen]
§ 5.3 OPENBAAR WATER
Artikel 5.3.1 Gebruik van openbaar water
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water
te plaatsen, aan te brengen of te hebben.
2. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen
waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet met
betrekking tot voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
geopenbaard.
4. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen
waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te plaatsen, aan
te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
constructie of plaats van bevestiging gevaar kunnen veroorzaken
voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig
en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen
voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het
Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de
Vaarwegenverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet, de
Telecommunicatieverordening Rotterdam of de Havenverordening
Rotterdam 2004.
Artikel 5.3.1a Ligplaats vaartuigen
1. Het is verboden in door het college aan te wijzen
gebieden of perioden:
a. met een vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen
ligplaats te hebben of te houden op dezelfde plaats of binnen een
nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten,
daarvan,
b. met een vaartuig binnen drie dagen nadat het is
verplaatst, opnieuw ligplaats in te nemen op dezelfde plaats of
binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed
gemeten, daarvan,
c. met een vaartuig langer dan twee achtereenvolgende uren
aan een winkelsteiger ligplaats te hebben of te houden tussen 9 uur
en 20 uur,
d. een vaartuig langer dan zes achtereenvolgende uren
onbemand te laten,
e. een vaartuig te verbouwen of onderhoud aan de buitenzijde
van een vaartuig te verrichten, anders dan geringe herstel- of
onderhoudswerkzaamheden, die redelijkerwijs niet langer dan een
half uur duren,
f. in vaartuigen te overnachten, of
g. met een vaartuig ligplaats in te nemen.
2. De verboden gelden niet voor vaartuigen die liggen:
a. in een haven;
b. op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het
daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen
betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien
meter.
Artikel 5.3.1b Vaarverbod
1. Het college kan openbaar water aanwijzen waar het
verboden is zich met een vaartuig te bevinden.
2. Het college kan vrijstelling of ontheffing verlenen van
het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 5.3.2 Beschadigen van waterstaatswerken en
oevers
1. Het is verboden schade toe te brengen aan of
veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in
beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen,
waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of
sluizen.
2. Dit artikel is niet van toepassing
voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of
krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of de
Vaarwegenverordening Zuid-Holland.
Artikel 5.3.3 Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5.3.4 Zwemmen en baden elders dan in
zee
Het is, elders dan in zee, verboden in openbaar water te zwemmen of
te baden, behalve op de plaatsen en onder de voorwaarden door het
college aangegeven.
Artikel 5.3.5 Gevaar of hinder door baden of
zwemmen
1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in
openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het
scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken, of de Vaarwegenverordening
Zuid-Holland.
Artikel 5.3.6 Overlast aan vaartuigen
1. Het is niet-rechthebbenden verboden zonder redelijk doel
zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te
klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Artikel 5.3.7 Verzamelen van visvoer
Het is verboden zonder vergunning van het college vanuit een
vaartuig in openbaar water wormen of insecten, wormachtige larven
of insectenlarven dan wel ander natuurlijk visvoer te verzamelen.
§ 5.4 VERBOD AFVALSTOFFEN TE VERBRANDEN BUITEN
INRICHTINGEN OF ANDERSZINS VUUR TE STOKEN
Artikel 5.4.1 Verbod afvalstoffen te verbranden
buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1. Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te
verbranden buiten inrichtingen als aangewezen krachtens artikel
1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te
leggen, te stoken of te hebben.
2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
dergelijke,
b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven,
c. vuur voor koken, bakken en braden,
voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving kan
veroorzaken.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
4. Het college kan bepalen dat het in het eerste lid
gestelde verbod tevens geldt voor de in het tweede lid, onder c,
bedoelde handelingen gedurende bij zijn besluit aangegeven perioden
of tijden, of in daarbij aangewezen gebieden .
5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder
1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of bij of krachtens
Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.
§ 5.5 VERSTROOIING VAN AS
Artikel 5.5.1 Begripsomschrijving [vervallen]
Artikel 5.5.2 Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing
1. Het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de
lijkbezorging op een door de overledene of diens nabestaanden
gewenste plaats buiten een permanent daartoe bestemd terrein is
verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor
derden, alsmede:
a. op gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;
b. op verharde delen van de weg;
c. op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en
spelterreinen;
d. op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en
remmingwerken;
e . van 1 mei tot en met 30 september tussen 9 en 21 uur:
- in openbaar water dat niet door de beroepsvaart wordt
gebruikt;
- in zee op een afstand van minder dan 300 meter van de
laagwaterlijn;
- op het strand.
2. Het college kan regels stellen, inhoudende een verbod as
te verstrooien gedurende een daarbij aangegeven termijn op daarbij
aangegeven andere plaatsen dan bedoeld in het eerste lid.
3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die
zorgdraagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden
ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b tot en met e,
gestelde verboden.
Artikel 5.5.3 Hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing [vervallen]
§ 5.6 NAAKTRECREATIE
Artikel 5.6.1 Aanwijzen gebieden
naaktrecreatie
Als geschikt voor naaktrecreatie worden aangewezen:
a. een strandgedeelte op de Maasvlakte, betreffende een
strook Noordzeestrand van ca. 2500 meter aan het einde van de
Noordzeeboulevard, gesitueerd op de Slufter, welke loopt vanaf de
laatste strandtrap tot aan het strandgedeelte ter hoogte van de
hoek Dardanellenstraat/Madoerastraat;
b. een strandgedeelte te Hoek van Holland, gelegen tussen
het verlengde van het slag Stuifkenszand en de gemeentegrens met
's-Gravenzande, gerekend 30 meter ten noorden vanaf het
verlengde van het Stuifkenszand, 50 meter ten zuiden vanaf de
gemeentegrens met 's-Gravenzande, terwijl de oostgrens van het
desbetreffende strandgedeelte wordt aangegeven door een lijn die
ligt op het pad op circa 43 meter afstand van de voet van het
onmiddellijk ten oosten van het Noordzeestrand gelegen duingebied
en die evenwijdig loopt aan de voet van dat duingebied;
c. een met borden aangegeven gedeelte van het Strandbad aan
de Kralingse Plas met een breedte van circa 100 meter en een diepte
van circa 80 meter, gelegen aan de uiterste noordoostzijde van het
Strandbad;
d. een met borden aangeduid terrein aan de noord(oost)oever
van de Zevenhuizerplas, voor de periode dat deze locatie deel uit
maakt van het grondgebied van de gemeente Rotterdam.
§ 5.7 STRAND EN ZEE
Artikel 5.7.1 Orde op strandterreinen [vervallen]
Artikel 5.7.2 Motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen
1. Het is verboden zich met motorvoertuigen, bromfietsen of
fietsen op voor het publiek toegankelijke delen van het strand of
van de duinen te bevinden. Het verbod geldt voor wat betreft
bromfietsen en fietsen niet voor de als zodanig aangegeven
fietspaden.
2. Het verbod geldt niet voor fietsen gedurende door het
college aangegeven perioden of tijden.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid gestelde verbod.
Artikel 5.7.3 Rij- en trekdieren op het strand
1. Het is verboden is zich met rij- of trekdieren op het
strand te bevinden gedurende de door het college daartoe aangegeven
perioden of tijden.
2. In bijzondere gevallen kan het college ontheffing
verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 5.7.4 Vaartuigen op en bij het strand en in de zee
1. Het is verboden:
a. een vaartuig op het strand van Hoek van Holland of van
het Noordzeestrand van de Maasvlakte te brengen of te hebben;
b. zich met een vaartuig in de zee voor Hoek van Holland of
voor het Noordzeestrand van de Maasvlakte te bevinden op een
afstand van minder dan 150 meter van de laagwaterlijn.
2. Het is verboden, met uitzondering van de door het college
aangewezen perioden, tijden of gebieden, zich met een jetski,
waterscooter of kite-surfuitrusting te bevinden op het strand van
of in de zee voor Hoek van Holland en de Maasvlakte.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het
door het college aangewezen en met borden aangeduide voor het
publiek toegankelijke strand- en zeegedeelte gelegen ter hoogte van
de Rechtestraat.
4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet
gedurende de door het college aangegeven perioden of tijden of voor
de door het college aangewezen gebieden.
Artikel 5.7.5 Zwemmen en baden in zee
Het is verboden in zee te zwemmen of te baden aan het gedeelte van
het strand, strekkende over een afstand van 100 meter in
noordelijke richting vanaf het Noorderhoofd van de Nieuwe Waterweg.
Artikel 5.7.5a Verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam
Het is verboden zich te bevinden op de blokken van de blokkendam,
welke gelegen is:
a. tussen Slag Maasmond en Slag Dobbelsteen;
b. in het verlengde van de Noorderpier.
Artikel 5.7.6 Gevaarlijke speelwerktuigen
Het is verboden op het strand, in zee of in de duinen
speelwerktuigen zodanig te gebruiken, dat dit gevaar of hinder voor
anderen oplevert of kan veroorzaken.
Artikel 5.7.7 Vrijstellingen
De in deze paragraaf gestelde verboden gelden niet met betrekking
tot voertuigen, fietsen, dieren en vaartuigen, ten dienste van
politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere
krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels
en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen hulpverleningsdiensten, de Koninklijke Nederlandse
Reddingsmaatschappij en de Rotterdamse Vrijwillige Reddingsbrigade.
§ 5.8 DESTRUCTIE [vervallen]
HOOFDSTUK 6 HANDHAVING
Artikel 6.1 Strafbepaling
1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de
hieronder vermelde artikelen wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
uitspraak:
artikel 1.4 (voorschriften en beperkingen);
artikel 1.6b (actualiseringsplicht gegevens);
artikel 2.1.1 (samenscholing en ongeregeldheden);
artikel 2.1.6a (beperking aanbieden e.d. van geschreven of
gedrukte stukken of afbeeldingen);
artikel 2.1.8 (straatartiest);
artikel 2.1.9 (plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in
strijd met de publieke functie van de weg);
artikel 2.1.11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een
weg);
artikel 2.1.12 (maken en veranderen van een uitweg);
artikel 2.1.13 (winkelwagentjes);
artikel 2.1.14 (hinderlijke beplanting of voorwerp);
artikel 2.1.15 (openen straatkolken e.d.);
artikel 2.1.16 (rookverbod in bossen en
natuurgebieden);
artikel 2.1.17 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp);
artikel 2.1.18 (vallende voorwerpen);
artikel 2.1.19 (voorzieningen voor verkeer en
verlichting);
artikel 2.1.21 (veiligheid op het ijs);
artikel 2.1.23 (slaapverblijf op de weg, in voertuigen en in
kampeermiddelen);
artikel 2.2.2 (evenementenvergunning);
artikel 2.2.3 (grootschalig evenement);
artikel 2.2.5 (openbare orde en veiligheid grootschalig
evenement);
artikel 2.3.2 (vergunningplicht);
artikel 2.3.2a (aanwezigheid van en toezicht door exploitant
en beheerder);
artikel 2.3.6 (weigerings-, intrekkings- en
wijzigingsgronden);
artikel 2.3.7 (sluiting van inrichtingen);
artikel 2.3.8 (terrassen);
artikel 2.3.9 (openings- en sluitingstijden);
artikel 2.3.10 (raamkaart);
artikel 2.3.11 (beëindiging exploitatie);
artikel 2.3.12 (wijziging beheer);
artikel 2.3a.2 (nadere regels);
artikel 2.3a.3 (vergunningplicht seksinrichting of
escortbedrijf);
artikel 2.3a.5 (aanwezigheid van en toezicht door exploitant
en beheerder);
artikel 2.3a.6 (sluitingstijden);
artikel 2.3a.11 (sluiting van de seksinrichting);
artikel 2.3a.12 (beëindiging exploitatie);
artikel 2.3a.13 (wijziging beheer);
artikel 2.3b.1 (sluiting overlastgevende voor het publiek
openstaande gebouwen);
artikel 2.4.1 (betreden gesloten woning of voor publiek
toegankelijk lokaal);
artikel 2.4.2 (plakken en kladden);
artikel 2.4.3 (vervoer plakgereedschap e.d.);
artikel 2.4.4 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);
artikel 2.4.5 (openlijk drankgebruik);
artikel 2.4.6 (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in
voor publiek toegankelijke ruimten);
artikel 2.4.8 (messen en andere voorwerpen als
wapen);
artikel 2.4.9 (overlast van fiets of bromfiets op markt- en
kermisterreinen e.d.);
artikel 2.4.10 (overlast door honden);
artikel 2.4.10a (opruimplicht hondenuitwerpselen);
artikel 2.4.10b (gevaarlijke honden);
artikel 2.4.11 (houden van hinderlijke of schadelijke
dieren);
artikel 2.4.12 (bedelarij);
artikel 2.4.13 (vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen
voor winkeldiefstal);
artikel 2.5.5 (handel in horeca-inrichtingen);
artikel 2.7.3 (afsteken van consumentenvuurwerk ter
gelegenheid van Oud en Nieuw);
artikel 2.10.1 (gebiedsontzeggingen);
artikel 2.12.2 (omgevingsverbod)
artikel 3.1.1 (prostitutie);
artikel 3.2.1a (maximaal aantal automaten in hoog- en
laagdrempelige inrichtingen);
artikel 3.2.1b (aanwezigheidsvergunning en tenaamstelling);
artikel 3.2.2 (vergunningplicht speelautomatenhal);
artikel 3.2.3 (aanvraag vergunning);
artikel 3.2.5 (andere beheerder);
artikel 3.2.9 (intrekking vergunning);
artikel 3.2.11 (gokken op de weg);
artikel 3.2.12 (sluiting overlastgevende gokpanden);
artikel 3.3.2 (verkoop van drugs op of aan de weg);
artikel 3.3.3 (verzamelingen van personen in verband met
drugs);
artikel 3.3.4 (openlijk drugsgebruik);
artikel 3.3.5 (weggooien van spuiten e.d.);
artikel 4.1.3a (geluidsplafond)
artikel 4.1.4 (verboden incidentele festiviteiten);
artikel 4.1.5 (geluidhinder algemeen);
artikel 4.3.5 (straatvegen);
artikel 4.3.6 (natuurlijke behoefte doen);
artikel 4.3.8 (toestand van sloten en andere wateren en niet
openbare riolen en putten buiten gebouwen);
artikel 4.4.2 (kapverbod);
artikel 4.4.9 (herplant-/instandhoudingsplicht);
artikel 4.4.12 (bestrijding iepziekte);
artikel 4.4.13 (bescherming groenvoorzieningen);
artikel 4.4.14 (voorwerpen aan/in houtopstand);
artikel 4.5.1 (opslag voertuigen, vaartuigen, caravans,
mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.);
artikel 4.5.2 (handelsreclame op onroerende zaken);
artikel 4.5.3 (fietswrakken);
artikel 4.6.1 (recreatief nachtverblijf buiten
kampeerterreinen);
artikel 5.1.2 (parkeren van voertuigen van autobedrijf
e.d.);
artikel 5.1.3 (te koop aanbieden van voertuigen);
artikel 5.1.4 (defecte voertuigen);
artikel 5.1.5 (voertuigwrakken);
artikel 5.1.6 (caravans, aanhangwagens e.d.);
artikel 5.1.7 (parkeren van reclamevoertuigen);
artikel 5.1.8 (parkeren van grote voertuigen);
artikel 5.1.10 (overlastgevend parkeren van
voertuigen);
artikel 5.1.11 (overlastgevend stallen van
(brom)fietsen);
artikel 5.1.12 (hinderlijk (brom)fietsparkeren);
artikel 5.1.13 (aantasting groenvoorzieningen door
voertuigen);
artikel 5.2.1 (inzameling van geld of goed);
artikel 5.2.2 (venten);
artikel 5.2.4 (standplaatsen);
artikel 5.2.7 (standplaatsvrije gebieden);
artikel 5.2.8 (inneming en ontruiming standplaatsen);
artikel 5.2.12 (standplaatsen grote voertuigen);
artikel 5.3.1 (gebruik van openbaar water);
artikel 5.3.1a (ligplaats vaartuigen);
artikel 5.3.1b (vaarverbod);
artikel 5.3.2 (beschadigen van waterstaatswerken en oevers);
artikel 5.3.3 (reddingsmiddelen);
artikel 5.3.4 (zwemmen en baden elders dan in zee);
artikel 5.3.5 (gevaar of hinder door baden of
zwemmen);
artikel 5.3.6 (overlast aan vaartuigen);
artikel 5.3.7 (verzamelen van visvoer);
artikel 5.4.1 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten
inrichtingen of anderszins vuur te stoken);
artikel 5.5.2 (verboden plaatsen voor incidentele
asverstrooiing);
artikel 5.7.2 (motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en
in duinterreinen);
artikel 5.7.3 (rij- en trekdieren op het strand);
artikel 5.7.4 (vaartuigen op en bij het strand en in
de zee);
artikel 5.7.5 (zwemmen en baden in zee);
artikel 5.7.5a (verbod zich te bevinden op de blokken van de
blokkendam);
artikel 5.7.6 (gevaarlijke speelwerktuigen).
2. Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.5.2, 2.5.3
en 2.5.4 (heling) wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de
artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 6.2 Toezicht en opsporing
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze verordening zijn belast de door het college of de
burgemeester aangewezen ambtenaren van:
a. de dienst Stadstoezicht;
b. de Dienst van Gemeentewerken.
2. Tevens zijn met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit
van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen andere
ambtenaren.
Artikel 6.3 Binnentreden van woningen
De ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving of de
opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze
verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van
de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de
gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een
woning zonder toestemming van de bewoner.
HOOFDSTUK 7 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 7.1 Intrekking APV Rotterdam
De Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam wordt ingetrokken,
met uitzondering van de artikelen 5.1.2, 5.1.6 en 5.2.2 die tot 1
oktober 2008 gelden.
Artikel 7.1a Intrekking
Pleziervaartuigenverordening
De Pleziervaartuigenverordening wordt met ingang van 1 oktober 2008
ingetrokken.
Artikel 7.2 Overgangsbepalingen regelingen
Door het bevoegde bestuursorgaan ter uitvoering van de APV
Rotterdam vastgestelde regelingen berusten na het in werking treden
van deze verordening op de overeenkomstige bepalingen daarvan.
Artikel 7.3 Overgangsbepaling toestemmingen
1. Op een aanvraag om een toestemming krachtens de APV
Rotterdam, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk
is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van de indiening
van de aanvraag geldende recht.
2. Op een bezwaarschrift of beroep tegen een besluit,
krachtens de APV Rotterdam genomen voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing
daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten
tijde van het nemen van dat besluit geldende recht.
Artikel 7.4 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
publicatie daarvan in het gemeenteblad, met uitzondering van de
artikelen 2.2.2a, 5.1.2, 5.1.6, 5.2.2 en 5.3.1a die in werking
treden met ingang van 1 oktober 2008.
Artikel 7.5 Citeertitels
Deze verordening wordt aangehaald als "Algemene Plaatselijke
Verordening Rotterdam 2008" of "APV Rotterdam 2008".
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van17 juli 2008.
De griffier, De voorzitter,
K.D. Handstede M. Çelik,
plv.
Dit gemeenteblad is uitgegeven op 1 augustus 2008 en ligt op
werkdagen van 8.30 tot 16.30 uur ter inzage bij het Kenniscentrum
Bestuursdienst Rotterdam (KBR), Stadskantoor ingang Rodezand 18,
begane grond.
(Zie ook: www.bds.rotterdam.nl –
Gemeentebladen)
TOELICHTING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Algemene toelichting hoofdstuk 1:
Hoofdstuk 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam
(hierna: APV) bevat een aantal procedurevoorschriften en algemene
bepalingen.
Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is
dat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) algemene regels
geeft inzake de aanvraag, de behandeling en de verlening van een
vergunning of ontheffing.
In deze toelichting wordt summier ingegaan op het stelsel van de
Awb en op de mogelijkheden tot aanvulling of afwijking daarvan in
de APV.
Daarop volgt een aantal algemene opmerkingen over het Red
Tape-beleid (bestrijding van bureaucratie).
Ten slotte worden de algemene bepalingen van hoofdstuk 1
toegelicht.
Algemene wet bestuursrecht
De Awb bevat onder meer bepalingen, waarin algemene regels zijn
geformuleerd omtrent de totstandkoming, vorm en inhoud van
bestuurlijke beslissingen. De Awb regelt bijvoorbeeld hoe het
bevoegde bestuursorgaan besluiten omtrent vergunningen of
ontheffingen (beschikkingen) moet nemen en welke eisen aan deze
beschikkingen moeten worden gesteld.
De bepalingen in de Awb hebben deels een dwingend karakter, zodat
een regeling in de APV in dat geval niet meer nodig is. Soms echter
geeft de Awb de mogelijkheid om af te wijken van de Awb-regels of
om deze regels nader aan te vullen.
In de toelichting bij deze APV wordt telkens vermeld, wanneer en
waarom van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt.
Aanvraag vergunning of ontheffing
De aanvraag voor een vergunning of ontheffing (beschikking) wordt
in beginsel schriftelijk ingediend (artikel 4:1 Awb). Bij wettelijk
voorschrift kan echter van het vereiste van "schriftelijk
indienen" worden afgeweken. De APV kan derhalve regelen dat
een bepaalde beschikking ook mondeling kan worden aangevraagd.
In sommige uitzonderlijke gevallen is in de APV van deze
mogelijkheid gebruik gemaakt (zie hiervoor bijvoorbeeld artikel
2.1.5: mondelinge kennisgeving van openbare manifestatie).
De aanvraag bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.
De aanvrager verschaft tevens de gegevens en bescheiden die voor de
beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs
de beschikking kan krijgen (artikel 4:2 Awb).
Het bevoegd bestuursorgaan kan voor het indienen van aanvragen en
het verstrekken van gegevens een formulier opstellen (artikel 4:4
Awb).
Indien de aanvrager de aanvraag onjuist heeft gedaan of onvoldoende
gegevens of bescheiden heeft verstrekt, stelt het bevoegde
bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid binnen een bepaalde
termijn de aanvraag te herstellen of aan te vullen. Mocht de
aanvrager binnen die tijd de aanvraag niet hersteld of aangevuld
hebben, dan kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag
niet in behandeling te nemen (artikel 4:5 Awb).
Indien de aanvrager, wiens aanvraag is afgewezen, na enige tijd
opnieuw een zelfde aanvraag indient, terwijl er geen nieuwe feiten
of veranderde omstandigheden zijn, kan het bevoegde bestuursorgaan
de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzing
(artikel 4:6 Awb).
Voorbereiding beschikking
Artikel 4:7 Awb regelt het horen van degene die de beschikking
heeft aangevraagd. Indien het bestuursorgaan voornemens is de
aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen stelt het de aanvrager
in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen in de
gevallen genoemd in artikel 4:7 Awb.
Artikel 4:8 Awb geeft een regeling betreffende het horen van een
belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die tegen de te nemen
beschikking naar verwachting bedenkingen zal hebben. Het artikel
geeft aan in welke gevallen de belanghebbende de gelegenheid dient
te krijgen zijn zienswijze naar voren te brengen.
De beslissing (beschikking)
Een vergunning of ontheffing (beschikking) wordt schriftelijk
verleend (artikel 1:3 Awb). De beschikking berust op een
deugdelijke motivering, die in beginsel bij de bekendmaking van de
beschikking wordt vermeld.
Een beschikking wordt gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift
bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen
een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag (in beginsel
acht weken) (artikel 4:13 Awb).
Artikel 1.2 APV sluit aan bij het in het kader van het Red
Tape-beleid ontwikkelde stramien, zoals dat hieronder aan de orde
komt.
Wanneer niet binnen de in artikel 1.2 APV genoemde termijn
(eventueel na verdaging) een beslissing op de aanvraag is gegeven,
wordt dit geacht een besluit te zijn, waartegen de aanvrager in
bezwaar of beroep kan komen (artikel 6:2 Awb).
Bekendmaking en mededeling
Op de bekendmaking van de beschikking is afdeling 3.6 van de Awb
van toepassing. Artikel 3:40 Awb bepaalt, dat een besluit niet in
werking treedt voordat het is bekendgemaakt. De bekendmaking van
besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht,
geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen
de aanvrager (artikel 3:41 Awb).
De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer
belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het
besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege
uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel
op een andere geschikte wijze (artikel 3:42 Awb). Hierbij kan
worden gedacht aan de bekendmaking van nadere regels, krachtens
deze APV gesteld door het college of de burgemeester.
Bezwaar of beroep
Indien de mogelijkheid bestaat om tegen een beschikking bezwaar of
beroep in te stellen, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de
mededeling van het besluit melding gemaakt. Hierbij wordt vermeld
voor wie, binnen welke termijn en bij welke instantie de
mogelijkheid van bezwaar of beroep open staat (artikel 3:45 Awb).
Red Tape
Rotterdam streeft - zowel voor zijn burgers als voor zijn
ondernemers - naar minder en betere regelgeving. Overbodige, met
name sterk bureaucratische, regels worden geschrapt en de
resterende regelgeving is sober, duidelijk, zo uniform mogelijk én
goed toegankelijk.
Voor de APV betekent dat het volgende:
In de eerste plaats zijn de beslistermijnen – de periode die de
bevoegde organen gegund is voor het voorbereiden en afgeven van een
vergunning of ontheffing - bekort en gestandaardiseerd. Het
overschrijden van deze termijnen is overigens (zie hierna) niet
zonder gevolgen.
In de tweede plaats is de geldigheidsduur van verleende
vergunningen of ontheffingen verlengd en op basis van het volgende
stramien gestandaardiseerd.
a. Vier weken, met de mogelijkheid om éénmaal (in de derde
week van de eerste periode) met vier weken te verlengen.
Deze standaardtermijn geldt voor relatief eenvoudige gevallen
waarin de aanvraag door een (gemandateerde) dienst wordt
afgehandeld, zonder dat externen daarbij een rol spelen.
b. Acht weken, met de mogelijkheid om éénmaal (in de zesde
week van de eerste periode) met acht weken te verlengen.
Deze termijn is aan de orde indien bij de afhandeling van de
aanvraag meerdere gemeentelijke diensten een (bijv. adviserende)
rol spelen.
c. Twaalf weken, met de mogelijkheid om éénmaal (in de
achtste week van de eerste periode) met twaalf weken te verlengen.
Deze termijn wordt gekozen indien het noodzakelijk is externe,
niet-gemeentelijke adviseurs te raadplegen of als er sprake is van
verplichte inspraak, alvorens een aanvraag kan worden afgehandeld.
Het spreekt voor zich dat het voor een vlotte afhandeling van
belang is dat aanvragers hun aanvraag compleet, dat wil zeggen
voorzien van de benodigde gegevens en bescheiden, indienen. Deze
verantwoordelijkheid ligt ingevolge artikel 4:2 van de Awb bij de
aanvrager.
Voor de goede orde wordt verder opgemerkt dat in gevallen waarin
toepassing wordt gegeven aan de Wet bevordering
integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (de wet Bibob) de
van toepassing zijnde beslistermijn als gevolg van artikel 31 van
die wet automatisch wordt verlengd.
Zoals hiervoor al opgemerkt, blijft het overschrijden van
beslistermijnen niet zonder gevolgen. De gemeentelijke
Legesverordening bepaalt dat bij overschrijding van beslistermijnen
leges worden terugbetaald aan de aanvrager. Rotterdam laat daarmee
zien dat beslistermijnen worden beschouwd als harde termijnen,
waarop de gemeente kan worden aangesproken.
Ook ten aanzien van de geldigheidsduur van de APV-vergunningen en
-ontheffingen is gekozen voor een vast stramien.
Rotterdam wil ook op dit punt zoveel mogelijk duidelijkheid vóóraf
geven: daarom werkt de gemeente in de APV met de volgende
standaardtermijnen:
a. Onbeperkte geldigheidsduur
Algemeen uitgangspunt is een onbeperkte geldigheidsduur.
b. Geldigheidsduur bepaald door de aard van de vergunnings-
of ontheffingsplichtige activiteit of situatie.
Een niet onaanzienlijk deel van de vergunningen of ontheffingen in
de APV heeft betrekking op ‘per definitie’ tijdelijke situaties of
omstandigheden (denk aan activiteiten als evenementen,
snuffelmarkten of braderieën). Voor die gevallen kan geen
standaardtermijn worden bepaald; de termijn is telkens afhankelijk
van de aard van de activiteit.
c. Geldigheidsduur vergunningen op het terrein van openbare
orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat.
De APV is een regeling die vooral in het teken staat van het borgen
van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat. Bij
dergelijke activiteiten is een regelmatige beoordeling - door
middel van een nieuwe vergunningaanvraag - van die activiteiten
door het bevoegde gemeentelijke orgaan noodzakelijk. Voor dit type
activiteiten dient de vergunning derhalve aan een termijn te zijn
gebonden. De wenselijke termijn verschilt per type activiteit.
Om te voorkomen dat bij langdurig geldende vergunningen (vijf jaar
of onbeperkt) ongebreideld allerlei veranderingen in de
activiteiten worden aangebracht, nadat de vergunning is verleend
allerlei veranderingen worden aangebracht in de activiteit die
wordt ondernomen zonder dat het bevoegd gezag daarvan op de hoogte
is, schrijft het nieuw voorgestelde artikel 1.6b voor dat bij wijze
van vergunningvoorschrift een actualiseringsverplichting aan de
vergunninghouder wordt opgelegd.
Toelichting artikel 1.1:
In dit artikel worden bijna alle begrippen die in de APV worden
gehanteerd, gedefinieerd. Van enkele specifieke begrippen, dat wil
zeggen begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening
betrekking hebben, zijn in de desbetreffende paragraaf definities
opgenomen. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1
opgenomen definities. Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen
definities kan het volgende worden opgemerkt.
Aanvraag:
aanvraag om een toestemming – te weten een vergunning of ontheffing
– krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008.
Aanwezigheidsvergunning:
vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de Kansspelen.
Artikel 30 b luidt:
1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde,
zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten
aanwezig te hebben:
a. op of aan de openbare weg;
b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;
c. in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen,
waarvoor ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet een
vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf is vereist of
waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap
Horeca.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het aanwezig
hebben van:
a. behendigheidsautomaten op kermissen, ook indien zij niet
behoren tot ingevolge artikel 30a, tweede lid, aangewezen typen van
speelautomaten;
b. speelautomaten op voor het publiek toegankelijke
plaatsen, uitsluitend ten behoeve van het verkopen daarvan of van
het krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste
lid, in gebruik geven daarvan aan anderen ten behoeve van de
uitoefening van hun bedrijf.
Beheerder:
a. De beheerder (of bedrijfsleider) van een openbare inrichting is degene
die de inrichting in de praktijk in eigen persoon drijft. Er dient
steeds een beheerder in de inrichting aanwezig te zijn als de
exploitant afwezig is. Het is niet mogelijk dat rechtspersonen
beheerders van inrichtingen zijn. Een inrichting kan meerdere
beheerders hebben.
b. De beheerder (of bedrijfsleider) van een seksinrichting is degene die
inrichting in de praktijk in eigen persoon drijft. Er dient steeds
een beheerder in de seksinrichting aanwezig te zijn als de
exploitant afwezig is. Het is niet mogelijk dat rechtspersonen
beheerders van seksinrichtingen zijn. Een seksinrichting kan
meerdere beheerders hebben.
Behendigheidsautomaat:
speelautomaat waarvan:
a. het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een
verlengde speelduur of het recht op gratis spellen; en
b. het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de
speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van
zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden
middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het
recht op gratis spellen verkregen wordt.
Bevoegd bestuursorgaan:
Onder bevoegd bestuursorgaan wordt een krachtens de APV Rotterdam
bevoegd bestuursorgaan verstaan.
Boom:
Onder het begrip “boom” valt de particuliere of de gemeente boom of
allebei.
Bouwwerk:
Deze omschrijving komt overeen met die in de Rotterdamse
Bouwverordening.
Collectieve en incidentele festiviteit:
Zie de toelichting bij de artikelen 4.1.2 en 4.1.3.
Consumentenvuurwerk:
Voor de omschrijving van het begrip "consumentenvuurwerk"
is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het
Vuurwerkbesluit; het betreft hier het zogenaamde
"consumentenvuurwerk".
De volgende soorten vuurwerk kunnen niet als consumentenvuurwerk
als bedoeld in het Besluit worden aangemerkt:
- het zogenaamde grote vuurwerk, dat door bedrijven bij
bijvoorbeeld evenementen wordt afgestoken;
- producten die reeds in de Schepenwet, Wet wapens en
munitie, de Jachtwet of het Warenwetbesluit speelgoed zijn
geregeld. Met name klappertjes van speelgoedpistolen en diverse
seinhulpmiddelen worden niet als vuurwerk beschouwd;
- tevens is een aantal artikelen uit het Besluit niet van
toepassing op fop- en schertsvuurwerk, zoals knalbonbons en
confettibommen. Dit vuurwerk is het hele jaar door verkrijgbaar en
kan ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.
Escortbedrijf:
Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch -
bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de
klant, of gaat met de klant naar een andere plaats. Een
escortbedrijf is geen inrichting, en derhalve niet locatiegebonden.
Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of
zelfs een website op Internet. Een escortbedrijf biedt de services
actief aan door middel van advertenties en andere reclame-uitingen.
Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een
seksinrichting en een escortservice. In dat geval dient dit
uitdrukkelijk op de aanvraag te zijn vermeld en zal de vergunning
op beide activiteiten betrekking hebben.
Evenement:
Bij evenement kan in de praktijk worden gedacht aan voor het
publiek toegankelijke verrichtingen van kunst, tentoonstellingen,
feesten, weldadigheidsverkopingen, braderieën, kermissen,
circussen, herdenkingsplechtigheden e.d. De omschrijving omvat alle
activiteiten van vermaak, ongeacht of het publiek zelf deelneemt.
Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek
toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van
vermaak kan worden aangemerkt, wordt deze als enige expliciet als
evenement genoemd. Opgemerkt zij dat een herdenkingsplechtigheid in
sommige gevallen een manifestatie in de zin van de Wet openbare
manifestaties (WOM) kan zijn, namelijk als de bijeenkomst tot doel
heeft om gezamenlijk een mening te uiten in het openbaar. In sub e
zijn samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties
uitgezonderd van het evenementenbegrip. De WOM beoogt een
eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen.
Ingevolge het bepaalde onder d, is voor evenementen in inrichtingen
als bedoeld in artikel 2.3.1 (openbare inrichtingen) geen
evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund op grond
van artikel 2.3.2, en voor zover die evenementen tot de toegestane
exploitatievorm behoren. Een en ander doet niets af aan de
voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in
het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en in
hoofdstuk 4, paragraaf 1 van deze APV. Deze voorschriften blijven
onverkort van toepassing.
Voor evenementen op het terras van een openbare inrichting zal
veelal een evenementenvergunning nodig zijn, omdat de activiteiten
niet meestal niet zullen vallen binnen de toegestane
exploitatievorm. Het terras maakt onderdeel uit van de inrichting,
waardoor er voor het terras in principe dezelfde geluidsnormen
gelden als voor in de inrichting. Uiteraard veroorzaakt geluid op
het terras meer geluidsoverlast dan geluid dat binnen wordt
geproduceerd. Om meer geluid te mogen produceren op het terras
dient er naast een evenementenvergunning tevens een kennisgeving
worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer te krijgen.
In de evenementenvergunning kunnen aanvullende geluidsvoorschriften
worden gesteld.
Aangezien er per jaar maar tien incidentele festiviteiten mogen
worden gehouden, is ook het aantal evenementen op het terras
beperkt tot tien.
Zie tevens de toelichting bij het tweede lid.
Exploitant:
a. Onder exploitant van een openbare inrichting wordt de
ondernemer verstaan die de inrichting drijft. Het gaat hierbij in
ieder geval om de persoon voor wiens rekening en risico het
horecabedrijf wordt uitgeoefend. Naast natuurlijke personen kunnen
ook rechtspersonen exploitant zijn. Om constructies van
schijnbeheer tegen te gaan is het te allen tijde noodzakelijk om te
weten tot welke natuurlijke personen de rechtspersoon herleidbaar
is. Daarom worden de bestuurders van de rechtspersoon en hun
gevolmachtigden eveneens aangemerkt als exploitant. Tevens is in
2008 de definitie van het begrip ‘exploitant’ aangepast en in
overeenstemming gebracht met de Drank- en Horecawet. De bestuurders
van rechtspersonen als bedoeld in artikel 4 Drank- en Horecawet
(stichtingen en verenigingen die zich richten op recreatieve,
sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of
godsdienstige aard) worden niet meer aangemerkt als exploitant. Dit
heeft tot gevolg dat bij de veelal jaarlijkse bestuurswisselingen
niet steeds opnieuw een vergunning hoeft te worden aangevraagd. Wel
moeten wijzigingen in het bestuur worden gemeld aan de gemeente.
b. Onder exploitant van een seksinrichting wordt verstaan
de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, voor wiens rekening en
risico een seksinrichting of escortbedrijf wordt gedreven, en de
bestuurders van die rechtspersoon en hun gevolmachtigden;
Om constructies van schijnbeheer tegen te gaan is het te allen
tijde noodzakelijk om te weten tot welke natuurlijke persoon of
personen een rechtspersoon of -personen herleidbaar is/zijn.
Gemeentelijke of particuliere boom:
In artikel 1.1 is ook een definitie opgenomen van het begrip boom,
omdat in de praktijk vaak discussie ontstond over de vraag wat wel
en wat niet onder een boom dient te worden verstaan. Er wordt thans
ook een onderscheid gemaakt naar particuliere bomen en
gemeentelijke bomen. Een gemeentelijke boom is een boom waarvan de
gemeente zakelijk gerechtigde is en als de gemeente niet zakelijk
gerechtigd is, dan is een boom particulier.
Een kapvergunning voor een particuliere boom moet worden
aangevraagd als de boom een omtrek heeft van meer dan 100 cm
gemeten op 1,30 m hoogte. Een kapvergunning voor een gemeentelijke
boom moet worden aangevraagd op het moment dat de omtrek meer is
dan 50 cm gemeten op 1,30 meter hoogte. Dat wil zeggen, dat de
gemeente ten aanzien van de eigen bomen zichzelf strengere regels
oplegt voor wat betreft het aanvragen van een vergunning dan bij
particuliere bomen. Deze verruiming voor particulieren betreft in
het algemeen toch altijd bomen die vergund worden en reduceert het
aantal vergunningaanvragen voor particuliere bomen met ongeveer 60
procent.
Het begrip boomwaarde - dat reeds in de voormalige kapparagraaf was
opgenomen - is in deze paragraaf gehandhaafd. De boomwaarde is met
name bedoeld voor het terugkrijgen van de gemeentelijke
investeringen in stadsbomen. Veel minder toepasbaar is de
boomwaarde op particuliere bomen of op schadeloosstellingen aan
particulieren.
Grootschalige evenementen:
Grootschalige evenementen zijn voor het publiek kosteloos dan wel
tegen betaling toegankelijke vermakelijkheden, zoals culturele en
sportieve evenementen (bijvoorbeeld voetbalwedstrijden,
popconcerten, de marathon, wielerronden, festivals, feesten),
waarvan de aard of de publieksaantrekkende werking vanuit een
oogpunt van openbare orde en veiligheid dusdanig grootschalig is,
dat daarin zonder nadere ordening niet kan worden voorzien.
Aan de hand van een aantal – niet limitatief opgesomde – criteria
wordt beoordeeld of er sprake is van een grootschalig evenement, te
weten: ervaringsgegevens, aantal bezoekers, gekozen locatie,
verkeerstechnische gegevens, gekozen tijdstip, politieke
gevoeligheid, aard en karakter van het evenement en het
bezoekersprofiel. Op basis van deze criteria wordt een indeling
gemaakt in:
- Kleine evenementen (minder dan 5000 bezoekers, weinig of
geen geluidsoverlast voor omwonenden, (nagenoeg) geen
politie-inzet);
- Grootschalige evenementen (meer dan 5000 bezoekers, en/of
met een geluidsniveau dat mogelijk overlast voor omwonenden
veroorzaakt, en/of beperkte politie-inzet vereist);
- Mega-evenementen (meer dan 50.000 bezoekers, en/of met een
geluidsniveau dat vrijwel zeker geluidsoverlast voor omwonenden
veroorzaakt, en/of omvangrijke politie-inzet vereist.
Het onderscheid tussen grootschalige evenementen en
mega-evenementen is niet juridisch van aard. Beide evenementen
vallen onder het begrip ‘grootschalig evenement’.
Handelaar:
Artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van
artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992,
36) noemt als handelaren hier bedoeld: opkopers en handelaren in
gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver,
edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen,
bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, en videoapparatuur en
apparatuur voor automatische registratie. Handelaren in antiek en
curiosa zijn tevens handelaren in gebruikte en ongeregelde
goederen, zodat zij niet apart behoeven te worden vermeld.
Handelsreclame:
In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de
vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële
reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel
geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in
het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie verzet
tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte
stukken e.d.
Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het
grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient
te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van
goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame”
heeft de in het vierde lid, van artikel 7 Grondwet, geformuleerde
uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële
doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van
goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op reclame
voor ideële doeleinden.
Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop.
Uiteraard zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële
doeleinden niet altijd even scherp zijn. Het vorenstaande betekent
overigens niet dat handelsreclame niet beschermd wordt.
Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan
artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze
verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een
vergunningsstelsel.
Hoogdrempelige inrichting:
een hoogdrempelige inrichting is een inrichting als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin
rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt
uitgeoefend:
a. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat
en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een
zelfstandige betekenis kan worden toegekend en
b. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn
op personen van 18 jaar en ouder.
Houtopstand:
Onder houtopstand valt: boom of bomen, hakhout, houtwal,
lintbeplanting in de vorm van bosheesters, al dan niet met bomen,
of beplanting van bosplantsoen. Aan de definitie van
"houtopstand" is toegevoegd "lintbeplanting in de
vorm van bosheesters", aangezien dergelijke beplantingen een
grote ecologische waarde kunnen hebben (bijv. een meidoorn- of
mispelhaag), die bescherming verdient. Ook is toegevoegd "een
beplanting van bosplantsoen", om een beplanting van inheemse
of reguliere bomen en struiken in een stedelijke omgeving te kunnen
beschermen.
Kampeermiddel:
In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent,
tentwagen, kampeerwagen en caravan. Onder nachtverblijf wordt
verstaan verblijf tussen zonsondergang en zonsopkomst, tenzij
anders is aangegeven.
Kansspelautomaat:
speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is.
Kapvergunning:
Een vergunning om een particuliere of gemeentelijke boom te kappen.
Laagdrempelige inrichting:
een laagdrempelige inrichting is een inrichting als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin
rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt
uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een
inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de
ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het
Bedrijfschap Horeca.
Ondernemer:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die een speelautomatenhal, een
hoogdrempelige inrichting of een laagdrempelige inrichting
exploiteert en de wettelijke vertegenwoordiger van die
rechtspersoon.
Openbaar water:
Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk
Wetboek is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het
publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het
publiek toegankelijk’.
Openbare inrichting:
Onder de begripsbepaling "openbare inrichting" vallen de
inrichtingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Drank- en
Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de
daarbij horende terrassen en álle inrichtingen, waar anders dan om
niet enigerlei eet- of drinkwaren kunnen worden afgehaald
(afhaalcentra).
Openbare plaats:
In de WOM wordt “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die
krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In
het tweede lid van artikel 1 WOM is bepaald dat daaronder niet is
begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, van de Grondwet (Godsdienstvrijheid).
Het betreft hier een algemene toegankelijkheid van de plaats zonder
belemmeringen. Iedereen moet er zonder meer kunnen komen. In dit
verband kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als "openbare
plaatsen" worden aangemerkt. Ook de hal van het gemeentehuis
valt buiten het begrip "openbare plaats".
Het openstaan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming
of vast gebruik. De bestemming ziet op het karakter dat door de
gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of
blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling.
Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de
plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die
bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogd.
Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste
lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken
en de voor een ieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte
passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.
Organisator:
Onder ‘plaatsvinden’ wordt in dit onderdeel mede verstaan de
voorbereiding en de afbouw van het evenement.
Parkeren:
het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd
die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen
van goederen.
Prostitutie en prostituee:
Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid
van de definitie in artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht. Om taalkundige redenen zijn de termen 'derde'
en 'betaling' uit de definitie in het Wetboek van
Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk
'ander' en 'vergoeding'. Seksuele dienstverlening
zoals in een erotische massagesalon wordt op grond van deze
definitie aangemerkt als prostitutie.
Seksinrichting:
Het begrip seksinrichting is het centrale begrip in § 2.3a.
Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in
deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die
omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse
rechterlijke uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere:
Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet
gepubliceerd). De belangrijkste vereisten in deze definitie zijn de
publieke toegankelijkheid, bedrijfsmatige exploitatie en de
seksuele handelingen. Hierna zullen deze elementen nader worden
toegelicht. Ook wordt ingegaan op de regelgeving die van toepassing
is op seksbioscopen, -theaters en -winkels.
In de definitie is gekozen voor de term "besloten
ruimte", omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder
besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of voertuig. Het
bijvoeglijk naamwoord "besloten" duidt erop dat de ruimte
zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een
overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die
al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.
De toevoeging van het begrip "voor publiek toegankelijk"
is van belang, aangezien volgens vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad de gemeenteraad zijn bevoegdheid overschrijdt, wanneer hij
handelingen verbiedt die in geen enkel opzicht een openbaar
karakter hebben en in geen enkel opzicht betrekking hebben op de
openbare orde. Kort samengevat luidt het standpunt van de Hoge Raad
over het element van openbaarheid in de gemeentelijke verordeningen
als volgt:
- indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld,
die zintuiglijk vanaf een openbare plaats waarneembaar is, dan is
voldaan aan het vereiste van openbaarheid;
- indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld,
die voornamelijk van een ander erf of vanuit een ander goed
waarneembaar is, dan wordt onder omstandigheden aangenomen dat is
voldaan aan het vereiste van openbaarheid;
- indien van het voorgaande geen sprake is, maar de aard en
de omvang van de gevolgen van de handeling of toestand (mede gelet
op de plaatselijke omstandigheden) zodanig kunnen zijn dat zij een
gevaar betekenen voor de openbare orde, zedelijkheid of gezondheid,
dan heeft de verboden handeling of toestand een terugslag hebben op
openbare belangen en is mitsdien voldaan aan het vereiste van
openbaarheid. In een arrest van 10 oktober 1975 overwoog de Hoge
Raad dat een bepaling in de Rotterdamse APV inzake de sluiting van
bordelen bleef binnen de grenzen van artikel 168 gemeentewet (oud)
"daar met de sluiting van een perceel [...], ook in gevallen
waarin [...] de verboden handelingen elk karakter van openbaarheid
missen, de openbare orde kan zijn gediend".
Een aanzienlijk deel van de prostitutie in Rotterdam vindt plaats
in woningen, de zogenaamde privé-huizen. Deze woningen worden
niettemin als seksinrichting aangemerkt, indien het gaat om
woningen die geen woonfunctie meer hebben. Dergelijke privé-huizen
worden geacht "voor publiek toegankelijk" te zijn;
klanten wordt immers toegang verschaft.
Om een duidelijk onderscheid te maken tussen het hiervoor genoemde
publieke en private domein, is bovendien het vereiste van
bedrijfsmatige - of daarop gelijke - wijze van exploitatie in de
definitie opgenomen. De vraag of sprake is van bedrijfsmatige
exploitatie is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de
organisatiegraad van de inrichting, de omvang van het
prostitutieaanbod (hoeveel prostituees zijn er werkzaam?), de wijze
van klantenwerving (uithangborden, advertenties?) etc. Indien
sprake is van slechts één prostituee, die in zijn of haar eigen
woning werkt en er in deze woning slechts één werkplek is, wordt
dit in beginsel niet als bedrijfsmatige exploitatie aangemerkt.
Deze uitzondering voor thuiswerksters is echter geen automatisme en
zal in elk geval niet worden gemaakt indien de thuiswerkster
onderdeel uitmaakt van een (escort)organisatie of indien de woning
door uithangborden en verlichting het karakter heeft van een
seksinrichting.
Ten aanzien van thuisprostitutie (privéhuizen) speelt het probleem
dat het recht op privacy (art. 10 Grondwet, art. 8 EVRM) het lastig
maakt voor de gemeente om regulerend en handhavend op te treden als
de woning (ook) nog als zodanig wordt gebruikt. Een woning die als
zodanig in gebruik is, behoort naar haar aard tot de persoonlijke
levenssfeer van de bewoner(s). Sluiting is dan bijvoorbeeld alleen
mogelijk op basis van art. 174a Gemeentewet. De uitzondering voor
“thuiswerk”, is om deze reden noodzakelijk. Eveneens is deze
uitzondering noodzakelijk vanwege de ondergrens van de verordenende
bevoegdheid, het privaat domein.
Door het gebruik van de term "seksuele handelingen" in de
begripsomschrijving wordt enerzijds aangegeven dat inrichtingen
waar geen sprake is van seksuele handelingen, maar uitsluitend van
seksuele voorstellingen of vertoningen (seksbioscopen, sekstheaters
of seksautomatenhallen) niet als seksinrichting worden aangemerkt,
anderzijds komt hiermee tot uitdrukking dat niet per se sprake
hoeft te zijn van prostitutie om als seksinrichting te worden
aangemerkt. Ook een parenclub, (homo)sauna, darkroom en erotisch
café, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt gegeven tot het
verrichten van seksuele handelingen, zijn seksinrichtingen.
Exploitatievergunningen voor seksbioscopen, sekstheaters en
seksautomatenhallen zijn geregeld in hoofdstuk 2 paragraaf 3 van de
APV. Het betreft hier slechts inrichtingen waar voorstellingen of
vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven dan wel door
middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen
kunnen worden gegeven. Indien er in de praktijk ook sprake is van
een seksinrichting (en er behalve voorstellingen of vertoningen dus
ook sprake is van seksuele handelingen) dan is het bepaalde in deze
paragraaf onverkort van toepassing. Een dergelijke inrichting dient
dan tevens over een geldige exploitatievergunning voor een
seksinrichting te beschikken.
Zolang in sekswinkels geen seksuele handelingen worden verricht, is
geen sprake van een seksinrichting. Voor sekswinkels geldt dan geen
bijzonder regime. In principe worden deze winkels via het
bestemmingsplan geregeld. Voor de openingstijden is de
Winkeltijdenwet van toepassing. Indien echter sprake is van
vertoningen of voorstelling van pornografische aard, dan is de
exploitatievergunning vereist en als het een sekswinkel betreft
waar seksuele handelingen worden verricht dient er een vergunning
voor een seksinrichting, ingevolge het bepaalde in deze paragraaf,
te worden aangevraagd.
Speelautomaat:
een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat
uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of
elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de
middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies,
daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen.
Speelautomatenhal:
inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel
door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel
30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen;
Standplaats:
De gemeentelijke standplaatsbepalingen hebben tot doel het innemen
van een standplaats op de openbare weg met een mobiele
verkoopinrichting te reguleren.
Kernbegrip in deze verordening vormt de mobiliteit van de
verkoopinrichting, met dien verstande dat de vergunninghouder
verplicht is om iedere dag na sluitingstijd zijn verkoopinrichting
te verwijderen van de standplaats. Bij de APV-herziening in 2003 is
aan de definitie toegevoegd dat onder een mobiele verkoopinrichting
mede een grondplaats, een kraam, een tafel of enig ander daarmee te
vergelijken middel wordt verstaan.
Voorts strekken de bepalingen in deze verordening - zoals in de
algemene toelichting bij § 5.2 reeds opgemerkt - ter bescherming
van meerdere belangen. De aangevraagde locatie op de openbare weg
wordt onder meer getoetst aan de openbare orde, waaronder begrepen
het tegengaan van verkapte marktvorming, aan de verkeersvrijheid en
de -veiligheid alsmede aan het uiterlijk aanzien der gemeente.
Verkoopregister:
Artikel 437, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht
(Sr.) verplicht de handelaar in dat artikel bedoeld, tot het
aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van
alle gebruikte en ongeregelde goederen. In artikel 2 van het
besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste
lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36) worden regels
gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Omdat de wet
en het besluit hiermee reeds voorzien in de regeling betreffende
een zogenaamd inkoopregister, kan hierover niets meer door de
gemeentelijke wetgever worden geregeld. Artikel 437ter Sr. biedt de
raad uitdrukkelijk wel de mogelijkheid om in een verordening regels
te stellen met betrekking tot het opstellen van een
verkoopregister.
Voertuigen:
De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het
Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 voorkomt verwarring
over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a,
worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een
voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te
worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al,
worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen,
invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.
Onder categorie 2 vallen in deze definitie speelgoedauto's,
zoals skelters en trapauto's, maar ook winkelwagentjes en
rolstoelen.
Weg:
Onderdeel 1
Hier worden wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer
openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of
zijkanten. Dit is de letterlijke tekst van artikel 1, eerste lid,
onder B, van de Wegenverkeerswet 1994. Tevens worden daaronder
begrepen de daaraan liggende en als zodanig aangeduide
parkeerterreinen. Om dit duidelijk te maken is een expliciete
verwijzing naar parkeerterreinen opgenomen. Het gaat hier om alle
als zodanig herkenbare parkeerterreinen die – al dan niet tegen
betaling – toegankelijk zijn voor het publiek.
Onderdeel 2
Door opneming van de woorden “al dan niet met enige beperking” is
buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de
toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af
doen dat gesproken kan worden van “weg”, indien de desbetreffende
plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.
Onderdelen 3 en 4
In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen
stoepen, trappen, portieken etc., welke "uitsluitend tot voor
bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven" (vgl. onder
3) en andere stoepen en trappen etc. (vgl. onder 4). De
eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip
"weg" indien zij niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden
galerijen in portiekgebouwen etc. uitgezonderd gehouden van het
begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is
afgesloten ("afsluitbaar"). In veel galerij- en
portiekflats bestaat er wel een mogelijkheid van afsluiting, maar
is van afsluiting in de praktijk geen sprake (bijvoorbeeld geen
slot op de deur). In dergelijke gevallen is dus géén sprake van een
"weg" in de zin van de APV. Ter plekke gelden dan de
"regels van het huis".
Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van
afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek
toegankelijk zijn bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze
categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In
recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine -
veelal overdekte - straatjes die voor het doorgaande verkeer
nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal
gehouden doorgangen of "passages" worden gedurende de
avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van
toezicht alsdan onmogelijk is. Het is wenselijk dat op deze veelal
druk bezochte passages van politiezijde toezicht kan worden
uitgeoefend. Alsdan bestaat de mogelijkheid in voorkomende gevallen
verbaliserend op te treden tegen overtredingen als het bekladden
van percelen en het verontreinigen van de weg.
Op of aan de weg
Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op
(verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term
"aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid
ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen
van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn
gelegen. Daaronder valt echter niet hetgeen zich binnenshuis
bevindt of afspeelt. Gedragingen die op privé-terreinen
plaatsvinden met een zekere uitstraling naar of relatie met de weg,
kunnen zo ook door een APV-bepaling worden bestreken.
Tweede lid
Het tweede lid regelt dat onder de volgende activiteiten tevens
onder de bepalingen van de evenementen (§ 2.2) vallen. Dit zijn:
- braderieën op of aan de weg;
- feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
- herdenkingsplechtigheid op of aan de weg;
- optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
2.1.4, op of aan de weg;
- snuffelmarkt.
Derde lid
Onder vaartuigen worden ook baggerwerktuigen, bokken, kranen,
elevators, surfplanken en jetski’s verstaan.
Vierde lid
"Vellen" is volgens Van Dale: "door hakken doen
vallen". Teneinde elk misverstand hieromtrent uit te sluiten,
is in een ruime definitie van "vellen" gegeven. Het
omzagen van bomen, alsmede het verplanten. Ook het verbranden van
houtopstand, wordt eveneens onder het begrip "vellen"
gebracht. Bij ernstige beschadiging of ontsiering moet onder meer
gedacht worden aan het op enkele meters boven de grond doorzagen
van de stam of het decimeren van een volgroeide boom tot een stam
met uitsteeksels door middel van knotten of kandelaberen. Onder het
lichten of laten zakken van bomen worden alle handelingen bedoeld
die ten doel hebben de boom aan te passen aan de wijzigingen van
het maaiveld ten gevolge van ophoging of afgraving, waarbij de boom
nagenoeg dezelfde standplaats behoudt.
Vijfde lid
Onder bezoeker wordt in de APV niet verstaan de levenspartner en
kinderen van de exploitant.
Ook personen die in een openbare inrichting nachtverblijf houden en
als zodanig voorkomen op het hiertoe bestemde register als bedoeld
in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, worden van het
bezoekersbegrip uitgezonderd.
Tot slot zijn geen bezoeker personen wier tegenwoordigheid in de
inrichting wegens dringende omstandigheden vereist wordt, hierbij
kan bijvoorbeeld worden gedacht aan politiepersoneel en andere
ambtenaren in functie, aan artsen, aan personen die de inrichting
direct moeten kunnen betreden voor het uitvoeren van noodzakelijke
reparatie- of onderhoudswerkzaamheden, e.d.
Toelichting artikel 1.1a:
Artikel 1.1a regelt de verhouding van de Algemene Plaatselijke
Verordening Rotterdam 2008 in relatie tot de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Toelichting artikel 1.1b:
Het college kan – op grond van dit artikel – regels stellen omtrent
de regels en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning of
ontheffing moeten worden overlegd.
Toelichting artikel 1.2:
Conform de algemene uitgangspunten van het (anti-) Red Tape-beleid
stelt artikel 1.2 de standaardbeslistermijn op vier weken, éénmaal
(in de derde week van de eerste periode) - uiteraard met
berichtgeving aan de aanvrager - met vier weken te verlengen.
In afwijking van het eerste lid is de beslistermijn acht weken bij
de aanvragen op grond van een toestemming bedoeld in de artikelen
2.2.3, 2.3.2, 2.3a.3 3.2.2, 4.4.3 of 5.2.4. Deze termijn is éénmaal
(in de zesde week van de eerste periode) - uiteraard met
berichtgeving aan de aanvrager - met acht weken te verlengen.
Toelichting artikel 1.3:
Hoewel het publiek zoveel mogelijk service moet worden geboden,
zijn de mogelijkheden van het ambtelijk apparaat niet onbeperkt. In
de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om
een vergunning, ontheffing, etc. tot het laatste moment wachten.
Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van vier weken (en
acht weken voor zover het betreft aanvragen waarvoor een
beslistermijn van acht weken geldt, zie artikel 1.2, tweede lid)
aangehouden. Veel verzoeken kunnen overigens binnen deze termijn
worden afgewikkeld. De bewoordingen van het onderhavige artikel
("kan") laten uitkomen, dat het indienen van verzoeken
binnen die termijn bepaald niet per definitie tot een
niet-ontvankelijkverklaring behoeft te leiden.
Toelichting artikel 1.3a:
Uitgangspunt is dat een toestemming in beginsel onbeperkt geldt. Er
zijn echter uitzonderingen op deze regel, zoals de in het eerste
lid bedoelde, qua duur beperkte, activiteiten.
Het tweede lid, onder a, bepaalt dat in het belang van de openbare
orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat voor een aantal
toestemming wordt afgeweken van de algemene geldigheidsduur.
Dit betreft allereerst de exploitatievergunning voor een openbare
inrichting als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onder b. De
exploitatievergunning en de seksinrichtingvergunning kent een
geldigheidsduur van vijf jaar. Het periodiek ‘verversen’ van deze
vergunning verschaft de burgemeester de mogelijkheid - alleen al in
administratief opzicht - orde op zaken te stellen. Ook
beleidsinhoudelijk kan er reden zijn om voor bepaalde bedrijven,
waarover gedurende de looptijd van de vergunning veel gegronde
klachten zijn binnengekomen, geen nieuwe vergunning meer te geven.
Ten aanzien van de aanwezigheidsvergunning, bedoeld in artikel
3.2.1b, en de vergunning voor een speelautomatenhal, bedoeld in
artikel 3.2.2, eerste lid, geldt een geldigheidsduur van vijf jaar.
Voor deze vergunningen geldt wel dat de langere looptijd is
gekoppeld aan de plicht, zoals omschreven in artikel 1.6b, om eens
per drie jaar het door het bevoegde gezag verstrekte
gegevensoverzicht op juistheid te controleren, en om wijzigingen te
melden.
Ten slotte is in artikel 1.3a, derde lid, bepaald dat de
burgemeester kan afwijken van dit artikel. De burgemeester heeft
van deze mogelijkheid gebruik gemaakt voor een categorie van
vergunningsplichtige inrichtingen waarvoor een meer frequente
toetsing van de vergunning (en de naleving van de voorschriften)
wenselijk wordt geacht, namelijk de coffeeshops. De
exploitatievergunning van dit type inrichting kent een looptijd van
één jaar. Dit is opgenomen in het Rotterdams coffeeshopbeleid.
Voorts maakt de burgemeester gebruik van de mogelijkheid af te
wijken van artikel 1.3a bij het verlenen van de voorlopige
vergunning. De voorlopige vergunning vervalt zodra een beslissing
is genomen op de aanvraag van de reguliere exploitatievergunning
(zie toelichting artikel 2.3.2).
Toelichting artikel 1.4:
In de strafbepalingen in het laatste hoofdstuk van deze APV wordt
overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met
straf bedreigd. Dat geldt dus ook voor overtreding van de aan de
vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen.
Toelichting artikel 1.5:
Het persoonlijke karakter van een toestemming komt tot uiting in
artikel 1.5, de toestemming geldt alleen voor degene aan wie zij is
verleend.
Toelichting artikel 1.6:
Onder het bepaalde in het eerste lid, aanhef en sub b, worden ook
beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen tot intrekking of wijziging
van de t leiden. Daarbij moeten vanzelfsprekend door het
bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
acht worden genomen.
Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking dan wel
wijziging van de vergunning of ontheffing wordt overgegaan. Zo zal
niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot
toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de
vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het
vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot
wijziging en intrekking.
Het tweede lid regelt de weigering van een vergunning of
ontheffing.
In sommige gevallen is er sprake van regelmatig terugkerende
vergunningen- of ontheffingsaanvragen, denk aan jaarlijkse
evenementen zoals kermissen of collectes. Het tweede lid biedt de
mogelijkheid om de vergunning of ontheffing te weigeren indien het
college op grond van een eerder (ten dele) niet naleven van
voorschriften en beperkingen mag vermoeden dat ook nu de aan de
vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zullen
worden nagekomen.
Het is van belang dat voldoende gegevens van de aanvrager worden
opgevraagd om zo te kunnen beoordelen of de gestelde voorschriften
en beperkingen nu wel door de aanvrager voldoende kunnen worden
nageleefd. Bijvoorbeeld als bij een evenement veel vuil is
achtergebleven, zullen er voldoende waarborgen moeten zijn dat het
evenementterrein schoon wordt achtergelaten.
Toelichting artikel 1.6a:
Dit artikel bepaalt dat een ontheffing als bedoeld in deze
verordening slechts kan worden verleend, indien het belang dat door
het betrokken verbod wordt beschermd, zich daartegen niet verzet.
Toelichting artikel 1.6b:
Het tot voor kort vigerende stelsel met relatief korte
geldigheidstermijnen van vergunningen of ontheffingen leidde
regelmatig, dan wel periodiek, tot contact tussen de aanvrager en
de met de (voorbereiding van de) besluitvorming belaste dienst,
waarbij, met name bij 'verlengingsverzoeken', gegevens en
documenten werden geactualiseerd en - waar nodig, opnieuw –
afgewogen.
Met de in artikel 1.6b opgenomen actualiseringsverplichting blijft
het bevoegd gezag met enige regelmaat op de hoogte van eventuele
veranderingen, hetgeen relevant is gezien de structurele verlenging
van de geldigheidsduur van veel vergunningen en ontheffingen als
gevolg van het Red Tape-beleid. Het bevoegd gezag moet hiertoe zelf
de eerste stap zetten, namelijk door eenmaal in de drie jaar een
actualiseringsoverzicht naar de vergunninghouder te sturen.
De in het kader van het Red Tape-beleid gekozen verlenging van de
geldigheidsduur zou immers (zeker waar het de categorie
'onbeperkt' betreft) kunnen leiden tot discrepantie tussen
de ten tijde van de aanvraag beschikbare gegevens en een later
gewijzigde situatie. Met het oog daarop schrijft de APV (thans)
voor dat in de vergunning of ontheffing wordt bepaald dat
wijzigingen moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag. Het spreekt
voor zich dat het moet gaan om relevante wijzigingen. Om die reden
zal in het voorschrift zelf worden aangegeven welk type wijzigingen
moet worden gemeld.
Het tweede lid regelt dat degene aan wie het verzoek is voldaan,
ook aan het verzoek moet meewerken.
Toelichting artikel 1.7:
In artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat de Algemene
Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in
gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is
bepaald. Voor zover de APV termijnen bevat die in uren worden
uitgedrukt of door terugrekening worden bepaald, is de Algemene
termijnenwet niet van toepassing. Artikel 1.7 bevat daartoe een
terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of
zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12
uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige
uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.
TOELICHTING HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN
VEILIGHEID
Algemene toelichting Hoofdstuk 2:
Afbakeningsbepalingen
Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State van 13 november, 200200616/1, en 4 december 2002,
200202921 ( www.rechtspraak.nl
, LJNnrs. AF0310 en AF1480), gepubliceerd in De Gemeentestem 2003,
7180, 34 en 35 met noten van J.M.H.F. Teunissen, en in samenvatting
in JG 03.0105 met noot van B. Rademaker, blijkt dat een groot
aantal afbakeningsbepalingen in de APV niet gehandhaafd kan worden.
Het gaat in deze uitspraken om de uitleg van een in de APV
veelgebruikte afbakeningsbepaling: ‘Het in het eerste lid gestelde
verbod geldt voorts niet voor zover (bijv.) de Woningwet, op de Wet
milieubeheer gebaseerde voorschriften, van toepassing is.’
De Afdeling heeft in genoemde uitspraken deze afbakeningsbepaling
zo uitgelegd dat als een andere hogere regeling (bijv. de
Woningwet) van toepassing is, er geen plaats meer is voor
toepasselijkheid van de APV. Uit de woorden ‘voor zover’ wordt
afgeleid dat als er bijvoorbeeld een bouwvergunning is vereist op
grond van de Woningwet, men aan de reclamevergunning op grond van
de APV niet meer toekomt. Het gevolg daarvan is dat de beoogde
werking van de APV, namelijk het aanvullen van hogere regelgeving,
teniet wordt gedaan.
Echter op 28 april 2004 is door de Afdeling bestuursrechtspraak een
uitspraak gedaan die in tegenstelling tot de vorige uitspraken wel
de aanvullende werking van de APV erkent, indien hogere regelgeving
van toepassing is ( www.rechtspraak.nl
, LJN-nr. AO8510, rolnr. 200305663/1), gepubliceerd in De
Gemeentestem 2004, 7210, 109 met noot van J.M.H.F. Teunissen.
In een recente uitspraak van 02-06-2004, 200400083/2, LJN-nr.
AP0370 legde de Afdeling de afbakeningsbepaling zo uit dat als een
andere hogere regeling (bijv. de Woningwet) van toepassing is, er
geen plaats meer is voor toepasselijkheid van de APV.
Op voorstel van de VNG is er medio 2005 voor gekozen om alle
afbakeningsbepalingen te herformuleren, omdat het niet zeker is hoe
de Afdeling over een specifiek artikel in de toekomst zal oordelen.
Hieronder wordt eerst de methodiek van afbakening uiteengezet.
Methodiek van afbakening
Er zijn drie noodzaken tot afbakening:
1. de ondergrens van de gemeentelijke bevoegdheid: strikte
privésfeer van burgers/geen uitstraling vanuit de particuliere
sfeer op het openbare leven;
2. de bovengrens: hogere regelgeving (zoals wetten of
provinciale verordeningen);
3. op hetzelfde niveau: de overige bepalingen van de APV of
andere gemeentelijke verordeningen.
Er zijn twee manieren om af te bakenen:
a. door precieze(re) formulering, door het omschrijven van
de activiteit of de gedragingen die men wil reguleren of door de
definities aan te passen aan andere wetgeving, bijvoorbeeld: ‘weg’
in de zin van de APV zou kunnen worden ‘weg’ in de zin van de
Wegenverkeerswet;
b. door middel van afbakeningsbepalingen. Als precieze
formulering niet lukt, dan moet men afbakenen.
Immers, als dat niet gedaan wordt, bestaat het risico op
onverbindendverklaring van een verordeningsbepaling op grond van de
leer van de onsplitsbare wilsverklaring. Afbakening kan echter wel
aangescherpt worden.
Dit houdt het volgende in:
1. Bekijken of de hogere regelgeving wel relevant is voor
het in de APV geregelde onderwerp. Met andere woorden kunnen de
regelingen elkaar eigenlijk wel overlappen? Als dit niet het geval
is, hoeft geen afbakening naar de hogere regelgeving plaats te
vinden.
2. In artikel 2.1.9 wordt de afbakeningsbepaling niet meer
gekoppeld aan de algemene verbodsbepaling, maar aan een specifieke
weigeringsgrond.
3. In de andere bepalingen wordt ‘voor zover’ vervangen door
‘voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door’
(volgt hogere regelgeving). De term ‘onderwerp’ wordt namelijk ook
gebruikt in artikel 122 van de Gemeentewet en ziet blijkens de
jurisprudentie, zowel op (a) de feiten (de gedragingen) die worden
geregeld door hogere regelgeving als - tegelijkertijd – op (b) de
belangen (de motieven) die met de regeling worden gediend. Met deze
redactie wordt meer dan met de oude redactie het volgende
duidelijk:
a. de enkele omstandigheid dat een bepaald feit (gedraging)
ook wordt bestreken door een 'hogere' regeling betekent
niet dat de desbetreffende APV-bepaling niet toepasselijk is. Dit
laatste is slechts het geval voor zover er tevens sprake is van een
overlapping van motieven;
b. de omstandigheid dat een bepaald belang wordt behartigd
door een 'hogere' regeling betekent niet dat de
desbetreffende APV-bepaling niet toepasselijk is. Dit is slechts
het geval voor zover beide regelingen betrekking hebben op
eenzelfde feit (gedraging).
§ 2.1 Orde en veiligheid op en aan de weg
Algemene toelichting § 2.1:
In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om
zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te
kunnen leiden. De diverse functies van de straat, onder andere voor
betogingen, optochten en evenementenfeesten e.d. wordt door
weinigen nog aangemerkt als gebruik dat daar absoluut onverenigbaar
mee is.
Wel houdt dit in, dat deze diverse functies vragen om een scheiding
dan wel regulering van het gebruik.
Het gebruik van de weg is geregeld in de artikelen 2.1.1 tot en met
2.1.8, terwijl de bruikbaarheid van de weg wordt geregeld in de
artikelen 2.1.9 tot en met 2.1.12. De artikelen 2.1.13 tot en met
2.1.23 regelen de veiligheid op de weg. De laatstgenoemde artikelen
zijn bepalingen die ieder op zich de veiligheid van het verkeer
betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving
aangemerkt kunnen worden.
Toelichting artikel 2.1.1:
In het eerste lid van artikel 2.1.1 zijn gedragingen aangegeven die
door hun dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring
van de openbare orde.
Onder "samenscholing" verstaat Van Dale: "het
groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding
aannemen of kwade bedoelingen hebben". Het begrip
“samenscholing” is ontleend aan artikel 186 Wetboek van Strafrecht
(Sr.): “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop
zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het
bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan
samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.”
Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het
karakter heeft van een betoging. Gelet op de Wet openbare
manifestaties (WOM) moeten dit soort samenscholingen van de werking
van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan
ook gebeurd.
In het tweede lid van artikel 2.1.1 is het verwijderingsbevel -
gegeven door een politieambtenaar - opgenomen. Volgens de
jurisprudentie impliceert de in de artikelen 2 en 12 van de
Politiewet omschreven taak van de politie de bevoegdheid tot het
geven van bevelen ter handhaving van de openbare orde c.a. Deze
bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke
strafbepaling een bevel van een politieambtenaar een element vormt.
Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden. De sanctionering
van het niet opvolgen van een krachtens een APV-bepaling gegeven
politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 Sr.
dan wel op grond van artikel 154 van de Gemeentewet. Het
opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het
strafbare feit van artikel 184 Sr. op en bij samenscholingen van
artikel 186 Sr.
Toelichting artikel 2.1.2: [vervallen]
In 2008 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel
opgenomen onder de evenementenbepaling (artikelen 2.2.1 en 2.2.2).
Toelichting artikel 2.1.3: [vervallen]
Toelichting artikelen 2.1.4 t/m 2.1.6:
Deze artikelen vormen een uitwerking van enkele artikelen uit de
WOM. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten
voor zover die op "openbare plaatsen" gehouden worden.
Kortom, bijeenkomsten waarbij het uiten van meningen, gedachten of
gevoelens als bedoeld in de Grondwet centraal staat.
Collectieve uitingen
De WOM heeft betrekking op "collectieve uitingen".
Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel
artikel 6 als artikel 9 van de Grondwet maken het mogelijk ook deze
onder de WOM te brengen, maar de wetgever achtte daartoe geen
behoefte aanwezig. Overigens genieten deze individuele uitingen wel
de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Van een collectieve
uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer
dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).
Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare
plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan
de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen
voorafgaande kennisgeving vereist.
Betoging
Het begrip betoging behoeft enige nadere toelichting. Blijkens de
jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een "betoging"
worden gesproken als:
- een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt,
al dan niet in beweging, en
- de groep er op uit is een mening uit te dragen.
De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij een
betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijke beleefde
gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1987,
19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld:
meningsuiting, openheid en groepsverband.
Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op
grondwettelijke bescherming. Bij de parlementaire behandeling van
artikel 9 van de Grondwet heeft de regering erop gewezen, dat de
door haar gegeven karakterisering van het begrip
"betoging" meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid
van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt
en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid
of jegens derden, geen betogingen in de zin van artikel 9 zijn. Dit
kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en
waterwegen.
De burgemeester blijft bevoegd tot optreden krachtens de artikelen
175 en 176 van de Gemeentewet. Bij betogingen waarbij ernstige
vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring
daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen,
zoals bedoeld in artikel 175, of de noodverordening zoals bedoeld
in artikel 176 van de Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het
uiterste geval dus zelfs een verbod tot het houden van een betoging
kunnen inhouden. Daarnaast kan de burgemeester naar aanleiding van
de kennisgeving op grond van artikel 5 Wet openbare manifestaties
voorschriften of beperkingen stellen.
Een voorschrift, beperking of verbod kan geen betrekking hebben op
de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te
openbaren gedachten of gevoelens.
Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden
verboden. Zo’n beperking van het recht van demonstraties kan in
beginsel niet gelegen zijn in de overweging dat onwettige
gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een betoging de
verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben.
Een kennisgeving kan in principe elke dag worden gedaan. Echter het
sturen van bijvoorbeeld een fax op zaterdagochtend, wanneer het
gemeentehuis gesloten is, is niet voldoende. Artikel 2.1.6, tweede
lid, geeft immers aan dat er vanwege de burgemeester een bewijs van
kennisgeving verstrekt moet worden, waarmee de organisator
(bijvoorbeeld ten opzichte van de politie) kan aantonen, dat
kennisgeving is gedaan. Bovendien moet de burgemeester in de
gelegenheid zijn om de kennisgeving te beoordelen. Hij zal
bijvoorbeeld overleg moeten kunnen plegen met de politie.
Toelichting artikel 2.1.7: [vervallen]
Artikel 2.1.7 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor
dienstverlening. Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen,
zoals kruiers, de scharensliep, de reiniger van voertuigen en de
glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld verdwenen, anderen
hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan besteldiensten van
pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. In 2008 is het
dienstverleningsartikel geschrapt vanwege het streven naar
vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het
bedrijfsleven (deregulering). De deregulering is ingegeven door de
opvatting dat de regeling niet (meer) voldeed aan het
noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese Dienstenrichtlijn.
Het risico van overlast of verstoring van de openbare orde en
zedelijkheid is immers niet groot bij deze vormen van
dienstverlening. Dit bleek al uit het optionele karakter van het
oude artikel. Voorts geldt voor wat betreft de verkeersveiligheid
artikel 5, van de Wegenverkeerswet 1994, dat bepaalt dat ieder zich
zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt
veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd.
Toelichting artikel 2.1.8:
De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar,
filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde
lid, Grondwet. De betekenis van het begrip 'openbaren van
gedachten of gevoelens' moet
blijkens jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7
Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd.
Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties
of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet
beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb.
365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat
door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig
wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting
dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de
genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en
verspreiding.
Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een
bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het
optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de
beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen
grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden
die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel
2.1.6a, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met
ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In
artikel 2.1.8 is dezelfde redactie gevolgd.
Op grond van het tweede lid kan de burgemeester vrijstelling of
ontheffing van het verbod verlenen.
De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
Gemeentewet.
Toelichting artikel 2.1.9:
Artikel 2.1.9 geeft de burgemeester of het college de mogelijkheid
greep te houden op situaties welke hinder of gevaar op kunnen
leveren dan wel ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit
artikel moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen op de
openbare weg van, zuilen, containers, terrasmeubilair, billboards,
reclame-uitingen,e.d., maar ook aan materialen, machines en
afzettingen ten behoeve van bouw-, verbouw-, onderhouds-,
reinigings- en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in
gebouwen.
Het tweede lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende
categorieën van gevallen.
Onder a: evenementen
Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend
op basis van artikel 2.2.2, dan hoeft geen vergunning te worden
verleend op basis van artikel 2.1.9. Deze bepaling voorkomt een
samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een
vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid
worden gewaarborgd.
Onder b: terrassen horecabedrijf
Het in artikel 2.1.9 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet
voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor door de
burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2.3.2.
Zo’n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2.3.1 deel uit
van die inrichting. Daarom is hier een afbakeningsbepaling
opgenomen. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat
behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw.
In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek
openstaand gebouw of een in artikel 2.3.1 bedoelde inrichting en
het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de
in artikel 2.1.9 bedoelde eisen worden gesteld en is het college
het bevoegd gezag.
Onder c: standplaatsen
Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop
artikel 5.2.3 van toepassing is.
Onder d: winkeluitstallingen
Met deze bepaling krijgen ondernemers enerzijds de gelegenheid
geboden om uitstallingen en reclame-uitingen bij hun bedrijf te
plaatsen, maar worden tegelijkertijd kaders aangegeven om een
wildgroei van winkeluitstallingen te voorkomen en terug te dringen.
Deze wildgroei is niet alleen uiterst publiekonvriendelijk is, maar
doet ook afbreuk aan de gewenste kwaliteitsverbetering van de
buitenruimte en het openbare gebied. Motieven achter dit artikellid
zijn:
- het waarborgen van de verkeersvrijheid in de meest ruime
zin van het woord; met name het voetgangersverkeer moet onbelemmerd
kunnen plaatsvinden, alsook de doorgang van de verzorgende diensten
(politie, brandweer en GGD);
- handhaving van de openbare orde;
- beperken of voorkomen van overlast.
In dit artikellid is vastgelegd dat reclameborden en andere
reclameobjecten bij winkels eveneens onder het begrip
'winkeluitstalling' worden begrepen. Een winkeluitstalling
kan dus bestaan uit goederen en één reclame-uiting.
Onder f: andere categorieën
Op grond van dit onderdeel kan het college of de burgemeester
categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het
eerste lid van artikel 2.1.9 niet geldt. Hierbij kan worden gedacht
aan het uitsteken van vlaggen, voor zonneschermen, van voorwerpen
of stoffen die kortstondig op de weg worden geplaatst in verband
met laden of lossen of voor het verrichten van kleinschalige
onderhoudswerkzaamheden op de weg. Ook het plaatsen van
verhuiscontainers en kleine containers ten behoeve van sloopafval
gedurende een korte periode van maximaal 5 dagen valt onder deze
vrijstelling, mits deze plaatsing het veilig en doelmatig gebruik
van de weg niet belemmert en niet in strijd is met de
Wegenverkeerswet.
De exacte categorieën staan in het Aanwijzingsbesluit dat terug te
vinden is op www.bds.rotterdam.nl
.
Derde lid
Met het derde lid heeft het college de mogelijkheid om in te spelen
op afwijkende situaties waarbij een andere situering van de
uitstallingszone wenselijk is (bijvoorbeeld in het midden van een
straat in een winkelcentrum in plaats van langs de gevels) of
grotere formaten of aantallen toe te staan.
Vierde lid
Het verbod van artikel 2.1.9 is niet van toepassing op voorwerpen
waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een
vergunningsstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met
artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting).
Het is op grond van artikel 2.1.1 wel verboden om uitingen te doen
als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.
Vijfde lid
Het vijfde lid regelt dat wanneer het Rijk, de provincie, de
gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar
publiekrechtelijke taak handelt, zij geen vergunning op grond van
artikel 2.1.9 nodig heeft. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun
werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
Zesde lid
Regelt de afbakening met landelijke verkeerswetgeving:
Toelichting artikel 2.1.9a:
Een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.9 kan worden geweigerd of
ingetrokken:
a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan
vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;
b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
welstand;
c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast
voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.
Toelichting artikel 2.1.10: [vervallen]
Dit artikel is opgenomen in artikel 2.1.9.
Toelichting artikel 2.1.11:
Algemeen
In het kader van deregulering en vermindering van administratieve
lasten is bezien of de vergunningplicht in deze bepaling eventueel
zou kunnen worden opgeheven. Er is voor gekozen de vergunningplicht
te laten bestaan, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en
de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden
zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderingen hierin
aanbrengen. Het stellen van algemene regels in plaats van een
vergunningvereiste hebben wij wel overwogen, maar is niet goed
mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.
Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning
van het college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening
(WRO) van belang. Op grond van de WRO mag een aanlegvergunning voor
de uitvoering van bepaalde werken of werkzaamheden bij een
bestemmingsplan alleen verplicht worden gesteld om te voorkomen dat
een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de
daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving van een
verwerkelijkte bestemming. Ingevolge artikel 14 WRO mag een
vergunning alleen en moet zij worden geweigerd, indien het werk of
de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de
krachtens zodanig plan gestelde eisen.
Aan artikel 2.1.11 ligt evenwel een ander motief ten grondslag,
namelijk de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van
wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid
van die weg. Het gaat hier om het aanleggen van een weg of een weg
of de wijze van aanleg ervan te veranderen. Te denken valt hierbij
o.a. ook aan het opbreken van de verharding, in een weg te graven
of te spitten, of de aard of breedte van de wegverharding te
veranderen.
Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het
ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden.
Voorkomen kan dan worden dat wegen voortijdig aangelegd worden
waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire
openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en
verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd
sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra
kosten meebrengt.
Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven
vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke
weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is,
ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om
vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
behoeft.
Tweede lid
Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip ‘weg’ uit
de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist
voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het
openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de
vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die
feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen
is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid
daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen
worden over de wijze van verharding, breedte e.d.
Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld
aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het
tweede lid dan ook de toevoeging ‘alsmede alle niet openbare
ontsluitingswegen van gebouwen’ opgenomen. De plicht om gebouwen
door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te
sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.
Derde lid
Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de
uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of
veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden
afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
Toelichting artikel 2.1.12:
Om reden van orde en veiligheid is het van belang dat het college
regulerend kan optreden bij voornemens tot veranderingen aan de
weg. Het maken van een uitweg behoort daar zeker toe. Uit de
jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State is
duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop
dient te gedogen. Artikel 14 van de Wegenwet wordt althans door de
Afdeling rechtspraak op deze manier uitgelegd. Ten einde de
bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het echter toegestaan een
vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt
uitgewe(e)gd te regelen. In de praktijk is gebleken, dat de
weigeringsgronden gevaar voor de bruikbaarheid van de weg of het
doelmatig en veilig gebruik van de weg, zoals deze tot voor kort in
artikel 2.1.12 stonden, als te beperkt worden ervaren. De
bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente en ook
natuurwaarden blijken hierbij vaak een rol te spelen, maar waren
tot nu toe geen reden om de vergunning te weigeren. Daartoe is
artikel 2.1.12 in het derde lid aangevuld. Ook nu deze gronden wel
genoemd worden in artikel 2.1.12 zal de vergunning niet altijd
geweigerd kunnen worden wanneer bijvoorbeeld het uiterlijk aanzien
van de gemeente in het geding is. Daarnaast speelt immers het
belang van het recht op het hebben van een uitweg. Veelal zal de
oplossing kunnen worden gezocht in het verbinden van voorschriften
aan de vergunning.
Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht
opgelegd worden. Aan een uitwegvergunning kan desgewenst ook een
financiële voorwaarde worden verbonden.
Het tweede lid van artikel 2.1.12 verwijst naar artikel 1 van de
Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting artikel 2.1.13:
Deze bepaling tracht het "zwerfkarrenprobleem" enigszins
te verkleinen door de winkelbedrijven te verplichten de gebruikte
en achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Indien het
desbetreffende winkelbedrijf vergunningsplichtig is krachtens de
Wet milieubeheer, kunnen de voorschriften met betrekking tot
winkelwagentjes worden verbonden aan de milieuvergunning.
Toelichting artikel 2.1.14:
Dit artikel is bedoeld om de veiligheid van met name fietsers en
voetgangers te vergroten. Deze bepaling kan tevens worden
gehanteerd ter voorkoming van "enge plekken" in bepaalde
wijken of straten. De praktijk heeft uitgewezen dat op plaatsen
waar men vrij uitzicht heeft, minder criminaliteit voorkomt.
Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd
dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op
basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex
artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of
beplanting te verwijderen of te snoeien.
Toelichting artikel 2.1.15:
Dit artikel ziet er op toe dat ten alle tijde gebruik van de
openbare nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij
calamiteiten snel opgetreden kan worden. Tevens kan met deze
bepaling vandalistisch gedrag worden bestreden.
Het verbod geldt – vanzelfsprekend – niet voor degene die
handelingen verricht aan de nutsvoorzieningen in opdracht van de
beheerder.
Toelichting artikel 2.1.16:
De in artikel 2.1.16 opgenomen verboden hebben tot doel bosbranden
e.d. te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan.
Het verbod om te roken kan evenwel niet zover strekken, dat het
roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in of nabij
een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. Dat zou
teveel ingrijpen in de particuliere sfeer van de burgers. Het
college kan een periode aanwijzen gedurende welke het rookverbod
van kracht is. Desgewenst kan het college op ad-hocbasis
(bijvoorbeeld bij grote droogte) een periode aanwijzen.
In het derde lid van artikel 2.1.16 wordt verwezen naar een
onderdeel van artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
Strafrecht, luidende:
"Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van
de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de
nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-,
gras- of veenbrand doet ontstaan." Deze bepaling verbiedt het
roken niet, mits dat maar met de nodige omzichtigheid en voorzorg
geschiedt. Aangezien een dergelijke regeling niet of nauwelijks
handhaafbaar is, is gekozen voor een stringent rookverbod als
aanvulling op artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde
geldt min of meer voor het tweede lid van artikel 2.1.16. Het
enkele wegwerpen van bijvoorbeeld een brandende peuk is ingevolge
dit tweede lid reeds strafbaar. Het is daarbij niet van belang of
zulks al dan niet "met de nodige omzichtigheid en
voorzorg" geschiedde. Was de nodige omzichtigheid en voorzorg
i.c. niet aanwezig, dan is niet de APV, maar het Wetboek van
Strafrecht van toepassing.
Toelichting artikel 2.1.17:
Elektrische schrikdraadinstallaties worden niet meer uitsluitend in
de agrarische sector gebruikt; ook particulieren blijken er toe
over te gaan ter bescherming van hun (volks)tuin, volière en
dergelijke tegen dieven schrikdraadinstallaties aan te leggen. Aan
de deugdelijkheid daarvan zijn in het kader van deze verordening
geen eisen gesteld.
Toelichting artikel 2.1.18:
Voor de toepassing van dit artikel kan worden gedacht aan
bloempotten in geopende vensters, losse dakpannen etc.
Toelichting artikel 2.1.19:
De in het derde lid van artikel 2.1.19 genoemde uitzonderingen
hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifiek
belang - waterstaatswerken, verkeersinstallaties, trafohuisjes en
dergelijke - zich verzet tegen het aanbrengen van allerlei
voorzieningen daarop.
In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op
het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De
Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige
inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van het
desbetreffende onroerend goed al dan niet tijdelijk beperkt wordt.
Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van
artikel 2.1.19 geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen
aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve
van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het
gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.
Toelichting artikel 2.1.20: [vervallen]
Het verwijderen van voorzieningen voor verkeer en verlichting is
reeds in de artikelen 161bis, 161ter en 162 van het Wetboek van
Strafrecht geregeld. Dit APV-artikel kan komen te vervallen,
aangezien het geen meerwaarde ten opzichte van het Wetboek van
Strafrecht biedt.
Toelichting artikel 2.1.21:
Het bepaalde in artikel 2.1.21 geldt voor alle in de gemeente
aanwezige voor het publiek toegankelijke ijsvlakten. Het is daarbij
niet relevant onder wiens beheer (provincie, waterschap, gemeente)
de desbetreffende ijsvlakte valt.
Toelichting artikel 2.1.22: [vervallen]
Toelichting artikel 2.1.23:
Het slapen op de openbare weg wordt als hinder beschouwd en draagt
bij aan de verloedering van de stad. De onderhavige bepaling is
echter niet alleen bedoeld om het slapen op de openbare weg tegen
te gaan, maar ook het zogenaamde "wildkamperen". Onder
meer in de deelgemeente Hoek van Holland heeft men vooral in de
zomermaanden te kampen met de nodige overlast van toeristen die
langs de weg in auto's, caravans, kampeerauto's e.d.
overnachten. Aldus ontstaan al snel "informele campings".
Ook het gebrek aan sanitaire voorzieningen draagt bij aan de
verloedering ter plekke. Bij de handhaving van dit artikel staat
voorop dat de eisen van proportionaliteit in acht worden genomen.
Zo valt onder andere het slapen op de openbare weg door kinderen in
een kinderwagen niet onder de reikwijdte van dit artikel.
Het verblijf met auto's, caravans e.d. op openbare
groenstroken, in parken e.d. is reeds verboden op grond van artikel
5.1.12, van deze verordening.
Toelichting artikel 2.1.24: [vervallen]
De meldingsplicht bij voorvallen met gevaarlijke stoffen is komen
te vervallen.
§ 2.2 TOEZICHT OP EVENEMENTEN
Algemene toelichting § 2.2:
Het is gewenst in de APV een regeling op te nemen die het houden
van evenementen tot onderwerp heeft. De laatste decennia worden op
grote schaal openbare vermakelijkheden georganiseerd, die een
uitstraling (kunnen) hebben op de openbare orde en als zodanig
onderwerp van gemeentelijke regelgeving kunnen zijn. Daarbij is
onderscheid gemaakt tussen twee categorieën evenementen: gewone
evenementen (artikelen 2.2.1 en 2.2.2) en grootschalige evenementen
(artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.5).
Juist vanwege het feit dat wij hier te maken hebben met een
verschijnsel dat in maatschappelijk opzicht geaccepteerd is en in
de meeste gevallen zelfs gewaardeerd wordt, is - althans voor de
"gewone evenementen" - in het verleden gekozen voor de
kennisgeving in plaats van de vergunning als het minst zware en
bezwarende gemeentelijke controlemiddel.
De inwerkingtreding van de Awb leverde echter de vraag op hoe een
kennisgevingsstelsel zich verhoudt tot deze wet. Het kernbegrip in
de Awb is het woord “besluit”. Omdat een kennisgevingsstelsel het
bestuursorgaan niet verplicht tot het nemen van een schriftelijk
besluit, is het risico aanwezig dat bij de toepassing van een
kennisgevingsstelsel de belangen van derden niet meegenomen worden,
terwijl deze zeker bij grootschalige evenementen van groot belang
kunnen zijn. Het bestuursorgaan kan bijvoorbeeld mondeling
toestemming verlenen voor het organiseren van de activiteiten
waarvan kennisgeving is gedaan.
Voor de zogenaamde grootschalige evenementen, waarbij - in
Rotterdam - vooral kan worden gedacht aan evenementen als
voetbalwedstrijden van de Rotterdamse betaalde voetbalclubs, de
marathon e.d., bestond reeds een vergunningsstelsel. De handhaving
van de openbare orde rond dergelijke evenementen vereist - zo heeft
de praktijk geleerd - een intensieve overheidsbemoeienis.
Toelichting artikel 2.2.1: [vervallen]
Dit artikel is naar hoofdstuk 1 verplaatst.
Toelichting artikel 2.2.2:
Voor de procedurele aspecten van de vergunningaanvraag en de
beslissing op deze aanvraag zij verwezen naar de artikelen 1.2
(beslistermijn) en 1.3 (te late indiening aanvraag) van de APV.
De term “organiseren” uit het eerste lid heeft niet alleen
betrekking op het houden van een evenement, maar ziet tevens op de
voorbereiding en de afbouw van het evenement.
De aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen onder meer
betrekking hebben op de plaats, het tijdstip en de
"inrichting" van het evenement, het maximaal toe te laten
aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator
zelf te nemen maatregelen ter waarborging van orde en veiligheid,
de verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het
evenement per openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te
geven etc. Met de “inrichting” wordt bedoeld de indeling van het
evenemententerrein en de opstelling van de diverse voorzieningen
ten behoeve van het evenement, zoals toiletten, (drang)hekken,
podia en tribunes.
Toelichting artikel 2.2.2a:
Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een barbecue,
straatfeesten of feest op eigen terrein in de open lucht is in het
kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger
gekozen voor het toepassen van een algemene regel.
Het moet gaan om kleinschalige eendaagse activiteiten die zich in
de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te
bieden. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene
regels in combinatie met het doen van een melding geeft
organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk
ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die
openbare ruimte.
Een eendaags evenement kan met een melding worden afgedaan, indien
aan alle hieronder genoemde vereisten wordt voldaan:
a. het evenement een feest op eigen terrein, barbecue of
straatfeest in de openlucht betreft;
b. het aantal bezoekers in zijn totaliteit (en dus niet op
enig moment) niet meer bedraagt dan 249 personen;
c. het evenement op doordeweekse dagen en de zaterdag tussen
9 en 23 uur of op de zondag tussen 13 en 23 uur plaatsvindt;
d. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige
geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A). Uitgangspunt is dat
evenementen die met een kennisgeving afgedaan worden nauwelijks
geluidsoverlast bij omwonenden mogen veroorzaken. Hierbij wordt het
ten gehore brengen van onversterkte levende muziek en versterkte
achtergrond muziek nog acceptabel geacht. Omdat het slechts
achtergrond muziek betreft is versterkte levende muziek niet
mogelijk;
e. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, fiets-,
bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering
vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een
oppervlakte van minder dan 2 m 2 per object;
g. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;
h. er een organisator is;
i. de organisator de burgemeester ten minste 4 weken
voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een door de
burgemeester vastgesteld meldingsformulier; en
j. indien binnen 1 week na ontvangst van het
meldingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is
verzonden kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden.
In onderdeel k staat ten slotte nog genoemd dat de organisator een
ontvangstbevestiging van zijn melding moet kunnen tonen. Met deze
ontvangstbevestiging wordt aangetoond dat de melding daadwerkelijk
heeft plaatsgevonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan een
meldingsplichtig evenement geen doorgang vinden.
Toelichting artikel 2.2.3:
Bezien moet worden of en, zo ja, in hoeverre de wenselijk geachte
inzet van politie, GHOR, brandweer en gemeentelijke diensten in de
planning van de totaal beschikbare formatie kan worden ingepast.
Voor de politieformatie geldt de voor de "resterende"
reguliere politietaken minimaal noodzakelijke sterkte als
belangrijkste criterium.
In 2001 is een notitie verschenen over
verantwoordelijkheidstoedeling tussen vergunningverlener,
organisator en overheidsdiensten en het alcoholbeleid rond
evenementen. Daarbij zijn de uitgangspunten dat de organisator
primair verantwoordelijk is voor een ordelijk en veilig verloop van
zijn evenement en dat het nuttigen van alcohol in het publieke
domein niet is toegestaan.
In 2003 is de handreiking fysieke veiligheid ten behoeve van de
beheersing van evenementen in Rotterdam vastgesteld. Daarin wordt
een model voor de ontwikkeling van veiligheidsplannen voor
evenementen beschreven. De handreiking bevat uitgangspunten voor de
bereikbaarheid en een checklist met veiligheidsmaatregelen. De
plannen van organisatoren van grootschalige evenementen dienen te
passen binnen de kaders die de handreiking schetst.
In het uiterste geval - indien en voor zover de organisatoren niet
bereid of in staat zijn om zélf genoegzaam in het treffen van
noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en tevens
onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is - opent het artikel de
mogelijkheid het evenement geheel, dan wel op een bepaalde plaats
of tijd te verbieden.
Toelichting artikel 2.2.4: [vervallen]
Toelichting artikel 2.2.5:
Het derde en het vierde lid van artikel 2.2.5 zijn ontleend aan de
inhoud van noodverordeningen van de burgemeester, die in het
verleden bij gelegenheid van sommige grootschalige evenementen zijn
uitgevaardigd. De in deze leden strafbaar gestelde gedragingen
komen vooral bij grootschalige evenementen voor, zowel op het
evenemententerrein als daarbuiten. De raad is bevoegd dergelijke
gedragingen strafbaar te stellen, aangezien hij daardoor geen
inbreuk maakt op wettelijke regelingen (de burgemeester is tot het
maken van een dergelijke inbreuk wél bevoegd op grond van de
artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet). Het voordeel van regeling
door de raad is, dat de burgemeester in voorkomende gevallen minder
frequent behoeft te grijpen naar de noodmaatregelen als bedoeld in
de voornoemde artikelen van de Gemeentewet.
§ 2.3 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
Algemene toelichting § 3.3:
Sinds maart 1993 valt de gehele horecabranche onder de werking van
de Wet milieubeheer. Onder horecabranche wordt in dit verband
verstaan: hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria's,
snackbars en discotheken, alsmede aanverwante inrichtingen waar
logies wordt verstrekt, tegen vergoeding dranken worden geschonken
of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Deze
inrichtingen zijn ondergebracht in bijlage I, categorie 18 van het
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb, Stb. 1993,
50).
Meer in het bijzonder gelden voor horeca-inrichtingen de regels van
het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Dit
besluit heeft per 1 januari 2008 het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer vervangen. Inrichtingen die in
het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna:
het Besluit) worden genoemd zijn niet milieuvergunningsplichtig,
maar dienen te voldoen aan de algemene regels die het Besluit
stelt. Het Besluit heeft betrekking op hetgeen plaatsvindt binnen
het horecabedrijf, daartoe behorende terrassen en de directe
omgeving.
Bij de opzet van het Besluit is getracht geen aspecten te regelen
die reeds in andere kaders worden gereguleerd. Vanuit dit
gezichtspunt wordt in het Besluit expliciet vermeld dat het voor de
gemeenten ruimte overlaat om overlast betreffende de openbare orde
tegen te gaan met behulp van een gemeentelijke verordening. In het
Besluit wordt aangegeven dat daarbij gedacht wordt aan overlast
door bezoekers van horecabedrijven, de gebruikers en bezoekers van
recreatie-inrichtingen, geluidhinder door vrachtwagens, bromfietsen
etc.
Door de gekozen opzet is de afbakening tussen enerzijds de Wet
milieubeheer en anderzijds plaatselijke verordeningen duidelijker
geworden. De direct aan de inrichting gerelateerde vormen van
verstoring van het milieu vallen onder het toepassingsgebied van de
Wet milieubeheer. De voorschriften van het Besluit richten zich in
beginsel ook op de indirecte gevolgen, die de inrichting kan
veroorzaken, voor zover deze liggen in de macht van de exploitant
van de inrichting. De andere gevolgen die een bedrijf of een
collectief van bedrijven direct of indirect met zich mee kan
brengen en die een aantasting van de openbare orde of het woon- en
leefklimaat mogelijk maken, kunnen in de APV worden gereguleerd.
Voor wat betreft de horeca-inrichtingen die op grond van de
bepalingen van de Wet milieubeheer een milieuvergunning van het
college nodig hebben kan het volgende worden opgemerkt. De raad kan
niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder ten gevolge van
een milieuvergunningsplichtige inrichting tegengaan. Dat kan
slechts door middel van de beslissing omtrent verlening van deze
milieuvergunning. Het college is op grond van de jurisprudentie
gehouden (ter bestrijding van hinder door komende en gaande
bezoekers) aan die milieuvergunning een voorschrift met betrekking
tot de openings- en sluitingstijden van de betreffende inrichting
verbinden. Het college mag daarbij - blijkens de jurisprudentie -
slechts rekening houden met "normale" hinder in de nabije
omgeving van de inrichting. Alleen deze soort overlast is namelijk
te beschouwen als hinder in de zin van de Wet milieubeheer.
Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast op een of
meer straten van de inrichting vandaan, vallen niet onder
"hinder" in de zin van de Wet milieubeheer, maar kunnen
worden bestreden via de APV. Dit heeft tot consequentie, dat de in
artikel 2.3.9 van deze verordening geregelde openings- en
sluitingstijden ook van toepassing zijn op inrichtingen, die
milieuvergunningsplichtig zijn. Deze bepaling is (anders dan een
sluitingsuurvoorschrift verbonden aan een vergunning ingevolge de
Wet milieubeheer) immers niet toegespitst op de specifieke situatie
in en rond een bepaalde inrichting, maar richt zich tegen de
negatieve invloed van de aanwezigheid van de inrichting als zodanig
op de openbare orde en het woon- en leefklimaat ter plaatse: het
karakter van de straat en de wijk, de gevolgen voor het woonmilieu.
Aangezien de Wet milieubeheer en de APV van verschillende motieven
uitgaan hebben inrichtingen die vallen onder de
milieuvergunningsplicht van de Wet milieubeheer evenzeer een
exploitatievergunning op grond van de APV nodig. Het ligt daarbij
voor de hand, dat de opening- en sluitingstijden in de
milieuvergunning door het college worden afgestemd op de
APV-openings- en sluitingstijden.
Naast een exploitatievergunning op grond van de APV of een
milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer kan degene die
een inrichting als bedoeld in deze paragraaf wil gaan drijven nog
andere vergunningen nodig hebben. Met name worden hier genoemd de
vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (voor het schenken
van alcoholhoudende drank), alsmede de gebruiksvergunning,
gebaseerd op hoofdstuk 6 van de Bouwverordening. Deze laatste
vergunning betreft het brandveilig gebruik van de betreffende
inrichting.
Coffeeshops
Op 1 oktober 2007 is ‘Het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2007’ in
werking getreden. Centraal in het coffeeshopbeleid staat de
ontmoediging van het softdrugsgebruik door strikte handhaving en
actieve voorlichting en ook door substantiële beperking van het
softdrugsaanbod via de coffeeshops en vanuit het illegale circuit.
Een Rotterdamse coffeeshop is een alcoholvrije horeca-inrichting,
die zich aan de landelijke justitiële gedoogcriteria houdt, die
beschikt over een exploitatievergunning met een beperkte
geldigheidsduur (voor maximaal één jaar) op grond van de APV en die
op basis van artikel 13b Opiumwet voldoet aan de aanvullende
bestuursrechtelijke voorschriften.
De coffeeshop dient zich bij de exploitatie te houden aan de
landelijke justitiële gedoogcriteria oftewel de AHOJG-plus
criteria. Die houden in:
A: geen Affichering; coffeeshops mogen geen reclame maken
voor hun handelswaar, anders dan een summiere aanduiding op de
betreffende lokaliteit;
H. geen verkoop van Harddrugs; coffeeshops mogen geen
harddrugs verkopen en/of voorhanden hebben;
O: geen Overlast; coffeeshops mogen geen overlast
veroorzaken (onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast,
geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop
rondhangende klanten);
J: geen toegang en geen verkoop aan Jeugdigen; coffeeshops
mogen geen bezoekers onder de 18 jaar toelaten;
G: geen verkoop Grote hoeveelheden; coffeeshops mogen niet
meer dan 5 gram cannabis per transactie verkopen en niet meer dan
500 gram cannabis in voorraad hebben;
plus: geen verkoop in combinatie met alcohol; coffeeshops
mogen geen alcoholische dranken schenken (het ‘plus-criterium’).
Onder de lokale, aanvullende bestuursrechtelijke criteria vallen
onder meer de sobere vergunning, het verbod op loketverkoop aan de
straat en de uniformiteit in openings- en sluitingstijden. Sinds 1
oktober 2007 behoren hiertoe ook het open karakter van coffeeshops,
afschrift van goed betalingsgedrag Belastingdienst, verplichte
voorlichting in de coffeeshops ingegeven door
preventie-certificering en de afstandscriteria tot scholen voor
voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en speciaal
basisonderwijs.
Wet BIBOB
Vanaf 1 juni 2003 is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur (Wet BIBOB) van kracht. Op basis van deze
wet beschikken gemeenten, naast de weigerings- en
intrekkingsgronden genoemd in de APV, over een nieuwe mogelijkheid
om de vergunning voor een horeca-inrichting, coffeeshop,
seksinrichting of speelautomatenhal te weigeren of in te trekken op
grond van het vermoeden van een ernstig gevaar dat door middel van
de vergunning voordelen uit strafbare feiten worden verkregen of
strafbare feiten worden gepleegd. Ook Rotterdam zal deze
zelfstandige weigerings- en intrekkingsgrond gaan gebruiken als
instrument bij de belemmering van criminele activiteiten in de
stad. Voor de toepassing van deze wet in Rotterdam wordt verwezen
naar de “Rotterdamse beleidslijn Wet BIBOB met betrekking tot
horeca-inrichtingen, seksinrichtingen en coffeeshops”.
Toelichting artikel 2.3.1:
De begripsartikelen van dit artikel zijn naar artikel 1.1
verplaatst.
Toelichting artikel 2.3.2:
In artikel 2.3.2, eerste lid, is het exploiteren van een inrichting
zonder exploitatievergunning expliciet strafbaar gesteld.
Voorheen stond in artikel 2.3.2 de voorlopige vergunning als aparte
vergunning genoemd. De voorlopige vergunning is een reguliere
exploitatievergunning bedoeld voor overnames van bestaande
inrichtingen en voor het te laat aanvragen van de verlenging van de
bestaande vergunning. Daar de voorlopige vergunning een bijzondere
vorm is van de reguliere exploitatievergunning en daarop in
principe dezelfde bepalingen uit de APV van toepassing zijn, is in
het kader van deregulering besloten de voorlopige vergunning uit de
APV te halen. De voorlopige vergunning blijft echter wel bestaan.
Het beleid omtrent de voorlopige vergunning is neergelegd in de
horecanota 2007-2011.
Het tweede lid van artikel 2.3.2 bepaalt dat een oude vergunning
vervalt bij de inwerkingtreding van de nieuwe vergunning. Op deze
wijze wordt voorkomen dat er twee vergunningen tegelijkertijd naast
elkaar bestaan.
Het derde lid van artikel 2.3.2 bepaalt dat de vergunning wordt
aangevraagd door de exploitant. Op de vergunning worden zowel de
exploitant(en) als de beheerder(s) van de inrichting vermeld, zodat
bekend is wie als zodanig in de inrichting mag optreden.
Uit artikel 1.5 van de APV vloeit voort dat de vergunning
uitsluitend wordt verleend aan de exploitant. De exploitant is de
vergunninghouder. De exploitatievergunning heeft een
persoonsgebonden karakter, d.w.z. dat de exploitatievergunning niet
overdraagbaar is. In het concreet betekent dit dat bij een
eventuele overname de rechtsopvolger van de vertrekkende exploitant
niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn
vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode
dat de vergunningaanvraag behandeld wordt, moet de inrichting
gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende exploitant de
exploitatie pas beëindigt nadat op de nieuwe aanvraag is beslist.
Toelichting artikel 2.3.2a:
De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk
tijdens de openingsuren van de inrichting. De exploitant is te
allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de
inrichting afspeelt. Deze bepaling is tevens opgenomen om effectief
tegen schijnbeheer op te kunnen treden.
Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, kan de
inrichting door de burgemeester gesloten worden of kan de verleende
exploitatievergunning ingetrokken worden (zie artikelen 2.3.6 en
2.3.7). Onder strafbare feiten wordt in ieder geval begrepen, de
feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
(mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging)
van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
en in de Wet wapens en munitie.
Op grond van het derde lid kan de burgemeester categorieën van
inrichtingen of specifieke inrichtingen aanwijzen die uitgezonderd
zijn van de verplichte aanwezigheidseis. De regels van de Awb zijn
van toepassing op de wijze van bekendmaking. De in deze bepaling
bedoelde aanwijzing zal worden vastgelegd in de "Nadere regels
voor openbare inrichtingen”.
Toelichting artikel 2.3.3:
Onder de hier bedoelde categorieën kunnen bijvoorbeeld worden
begrepen: kantines, inrichtingen in winkels (koffiehoeken e.d.),
inrichtingen in musea, crematoria, rouwcentra. Het in deze bepaling
bedoelde besluit van de burgemeester is vastgelegd in de “Nadere
regels voor openbare inrichtingen”. Door het opheffen van de
vergunningplicht kunnen de inrichtingen die van de vergunningplicht
worden vrijgesteld zonder voorafgaande toestemming een inrichting
exploiteren. Artikel 2.3.3, tweede lid, geeft als rechtstreekse
norm dat de exploitatie van de inrichting echter ook dan de woon-
en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op
ontoelaatbare wijze nadelig mag beïnvloeden. Indien nodig kan met
het oog op de naleving met de in lid twee genoemde norm
bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom worden opgelegd. Een
vergunningvrije inrichting is nog steeds een inrichting op grond
van de APV. Dit betekent dat de regels in de APV, o.a. de
sluitingsbevoegdheid van de burgemeester, onverkort van toepassing
zijn op deze inrichtingen.
Een exploitant en beheerder dienen de leeftijd van 21 jaar te
hebben. Op grond van het eerste lid, sub c, kan de burgemeester
categorieën van inrichtingen of specifieke inrichtingen aanwijzen
waarbij de leeftijdsgrens van de exploitant op 18 jaar wordt
gesteld. De in deze bepaling bedoelde aanwijzing zal worden
vastgelegd in de "Nadere regels voor openbare inrichtingen”.
De regels van de Awb zijn van toepassing op de bekendmaking van
deze nadere regels.
Toelichting artikel 2.3.4:
Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning
zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Een aanvraag voor een exploitatievergunning dient
schriftelijk te worden ingediend bij de burgemeester. De aanvraag
moet worden ondertekend en tenminste de naam, het adres, de
dagtekening en een aanduiding van de gevraagde beslissing bevatten.
Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan van alle gegevens die
nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen.
Bij de toepassing van artikel 2.3.4 geldt als uitgangspunt, dat de
in de tijd eerst ingediende vergunningaanvraag in behandeling wordt
genomen. Tweede en opvolgende vergunningaanvragers voor één
inrichting worden in hun aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Toelichting artikel 2.3.5: [vervallen]
Dit artikel is naar hoofdstuk 1 verplaatst.
Toelichting artikel 2.3.6:
De algemene weigerings- en intrekkingsgronden staan vermeld in
artikel 1.6. In artikel 2.3.6 staan daarnaast de meer specifieke
weigerings- en intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen. In
het eerste lid staan de imperatieve weigerings- en
intrekkingsgronden genoemd. Teneinde een betere afstemming te
verkrijgen tussen planologische en openbare orde-eisen die aan de
in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in het
eerste lid van artikel 2.3.6 "strijd met een geldend
bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of
leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en
dorpsvernieuwing" opgenomen als imperatieve weigeringsgrond
voor een exploitatievergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat
de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen
voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het
bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is.
Deze koppeling van planologie en openbare orde is in
overeenstemming met de geldende jurisprudentie terzake. Bij het
oordeel of in casu sprake is van "strijd met een geldend
bestemmingsplan of met een st adsvernieuwingsplan of
leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en
dorpsvernieuwing" zal de burgemeester zich verlaten op het
oordeel van het college (in de praktijk de portefeuillehouder
ruimtelijke ordening en zijn ambtenaren).
In het eerste lid, onder d, staat dat de exploitant of beheerder de
leeftijd van eenentwintig jaar dient te hebben. Deze eis geldt niet
indien sprake is van een categorie van een inrichting of
inrichtingen waarvan de leeftijdseis op 18 jaar is gesteld (artikel
2.3.3, eerste lid, onder c).
Voor een goede regulering van het horecabeleid is het noodzakelijk
dat er een aantal kwaliteitseisen aan de exploitant en de
beheerders worden gesteld. Zo mogen zij niet onder curatele staan,
niet ontzet zijn uit de ouderlijke macht of de voogdij, dienen zij
de leeftijd van eenentwintig jaar te hebben bereikt en mag er geen
sprake zijn van slecht levensgedrag. Indien niet aan deze eisen
wordt voldaan, wordt de exploitatievergunning geweigerd dan wel
ingetrokken.
Naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in de Drank-
en Horecawet, vindt altijd een antecedententoets van de exploitant
en beheerder plaats. Voor de reikwijdte van het begrip “niet in
enig opzicht van slecht levensgedrag” moet aansluiting worden
gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De
toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden.
Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van
slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er
geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen
worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002,
200106008/1). Op basis van de huidige jurisprudentie is een
onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de
terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht
levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2).
Artikel 15 van de Wet politieregisters biedt de bevoegdheid om bij
het verstrekken van exploitatievergunningen over politiegegevens te
beschikken en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing. De
burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de
openbare orde en veiligheid kunnen beschikken over alle relevante
informatie over eventuele onveiligheid in voor publiek
toegankelijke ruimten. Op basis van artikel 15 kan deze informatie
ter kennisneming aan de burgemeester worden gegeven. Het initiatief
van deze informatie-uitwisseling kan zowel bij de gemeente als bij
de politie liggen. Op grond van de verstrekte politiegegevens kan
een exploitatievergunning voor het exploiteren van een inrichting
worden geweigerd dan wel worden ingetrokken of een inrichting
worden gesloten.
De in het tweede lid van artikel 2.3.6 opgenomen weigerings-,
intrekkings- en wijzigingsgronden spreken grotendeels voor zichzelf
en komen tegemoet aan de eisen van de praktijk. Algemene
achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten
of beheerder meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op
hun doen en laten. Aan de exploitanten of beheerder als bedoeld in
deze paragraaf dienen hoge eisen te worden gesteld voor wat betreft
hun levenswandel. Ook dienen zij te beschikken over het nodige
"gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In
die zin begrepen mag de klant geen koning zijn. Exploitanten of
beheerders die terzake in gebreke blijven, lopen het ernstige
risico, dat hun exploitatievergunning door de burgemeester wordt
ingetrokken.
In het tweede lid van artikel 2.3.6, onder a, wordt in het kader
van de openbare orde een ruimer omgevingsbegrip gehanteerd. De
burgemeester heeft daardoor een lichtere bewijslast. Overigens
leert de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van
State, dat de burgemeester op zich aannemelijk kan maken, dat
aantasting van de woon- of leefsituatie in een gemeente wordt
veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal
inrichtingen in zijn gemeente. Volgens de Afdeling ontslaat dat de
burgemeester evenwel niet van de verplichting per inrichting aan te
tonen of aannemelijk te maken, dat en in hoeverre door de
aanwezigheid van die inrichting, dan wel door de manier van
exploiteren ervan, de woon- of leefsituatie in de omgeving nadelig
wordt beïnvloed. Een belangrijk hulpmiddel bij het motiveren van
het gevoerde beleid kan een horecanota of een vergelijkbaar
beleidsstuk zijn. Desgewenst kunnen hierin met opgave van redenen
een maximumaantal te verlenen vergunningen worden vermeld alsmede
horecaconcentratie- en horecastiltegebieden worden aangewezen.
Een nieuwe exploitatievergunning moet worden aangevraagd bij een
wijziging in de exploitant (ook rechtsvorm) en bij een wijziging in
de exploitatie (o.a. wijziging van activiteiten). Dit betekent o.a.
dat voor het bijschrijven van een exploitant en voor een wijziging
in de ondernemersvorm een nieuwe exploitatievergunning vereist is.
Een uitzondering hierop vormt het geval dat slechts een van de
exploitanten ophoudt met exploiteren. In dat geval is een melding
aan de burgemeester als bedoeld in artikel 2.3.11a, tweede lid,
voldoende. Naast wijzigingen in de exploitant dient ook bij een
wijziging in de activiteiten van de inrichting (exploitatievorm)
een nieuwe exploitatievergunning te worden aangevraagd. Indien geen
nieuwe exploitatievergunning wordt aangevraagd, kan de burgemeester
deze op grond van het tweede lid, onder g, intrekken. Hieruit volgt
impliciet dat naast wijzigingen in de exploitant ook een gewijzigde
exploitatie te allen tijde moet worden gemeld aan
vergunningverlener.
Artikel 2.3.6, tweede lid, onder h: sinds 1 januari 2005 wordt een
aantal overtredingen uit de Wet arbeid vreemdelingen aangemerkt als
een beboetbaar feit in plaats van een strafbaar feit. Het is
wenselijk om eveneens tegen deze beboetbare feiten te kunnen
optreden, omdat een gezonde en goed functionerende horeca
vooropstaat. Hierbij is er geen plaats voor exploitanten die
(herhaaldelijk) een wettelijk voorschrift overtreden.
In het derde lid van artikel 2.3.6, onder d, staat het
toetsingscriterium inzake de bedrijfsvoering van de exploitant of
beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen. In
de praktijk is gebleken, dat "slechte exploitanten", die
bijvoorbeeld elders in een andere inrichting door eigen schuld
getroffen zijn door bestuurlijke strafmaatregelen als bestuursdwang
(sluiting van een inrichting), vrij gemakkelijk weer ergens anders
kunnen beginnen. De burgemeester moest dan maar aantonen, dat de
exploitatie van de nieuwe inrichting waarschijnlijk ook fout zou
gaan lopen. Teneinde meer grip te krijgen op de persoon van de
exploitant of beheerder (en dus op de exploitatievergunning), is
"het verleden" van de betreffende exploitant of beheerder
in de horecabranche voor de burgemeester een extra
toetsingscriterium.
Toelichting artikel 2.3.7:
De in het eerste lid van artikel 2.3.7, onder c, genoemde
sluitingsgrond verschaft de burgemeester de mogelijkheid een
inrichting (tijdelijk) te sluiten, zónder dat hij vooraf dient over
te gaan tot tijdelijke of voor onbepaalde tijd bedoelde gehele of
gedeeltelijke intrekking van de exploitatievergunning. In een
dergelijke situatie zouden dan theoretisch twee beroepsprocedures
in dezelfde zaak naast elkaar kunnen worden aangespannen, hetgeen
zo mogelijk vermeden dient te worden. Het kan daarnaast zo zijn,
dat de burgemeester het om redenen van openbare orde nodig oordeelt
een bepaalde inrichting tijdelijk te sluiten, zonder dat dit hoeft
te leiden tot (tijdelijke) intrekking van de exploitatievergunning.
In het geval dat de exploitant de exploitatie van een inrichting
heeft beëindigd vervalt de verleende exploitatievergunning van
rechtswege (artikel 2.3.11a). De burgemeester kan de betreffende
inrichting dan sluiten op grond van onderdeel a: er wordt
geëxploiteerd zonder exploitatievergunning.
In het derde lid van artikel 2.3.7 wordt de mogelijkheid geboden,
dat de burgemeester een sluiting op verzoek van belanghebbende(n)
opheft. In de praktijk sluit de burgemeester een inrichting meestal
voor een bepaalde duur. Artikel 2.3.7 voorziet ook in de
mogelijkheid voor belanghebbende(n) om aan de burgemeester
tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen.
Toelichting artikel 2.3.8:
De belangen, genoemd in artikel 2.3.8, tweede lid, zijn aanvullend
ten opzichte van voorschrift 4.1.4, aanhef en onder c, van de
bijlage onder B van het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer, waarin met zoveel woorden is
bepaald dat het bevoegd gezag - in relatie met milieuhinder - een
nadere eis kan stellen ten aanzien van de situering van een terras.
Deze bepaling geldt dus in zijn algemeenheid voor alle terrassen.
Bij de vergunningverlening zal de burgemeester hiermee
uitdrukkelijk rekening moeten houden.
Artikel 2.3.8, vierde lid, is opgenomen teneinde verkapte
uitbreiding van terrassen met vergunning en de daarmee
samenhangende overlast tegen te gaan.
Toelichting artikel 2.3.9:
De openings- en sluitingstijden van exploitatievergunningsplichtige
inrichtingen worden in deze verordening door de raad vastgesteld.
De burgemeester kan op verschillende manieren ontheffing verlenen.
Op de consequenties van de invoering van de Wet milieubeheer voor
de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen - met name voor wat
betreft de regeling van openings- en sluitingstijden - is in de
algemene toelichting bij deze paragraaf reeds ingegaan. Hier zij
daarnaar verwezen.
Teneinde de zogenaamde horecaoverlast effectief te kunnen
bestrijden, zal een stringent ontheffingenbeleid moeten worden
gevoerd. Uitzonderingen op de regel moeten mogelijk zijn, maar het
moet niet zo ver komen, dat uitzondering de regel is.
Met de ontheffingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2.3.9, derde
lid, aanhef en onder a, is bedoeld ruimte te bieden voor
ontheffingen voor speciale categorieën van inrichtingen. Het gaat
daarbij om nader door de burgemeester aan te wijzen categorieën van
inrichtingen, waarin de horeca een ondersteunende functie heeft ten
opzichte van maatschappelijke activiteiten buiten de uniforme
openings- en sluitingstijden. Gedacht kan worden aan typische
chauffeurscafés, bars in hotels e.d. In de exploitatievergunning
voor dergelijke inrichtingen kan de burgemeester op de concrete
situatie aangepaste openings- en sluitingstijden vastleggen.
De ontheffingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2.3.9, derde lid,
aanhef en onder b, biedt de burgemeester de mogelijkheid voor
individuele inrichtingen een zogenaamde "nachtontheffing"
af te geven. De exploitant zal dan eerst concreet moeten aangeven
hoe hij zal voorkomen dat zijn exploitatie een nadelige invloed
heeft op de openbare orde of op de woon- of leefsituatie in de
naaste omgeving van die inrichting. Een en ander zal door de
burgemeester per locatie en per inrichting worden getoetst.
In het vierde lid is bepaald dat het niet mogelijk is om
tegelijkertijd een ontheffing als bedoeld in sub a en sub b van het
derde lid te hebben. Dit betekent in de praktijk dat de
ochtendontheffing en de nachtontheffing elkaar wederzijds
uitsluiten.
In lid vijf is bepaald dat de burgemeester de nacht- of
ochtendontheffing tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of
gedeeltelijk kan intrekken of wijzigen in dezelfde situaties als
wanneer de exploitatievergunning kan worden ingetrokken. Hetzelfde
geldt ten aanzien van de mogelijkheid tot weigeren.
De kennisgevingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2.3.9, zesde
lid, is ervoor bedoeld om ondernemers in zeer incidentele gevallen
een ontheffing van de uniforme openings- en sluitingstijden te
geven (in de praktijk ook wel "Verlaatje" genoemd). Een
exploitant van een inrichting kan door middel van een kennisgeving
-met een maximum van tien maal per jaar- ontheffing krijgen van de
uniforme openings- en sluitingstijden ten behoeve van incidentele
festiviteiten in zijn inrichting. Dat kan een zelf georganiseerde
festiviteit of bijzondere gebeurtenis zijn; het kan ook een door
anderen georganiseerde festiviteit zijn. Een openbare inrichting
mag dan tot 6 uur open zijn.
De incidentele festiviteiten moeten plaatsvinden in de inrichting.
Voor incidentele en collectieve festiviteiten op het terras moet
naast de kennisgeving, vanwege de invloed op het woon- en
leefklimaat, ook altijd een evenementenvergunning worden
aangevraagd.
Indien de kennisgeving niet op de juiste wijze geschiedt, mag er
geen gebruik worden gemaakt van de vrijstelling. Voorheen diende
voor een Verlaatje een ontheffing te worden aangevraagd. Dit diende
twee weken van tevoren te geschieden. Dit zorgde voor weinig
mogelijkheden tot spontaniteit. Omdat hier in de horeca wel vraag
naar was, is de ontheffing gewijzigd in een kennisgeving. De
kennisgeving moet voortaan vóór aanvang en op de dag van de
incidentele festiviteit worden gedaan en uiterlijk voor tien uur ’s
avonds. Het achtste lid bepaalt dat een vrijstelling van de
openings- en sluitingstijden altijd gepaard gaat met een
vrijstelling van de geluid- en lichtvoorschriften als bedoeld in
artikel 4.1.3. Deze koppeling is gemaakt omdat een Verlaatje in de
regel gepaard gaat met meer geluid en licht. Indien een bepaalde
(aangemelde) incidentele festiviteit of toekomstige incidentele
festiviteiten in het concrete geval ongewenste cumulatie van hinder
met zich meebrengen, dan kan de burgemeester het organiseren van
die festiviteit en toekomstige festiviteiten verbieden op grond van
artikel 4.1.4.
De burgemeester kan op grond van artikel 2.3.9, negende lid,
desgewenst overgaan tot beperking en verbreding van openings- en
sluitingstijden, niet alleen voor een individuele inrichting, maar
ook voor meer inrichtingen tegelijk (die al dan niet in één gebied
liggen). Zo maakt dit artikel het onder andere mogelijk om een
afkoelperiode in te voeren voor bepaalde inrichtingen.
De burgemeester zal van de bevoegdheid in artikel 2.3.9, negende
lid, gebruik maken, indien de handhaving van de openbare orde en de
bescherming van het woon- of leefklimaat dat op enigerlei moment
ergens in de stad vergen. Deze bepaling kan door de burgemeester
dus ook worden gehanteerd in het kader van een "bestuurlijke
maatregel": Een exploitant, die zich niet aan de in deze
paragraaf en in zijn exploitatievergunning gestelde regels houdt,
loopt de kans (tijdelijk) met een vroeger sluitingsuur te worden
geconfronteerd.
Daarnaast biedt artikel 2.3.9, negende lid, de burgemeester ook de
mogelijkheid om voor een bepaald gebied in de gemeente andere
openings- en sluitingstijden vast te stellen. Deze mogelijkheid is
geschapen meer in het bijzonder voor de deelgemeente Hoek van
Holland, teneinde te bewerkstelligen, dat het horecabeleid in die
deelgemeente aan kan sluiten op het horecabeleid in het Westland.
Voor wat betreft de toepassing van artikel 2.3.9, zesde lid, en van
artikel 2.3.9, tiende lid, dient verwezen te worden naar hoofdstuk
4, paragraaf 1, van deze verordening, waarin - ter nadere
uitwerking van het bepaalde in het Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer - is geregeld, dat de (geluid- en
lichthinder-) voorschriften niet gelden op een nader door het
college te bepalen aantal dagen ten behoeve van "collectieve
festiviteiten" en "incidentele festiviteiten". Het
zal duidelijk zijn, dat het beleid terzake van het aanwijzen van
deze dagen afgestemd moet worden op het beleid van de burgemeester
inzake de kennisgeving voor vrijstelling van de openings- en
sluitingstijden.
Een algemene ontheffingsmogelijkheid voor bijzondere festiviteiten,
als vervat in het tiende lid van artikel 2.3.9, kan in de praktijk
niet worden gemist. Gedacht kan worden aan festiviteiten met een
nationaal of stedelijk karakter, zoals bijvoorbeeld Koninginnedag
of het kampioenschap van een voetbalclub.
In het elfde lid van artikel 2.3.9 wordt duidelijk gemaakt, dat
artikel 2.3.9 niet van toepassing is, als de Wet milieubeheer of de
op die wet gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Dit is bij
dit artikel zeker van belang, omdat in milieuvergunningen voor
horecabedrijven veelal een sluitingsuurbepaling is opgenomen, dan
wel moet zijn opgenomen. Hiermee wordt beoogd de hinder die
veroorzaakt wordt door komende en gaande bezoekers van de
inrichting, zoveel mogelijk te beperken. De Wet milieubeheer beoogt
slechts rekening te houden met "normale" hinder in de
nabije omgeving van de inrichting. Excessieve hinder door gedrag
van bezoekers en overlast op een of meer straten van de inrichting
vandaan, valt niet onder de Wet milieubeheer. Deze vormen van
overlast kunnen gereguleerd worden door middel van een algemene
sluitingsuurregeling in de APV.
Toelichting artikel 2.3.11:
De exploitatievergunning vervalt zodra alle exploitanten de
exploitatie hebben beëindigd. Het is van groot belang om een
actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve
exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de
exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts
een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede
lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan echter
niet.
Voorheen was in dit artikel het woord ‘feitelijk’ opgenomen. Dit
woord is echter geschrapt om bij overnames schijnconstructies tegen
te gaan.
Toelichting artikel 2.3.12:
Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot
belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging
in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester op
aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende
exploitatievergunning te wijzigen overeenkomstig de wijziging in
het beheer. De burgemeester kan de verzochte bijschrijving weigeren
als de nieuwe beheerder niet voldoet aan de voor beheerders
geldende criteria (artikel 2.3.6).
Toelichting artikel 2.3.13:
Het begrip 'openbare inrichting' als omschreven in artikel
1.1 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk
zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen.
Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de
burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.
§ 2.3a SEKSINRICHTINGEN EN ESCORTBEDRIJVEN
Algemene toelichting:
Als gevolg van de Wet van 28 oktober 1999 (Staatsblad 1999, 464) is
op 1 oktober 2000 artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht
komen te vervallen, en is artikel 250ter gewijzigd en vernummerd
tot artikel 250a. Artikel 250a Sr. luidt als volgt:
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
a. degene die een ander door geweld of een andere
feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingt dan wel door
misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of
door misleiding beweegt zich beschikbaar te stellen tot het
verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling,
dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling onderneemt
waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die
ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen
beschikbaar stelt;
b. degene die een persoon aanwerft, meeneemt of ontvoert met
het oogmerk die persoon in een andere land ertoe te brengen zich
beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen
met een derde tegen betaling;
c. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te
stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde
tegen betaling, dan wel ten aanzien van een ander enige handeling
onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen
beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is;
d. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele
handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij
weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de
onder a genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen
van die handelingen;
e. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele
handelingen van een ander met een derde tegen betaling, indien die
ander minderjarig is;
f. degene die een ander door geweld of een andere
feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingt dan wel door
misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of
door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of
haar seksueel handelingen met een derde te bevoordelen.
2. De schuldige wordt gestraft met een gevangenisstraf van
ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien:
a. de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd
door twee of meer verenigde personen;
b. de minderjarige de leeftijd van zestien jaren nog niet
heeft bereikt;
c. geweld of een andere feitelijkheid als bedoeld in het
eerste lid zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
3. De feiten, omschreven in het eerste lid, gepleegd door
twee of meer verenigde personen onder de omstandigheden, bedoeld in
het tweede lid, onder b en c, worden gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
De wetswijziging wordt veelal aangeduid als de opheffing van het
algemeen bordeelverbod. Strikt bezien zou de aanduiding (algemeen)
'souteneurverbod' daarop beter van toepassing zijn:
strafbaar - volgens artikel 250bis als misdrijf, en volgens artikel
432, onder 3o, als overtreding - was namelijk het exploiteren van
prostitutie als zodanig, waaronder prostitutie die werd uitgeoefend
in een inrichting (bordeel). Gelet op de gangbaarheid van de
aanduiding, wordt de wetswijziging hieronder evenwel aangeduid als
'opheffing algemeen bordeelverbod'.
De wetswijziging heeft bovendien tot gevolg dat een nieuw artikel
wordt toegevoegd aan de Gemeentewet, artikel 151a:
"De raad kan een verordening vaststellen waarin voorschriften
worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van
gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een
derde tegen betaling".
Met de opheffing van dit verbod streeft de wetgever de volgende zes
hoofddoelstellingen na:
1. Beheersen en regulering van exploitatie van prostitutie;
2. Verbetering van de bestrijding van exploitatie van
onvrijwillige prostitutie;
3. Bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik;
4. Bescherming van de positie van prostituees;
5. Ontvlechting van criminaliteit en seksindustrie;
6. Terugdringing van (de exploitatie van) prostitutie door
personen zonder geldige verblijfstitel.
Gevolg van de wetswijziging is dat, uit hoofde van het Wetboek van
Strafrecht, niet langer het exploiteren van prostitutie in algemene
zin strafbaar is, maar nog slechts het exploiteren van
onvrijwillige prostitutie (door geweld, bedreiging met geweld,
misbruik van overwicht, of misleiding) en van prostitutie door
minderjarigen. Voor zover dat bij of krachtens de Wet arbeid
vreemdelingen (Wav) dan wel bij of krachtens gemeentelijk
verordening is bepaald, is verder het exploiteren van prostitutie
door personen zonder een geldige verblijfstitel verboden.
Anders gezegd, is het exploiteren van prostitutie die vrijwillig
wordt uitgeoefend door meerderjarigen met een voor het verrichten
van arbeid geldige verblijfstitel voortaan dus een legale
beroepsuitoefening en inkomensverwerving. De gemeente kan daarover
bij verordening voorschriften vaststellen. Deze bevoegdheid is
gebaseerd op het bepaalde in de artikelen 149 en 151a van de
Gemeentewet.
In Rotterdam is gekozen om qua systematiek aan te sluiten bij de
bestaande exploitatievergunningen voor horeca-inrichtingen. Gelet
op de uitzonderlijke situatie in deze branche en de zes
hoofddoelstellingen, zoals deze door de wetgever zijn geformuleerd,
zijn de regels specifiek op de prostitutiebranche toegespitst en
voor zover nodig aangescherpt.
Artikelsgewijze toelichting § 2.3a
Toelichting artikel 2.3a.1: [vervallen]
De begripsartikelen van dit artikel zijn naar artikel 1.1
verplaatst.
Toelichting artikel 2.3a.2:
De doelstellingen van de wetgever, zoals deze in de gemeentelijke
beleidsnota “Het Rotterdamse prostitutiebeleid van juni 2000”
verder vorm zijn gegeven, hebben geresulteerd in een aantal nadere
regels, die op alle seksinrichtingen en escortbedrijven van
toepassing zijn.
Toelichting artikel 2.3a.3:
Een vergunning is vereist als een seksinrichting wordt
geëxploiteerd, of als de seksinrichting, dan wel de wijze van
exploitatie wordt gewijzigd. Als de exploitant veranderingen
aanbrengt aan de inrichting, in zowel de ondernemersvorm als de
exploitatievorm (activiteiten), dient een nieuwe vergunning te
worden aangevraagd.
Bij de wijziging van de exploitant dient eveneens een nieuwe
vergunning te worden aangevraagd. Een uitzondering hierop vormt het
geval dat slechts een van de exploitanten ophoudt met exploiteren.
In dat geval is een melding aan de burgemeester als bedoeld in
artikel 2.3a.12 voldoende. Net als bij de exploitatievergunning
voor horecabedrijven (zie toelichting artikel 2.3.2) dient de
beslissing op deze aanvraag door de nieuwe exploitant te worden
afgewacht. Exploitatie vooruitlopend op het besluit van het
bevoegde bestuursorgaan is niet toegestaan.
Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning
zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Een aanvraag voor een exploitatievergunning dient
schriftelijk bij de directeur van de dienst Stedenbouw en
Volkshuisvesting (Team Horeca en Evenementen) ingediend te worden.
De vergunningvoorwaarden voor een escortbedrijf zijn anders en voor
een deel minder omvattend dan de vergunning voor de overige
seksinrichtingen. Reden is dat de activiteiten van een
escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. Dit
is natuurlijk anders indien het escortbedrijf vanuit een kantoor of
seksinrichting wordt uitgeoefend. De toetsing van de
vergunningaanvraag zal voornamelijk bestaan uit de toetsing van de
antecedenten van de exploitant en de beheerder. Aan de vergunning
zullen tevens ook een aantal specifieke voorschriften worden
verbonden die verband houden met de exploitatie van een
escortbedrijf. Zo dienen de exploitant en de beheerders voor het
bevoegde bestuursorgaan aanspreekbaar te zijn (adres en
telefoonnummer moet worden doorgegeven) en mogen de escortbedrijven
bij de werving van klanten alleen gebruik maken van de op de
vergunning vermelde telefoonnummers.
In tegenstelling tot de exploitatievergunningen bedoeld in
paragraaf 2.3 van de APV, bestaat voor de onderhavige inrichtingen
geen mogelijkheid om een voorlopige vergunning aan te vragen.
Met de "aard van de seksinrichting of escortbedrijf" in
het tweede lid, onder c, wordt bedoeld dat duidelijk moet worden
aangegeven of de aanvraag betrekking heeft op een seksinrichting
dan wel een escortbedrijf. Ook moet aan de hand van de voorgenomen
activiteiten en inrichting duidelijk worden beschreven wat voor een
soort seksinrichting of escortbedrijf het betreft (Wel of geen
prostitutie? Betreft het een parenclub? Is sprake van een
horecagedeelte? Is tevens sprake van een sekstheater of -bioscoop?
etc.).
Bij toepassing van het derde lid geldt als uitgangspunt, dat de in
de tijd eerst ingediende vergunningaanvraag in behandeling wordt
genomen. Een aanvraag is in behandeling totdat het besluit
onherroepelijk is geworden. Tweede en opvolgende
vergunningaanvragers voor dezelfde inrichting worden in hun
aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, tenzij uiteraard de eerste
aanvraag wordt ingetrokken.
Toelichting artikel 2.3a.4: [vervallen]
Dit artikel is vervallen. De inhoud van dit artikel is opgenomen in
artikel 2.3a.8 APV.
Toelichting artikel 2.3a.5:
De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk
tijdens de openingsuren van de seksinrichting. Deze bepaling is
opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te kunnen treden. De
exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in
en rond de inrichting afspeelt.
Er voortdurend op te worden toegezien dat er geen strafbare feiten
in de inrichting plaatsvinden. Het gaat daarbij in ieder geval om
de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
(mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging)
van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
en in de Wet wapens en munitie. Indien zich in de inrichting
strafbare feiten voordoen kan de inrichting door het bevoegde
bestuursorgaan gesloten worden, dan wel kan de verleende vergunning
ingetrokken worden (zie ook artikel 2.3a.8). De exploitant en
beheerder dienen er tevens op toe te zien dat er geen personen
beneden de 18 jaar in de inrichting aanwezig zijn. Voor
seksinrichtingen geldt daarmee dezelfde leeftijdsgrens als voor
coffeeshops en speelautomatenhallen. Dit voorschrift
vergemakkelijkt de handhaafbaarheid van het wettelijke verbod van
prostitutie door minderjarigen.
Ook bij escortbedrijven hebben de exploitant en beheerder een
belangrijke verantwoordelijkheid. Op grond van het bepaalde in het
derde lid dienen zij de veiligheid van de prostituees te waarborgen
en strafbare feiten in het kader van de uitoefening van het
escortbedrijf te voorkomen. Omdat bij escortbedrijven doorgaans
geen sprake is van een inrichting is louter toezicht door
aanwezigheid niet mogelijk. Dat betekent dat aan andere vormen van
bescherming moet worden gedacht, zoals bijvoorbeeld een
(telefonisch) alarmeersysteem voor de prostituee.
Toelichting artikel 2.3a.6:
Voor seksinrichtingen gelden dezelfde sluitingstijden als voor
horeca-inrichtingen. De ontheffingsmogelijkheid, genoemd onder
artikel 2.3a.6, tweede lid, biedt het bevoegde bestuursorgaan,
analoog aan artikel 2.3.9, derde lid, aanhef en onder b, de
mogelijkheid om individuele seksinrichtingen bij
vergunningvoorschrift ontheffing van de standaardsluitingstijd te
verlenen. De exploitant dient daartoe een exploitatieplan te
overleggen, zoals dat ook voor horeca-inrichtingen is
voorgeschreven. De exploitant dient concreet aan te geven hoe hij
zal voorkomen dat zijn exploitatie een nadelige invloed heeft op de
openbare orde of de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving van
zijn inrichting. Een en ander zal door het bevoegde bestuursorgaan
per locatie en per inrichting worden getoetst. Het bevoegde
bestuursorgaan kan ter zake een eigen beleid ontwikkelen.
Toelichting artikel 2.3a.7: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in Hoofdstuk 1 opgenomen.
Toelichting artikel 2.3a.8:
De toelichting bij artikel 2.3.6 APV is overeenkomstig van
toepassing. Met betrekking tot de leeftijdseis uit het eerste lid,
onder e, bestaat er echter een verschil. Voor seksinrichtingen
bestaat er niet, zoals voor exploitatievergunningen het geval is,
een mogelijkheid om door categorale vrijstelling af te wijken van
deze eis.
Het vierde lid bevat specifieke gronden voor seksinrichtingen en
escortbedrijven.
2.3a.8, vierde lid, onder a: veiligheid van personen of goederen
Bij de exploitatie van seksinrichtingen, is het van groot belang de
(brand)veiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de
inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de
Woningwet:
- is het Bouwbesluit van toepassing met het oog op de
brandveiligheid van de seksinrichting zelf;
- is de Bouwverordening van toepassing waar het gaat om het
gebruik van de seksinrichting zelf.
Voor seksinrichtingen gelden - naar analogie van de
verblijfinrichtingen - bovendien inrichtingseisen die bij nadere
regels zijn gesteld.
2.3a.8, vierde lid, onder b: gezondheid en zedelijkheid
Gezondheid: hier gaat het met name om de behartiging van de positie
van de prostituee, voor wat betreft het voorkomen en tegengaan van
zogenaamde seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder aids. Het
betreft voorlichtingsactiviteiten, laagdrempelige faciliteiten voor
wat betreft de toegankelijkheid van de gezondheidszorg en periodiek
medische controles voor de prostituees.
2.3a.8, vierde lid, onder c: arbeidsomstandigheden
Door opheffing van het bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet
van toepassing op delen van de prostitutiebranche. Uitgangspunt
voor de toepasselijkheid van de Arbo-wet is namelijk het bestaan
van een gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer. Op zelfstandig
werkende prostituees, de freelancers, is de Arbo-wet derhalve niet
van toepassing. Wel is ook voor deze groep van gemeentewege een
aantal basisnormen opgesteld (met betrekking tot de inrichting en
de bedrijfsvoering) ter bevordering van de arbeidsomstandigheden
Deze normen zijn gesteld in het kader van de nadere regels, bedoeld
in artikel 2.3a.2.
Deze weigeringsgrond heeft voornamelijk tot doel om bij de
vergunningverlening rekening te kunnen houden met misstanden die
door de Arbeidsinspectie zijn gesignaleerd en de vergunning zonodig
te weigeren.
Toelichting artikel 2.3a.9: [vervallen]
Toelichting artikel 2.3a.10: [vervallen]
Dit artikel is vervallen. De inhoud van dit artikel is opgenomen in
artikel 2.3a.8 APV.
Toelichting artikel 2.3a.11:
De toelichting bij artikel 2.3.7 is overeenkomstig van toepassing.
Toelichting artikel 2.3a.12:
De vergunning vervalt zodra alle exploitanten de exploitatie hebben
beëindigd. Het is van groot belang om een actueel overzicht te
hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden
moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of
overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt,
dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De
vergunning vervalt dan echter niet.
Voorheen was in dit artikel het woord ‘feitelijk’ opgenomen. Dit
woord is echter geschrapt om bij overnames schijnconstructie tegen
te gaan.
Toelichting artikel 2.3a.13:
Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot
belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging
in het beheer kan pas plaatsvinden indien het bevoegde
bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
verleende vergunning te wijzigen overeenkomstig de wijziging in het
beheer. Het bevoegde bestuursorgaan kan de verzochte bijschrijving
weigeren als de nieuwe beheerder niet voldoet aan de voor
beheerders geldende criteria (artikel 2.3a.8).
Toelichting artikel 2.3a.14:
De opheffing van het bordeelverbod en de introductie van de
vergunningplicht voor seksinrichtingen heeft ook gevolgen voor de
Rotterdamse bestemmingsplannen. In verband met het wettelijk
bordeelverbod, kennen niet alle bestemmingsplannen een bestemming
die de vestiging van een prostitutiebedrijf toelaat. Voor een
aantal bestaande seksinrichtingen, dat wil zeggen inrichtingen
waarvan exploitanten kunnen aantonen dat die al vóór 1 februari
2000 werden geëxploiteerd, geldt dat deze onder het overgangsrecht
van het bestemmingsplan vallen en dus in planologische zin “legaal”
zijn gevestigd. Voor de overige bestaande seksinrichtingen geldt
dat zij, overeenkomstig het in dit artikel opgenomen
overgangsrecht, gevestigd mogen zijn in strijd met het
bestemmingsplan. Voor deze bestaande inrichtingen geldt, met andere
woorden, de strijdigheid met het bestemmingsplan niet als
weigeringgrond.
Toelichting artikel 2.3a.15:
Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als de APV) tenzij
bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit
laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast de burgemeester
namelijk met 'het toezicht op de openbare samenkomsten en
vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande
gebouwen en daarbij behorende erven' (eerste lid) en met
'de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking
hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht' (derde lid).
In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te
worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid
betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de
openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van
seksinrichtingen is echter het ruimere begrip 'ruimte'
opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om
met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het
gaat om escortbedrijven.
Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het
college een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer
van zijn leden. Het gaat hierbij om mandaat: de opgedragen
bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en onder
verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover
bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid). Het college kan zijn
bevoegdheid ter zake mandateren aan de burgemeester.
§ 2.3b SLUITING OVERLASTGEVENDE VOOR HET PUBLIEK OPENSTAANDE
GEBOUWEN
Toelichting artikel 2.3b.1:
Artikel 2.3b.1 kan worden gezien als een welkome aanvulling op de
artikelen 2.3.7 (sluiting van vergunningplichtige inrichtingen),
2.3a.11 (sluiting overlastgevende bordelen), 3.2.12 (sluiting
overlastgevende gokpanden), 174a Gemeentewet (sluiting woningen) en
artikel 13b Opiumwet (sluiting in verband met drugs).
De burgemeester kan met behulp van dit artikel gericht optreden
wanneer ondernemers van dienstverlenende bedrijven zoals
avondkappers, uitzendbureaus en belwinkels of winkeliers overlast
(blijven) veroorzaken. De burgemeester zal o.a. tot het oordeel
kunnen komen dat sluiting noodzakelijk is indien een van de
volgende situaties zich voordoet:
a. indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het
publiek openstaand gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar
opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het
woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek
openstaand gebouw;
b. indien in of vanuit het voor het publiek openstaand
gebouw strafbare feiten worden gepleegd;
c. indien zich in of vanuit het voor het publiek openstaand
gebouw anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen,
dat het geopend blijven van het voor het publiek openstaand gebouw
gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor
het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor publiek
openstaand gebouw.
Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de
mogelijkheid over te gaan tot sluiting indien sprake is van een
ordeverstoring die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging
vormt voor de ordelijke gang van zaken, waartegen onmiddellijk moet
worden opgetreden. De sluiting kan dan slechts van korte duur zijn.
In het zesde lid van artikel 2.3b.1 wordt de mogelijkheid geboden,
dat de burgemeester een sluiting voor onbepaalde duur op verzoek
van een belanghebbende opheft. In de praktijk sluit de burgemeester
een inrichting meestal voor een bepaalde duur. Artikel 2.3b.1
voorziet niet in de mogelijkheid voor een belanghebbende om
tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen. Een
dergelijk verzoek aan de burgemeester is dus niet-ontvankelijk. In
zeer bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij wijziging van de
bestemming van het pand, waarin de inrichting is gevestigd) kan de
burgemeester ambtshalve een tijdelijke sluiting opheffen.
§ 2.4 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID
Algemene toelichting § 2.4:
In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die een bijdrage moeten
leveren aan de bestrijding van overlast, hinder en baldadig gedrag
- in de meest ruime zin begrepen - in de gemeente. De in paragraaf
4 opgenomen bepalingen volgen echter in beginsel de modelbepalingen
van de VNG op dit punt. De bepalingen kunnen - mits goed toegepast
- een bijdrage leveren aan het tegengaan van de verloedering van de
stad. In dit verband kan worden opgemerkt, dat sommige van de in
deze paragraaf strafbaar gestelde gedragingen op zichzelf als
"weinig betekenend" zouden kunnen worden beschouwd.
Indien het in samenhang bestrijden van deze gedragingen evenwel
onderdeel zou kunnen gaan vormen van een gericht beleid ter
voorkoming en bestrijding van overlast, hinder en baldadigheid in
de stad, zijn de betreffende strafbepalingen goed bruikbaar.
Toelichting artikel 2.4.1:
Eerste lid
Artikel 2.4.1 betreft een verbod om een door de burgemeester
krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet
voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat
lokaal behorend erf te betreden.
Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet kan de burgemeester
besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal
of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien
door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de
openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt
verstoord. Dit artikel is in eerste instantie in de Gemeentewet
opgenomen om drugsoverlast vanuit woningen tegen te gaan, maar kan
ook worden gehanteerd bij andere vormen van niet aanvaardbare
overlast.
In dit verband is er voor gekozen om - voor de gevallen waarin de
woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken - een
strafbepaling op te stellen die het verbiedt om een gesloten pand
te betreden. Artikel 174a gemeentewet kan worden gezien als een
welkome aanvulling op de artikelen 2.3.7 (sluiting van
vergunningplichtige inrichtingen), 2.3a.11 (sluiting van
seksinrichtingen) en 3.2.12 (sluiting overlastgevende gokpanden)
die betrekking hebben op panden, die geen woning zijn.
Tweede lid
Het tweede lid van artikel 2.4.1 is gebaseerd op de bevoegdheid van
de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van
bestuursdwang indien in woningen en lokalen en daarbij behorende
erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet
wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig
is. Zie verder onder de toelichting van het eerste lid.
Toelichting artikel 2.4.2:
Het eerste lid van dit artikel bevat een absoluut verbod om te
krassen of te kladden. Juridisch is dit geen probleem, daar in deze
terminologie reeds besloten ligt, dat het bij krassen of kladden
niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de
Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IV (vgl. de toelichting bij
hoofdstuk 1, artikel 1.1). Met deze bepaling kan worden opgetreden
tegen het helaas wijd verbreide euvel van graffiti.
Ingevolge het tweede lid van artikel 2.4.2 is het plakverbod van
toepassing niet alleen op onroerende, maar ook op roerende zaken
(te denken valt onder meer aan bloembakken, glas- en papierbakken,
containers van de ROTEB). Strafbaar zijn niet alleen de feitelijke
plakkers, maar ook hun opdrachtgevers.
Het is de gemeentelijke wetgever niet toegestaan het aanplakken van
biljetten e.d. geheel te verbieden. Wel mag de gemeentelijke
wetgever het plakken zonder toestemming van de rechthebbende (dat
kan ook de gemeente zijn als privaatrechtelijk rechtspersoon)
strafbaar stellen. Dat is in artikel 2.4.2 gebeurd.
De gemeente dient in het kader van de waarborging van de vrijheid
van meningsuiting te zorgen voor voldoende "vrije
plakmogelijkheden" in de gemeente - bezien naar aantal,
oppervlakte en plaats - opdat van “gebruik van enige betekenis” van
het onderhavige middel van bekendmaking van meningsuitingen sprake
kan zijn. Het hangt af van “bijzondere plaatselijke omstandigheden”
of er nog gesproken kan worden van gebruik van enige betekenis.
Toelichting artikel 2.4.3:
Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige
artikel opgenomen plak- en kladverbod vergroot. De Hoge Raad heeft
een dergelijke zelfstandige strafbaarstelling van
voorbereidingshandelingen geaccepteerd. Het onderhavige artikel
verbiedt het vervoer van allerlei plak- en kladgereedschappen en
-attributen (waaronder verfspuitbussen e.d., in gebruik bij
graffiti-"kunstenaars") tussen 22 en 6 uur. De ervaring
leert, dat juist tussen de genoemde uren het meest wordt geplakt en
gekladderd. Iemand die 's nachts met de genoemde voorwerpen
over straat gaat, is in beginsel in overtreding, tenzij hij
aannemelijk kan maken, dat de betreffende voorwerpen niet
zijn/worden meegenomen om zich schuldig te maken aan het plakken en
kladden als bedoeld in artikel 2.4.2. Een en ander verlicht de
bewijslast voor de politie.
Toelichting artikel 2.4.4:
In een samenleving waarin een groot aantal mensen op een relatief
klein grondgebied woont, zal men elkaar hinderen en overlast
aandoen. Op basis van artikel 2.4.4 (en ook 2.4.6) kan tegen vormen
van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Tevens kan op
deze wijze worden opgetreden tegen zwervers die op bankjes liggen.
Artikel 424 Wetboek van Strafrecht stelt reeds
"straatschenderij" strafbaar: "Hij die op of aan de
openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats
tegen personen of goederen enige baldadigheid pleegt waardoor
gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht, wordt als schuldig aan
straatschenderij, gestraft met geldboete van de eerste categorie
(max. 225 euro)". Artikel 426bis van dat Wetboek verklaart
strafbaar het belemmeren van anderen op de openbare weg: "Hij
die wederrechtelijk op de openbare weg een ander in zijn vrijheid
van beweging belemmert of met een of meer anderen zich aan een
ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil blijft opdringen of
hem op hinderlijke wijze blijft volgen, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie (max. 2250 euro)". Artikel 431 van het Wetboek van
Strafrecht tenslotte stelt nachtelijk burengerucht strafbaar:
"Met geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die
rumoer of burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan worden
verstoord". Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als
baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het
taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.
Toelichting artikel 2.4.5:
Grote delen van de stad worden regelmatig geconfronteerd met
overlast door personen die zich op de openbare weg - al dan niet in
combinatie met drugs - te goed doen aan diverse soorten alcoholica
en vervolgens passanten lastig vallen of andere met het gebruik van
alcohol samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en
schreeuwen, onderling ruzie maken en vechten, vervuiling van de
omgeving, wildplassen etc.
Wat de mogelijkheden tot optreden betreft zij vermeld, dat de
politie - als daadwerkelijke verstoring van de openbare orde zich
voordoet - op grond van de artikelen 2 en 12 van de Politiewet
bevelen tot verwijdering kan geven. Niet-naleving daarvan is
strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.
Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt
geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk
zijn op grond van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht
(baldadigheid; vgl. ook de toelichting bij artikel 2.4.4). De
hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet
eenvoudig. Om deze reden is behoefte aan aanvullende rechtsgronden.
In 2003 is een nieuw eerste lid toegevoegd. Voorheen bestond alleen
de mogelijkheid om door het college gebieden aan te laten wijzen
waar het verboden is om alcoholhoudende drank te nuttigen of
aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
drank bij zicht te hebben. Deze mogelijkheid staat nu in het tweede
lid en geeft het college de mogelijkheid om bijvoorbeeld het gebied
rondom het Feyenoordstadion aan te wijzen als gebied, waar het
verboden is op straat alcoholhoudende drank te nuttigen. Ook andere
gebieden kunnen worden aangewezen, zoals winkelcentra of stations.
Sinds december 1994 heeft het college jaarlijks gebruik gemaakt van
deze bevoegdheid. Op grond van de ervaringen van de diverse
districten en deelgemeenten blijkt dat de gebiedsaanwijzing
beschouwd kan worden als een effectief middel ter bestrijding van
overlast in gebieden waar zich regelmatig groepen ophouden, maar
dat daarnaast behoefte bestaat aan een verbodsbepaling die zich
richt tegen hinderlijk drankgebruik in het algemeen in de openbare
ruimte. Hiermee kunnen overlastverschijnselen worden bestreden die
niet tot bepaalde plaatsen beperkt zijn of waarvoor het instellen
van een totaal verbod op het gebruik of bezit van alcohol
vooralsnog als een te zwaar middel moet worden beschouwd. Hierbij
kan gedacht worden aan gevallen van excessieve hinder van op straat
drinkende personen tijdens een evenement of aan overlast door
verspreidingseffecten uit gebieden waar wel een alcoholverbod in
ingesteld. Om deze reden is in een nieuw eerste lid een generiek
verbod opgenomen op grond waarvan kan worden opgetreden in geval
van overlast.
Toepassing van het tweede lid blijft beperkt tot door het college
aangewezen gebieden.
Artikel 35 van de Drank- en Horecawet bepaalt, dat de burgemeester
een ondernemer ontheffing kan verlenen van het verbod om zonder
vergunning bedrijfsmatig alcoholische drank te verstrekken, ten
aanzien van het verstrekken van zwakalcoholische drank bij in het
besluit aangewezen bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke
aard.
Toelichting artikel 2.4.6:
Dit artikel heeft als doel de overlast te bestrijden, die voortkomt
uit het oneigenlijk gebruik van portieken, poorten en
gemeenschappelijke ruimtes in particuliere en voor het publiek
toegankelijke gebouwen door randfiguren, baldadige jongelui e.d.
Over dergelijke vormen van overlast wordt vaak geklaagd. In de
praktijk blijkt de verstrekking respectievelijk de verlening van
(bepaalde) goederen en diensten in de openbare sfeer nogal eens te
worden bemoeilijkt doordat ter plekke geregeld sprake is van
baldadigheden en van andere vormen van overlast. Een voorbeeld
daarvan is de dienstverlening in postkantoren. Het komt geregeld
voor dat de zogenaamde zelfbedieningsruimten in postkantoren
(ruimten die in beginsel dag en nacht geopend zijn voor het
verrichten van eenvoudige postale handelingen door het publiek)
door jongeren, zwervers en junks als verblijfplaats worden gekozen.
Dit heeft dan vaak vervuiling en vernieling van het gebouw tot
gevolg, terwijl bezoekers worden verhinderd ongestoord gebruik te
maken van de diensten. Vele andere voorbeelden kunnen worden
gegeven.
In artikel 2.4.6 is het woord "ruimte" gebruikt ter
onderscheiding van het over het algemeen in de APV gehanteerde
begrip "weg". Om een indicatie te geven bij het
beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke
ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een
aantal ruimten concreet genoemd. Het ordeverstorende element ten
slotte wordt door de zinsnede "hinder of overlast veroorzaken
dan wel zich zonder redelijk doel op te houden" in de bepaling
tot uitdrukking gebracht. Voor een toelichting wordt verder
verwezen naar de toelichting bij artikel 2.4.4 "Hinderlijk
gedrag op of aan de weg".
Toelichting artikel 2.4.7: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is ondergebracht in artikel 2.4.6.
Toelichting artikel 2.4.8:
Deze bepaling is van toepassing op messen en andere voorwerpen die
als wapen kunnen worden gebruikt. Het artikel heeft ten doel de
bescherming van de openbare orde en veiligheid in heel Rotterdam.
Het openlijk bezit van dergelijke wapens dient daarom op alle wegen
in de gemeente verboden te worden. Om deze reden is gekozen voor
het niet langer door het college laten aanwijzen van wegen.
Het tweede lid grenst het verbod af van de op 1 september 1989 in
werking getreden Wet wapens en munitie. Deze wet verbiedt onder
meer het dragen van steekwapens op de openbare weg of andere voor
het publiek toegankelijke plaatsen, anders dan vervoer (dat wil
zeggen: zodanig verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik
kunnen worden aangewend).
Afhankelijk van de omstandigheden vallen hieronder voorwerpen zoals
dolkmessen, knuppels, flessen en tafelpoten. In die omstandigheden
gaat het om de (directe) bescherming van de persoonlijke vrijheid
of integriteit.
Toelichting artikel 2.4.9:
In een mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden
besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Vandaar dat in artikel 2.4.9 het
college de mogelijkheid wordt geboden terzake regels te stellen.
Uiteraard moet het verbod wel aan de bezoekers van het terrein
kenbaar worden gemaakt.
Toelichting artikel 2.4.10:
Artikel 2.4.10 beperkt het loslopen van honden in twee situaties:
op de weg (door de omschrijving van het begrip 'weg' vallen
hieronder ook parken en plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd
is, en op kinderspeelplaatsen e.d.
Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de
voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.
In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:
- de bescherming van de verkeersveiligheid, die door
loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;
- het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;
- het voorkomen van hinder voor voetgangers;
- het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van
speelweiden, zandbakken, e.d.);
- het voorkomen van schade en dierenleed, die worden
veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name
schapen en kippen naar het leven staan.
Het tweede lid regelt dat het college hondenuitlaatplaatsen kan
aanwijzen.
Artikel 2.4.10 kent een ontheffingsmogelijkheid; er kunnen zich nl.
situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich
tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het
betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. In
de lijn van reeds bestaande jurisprudentie is voor deze categorie
in het derde lid een voorziening getroffen.
Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden
loslopend worden aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de
Gemeentewet (bestuursdwang) de honden gevangen worden genomen en
overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt
uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.
Op grond van het vierde lid dient de eigenaar of houder van een
hond ervoor te zorgen dat de hond door aanhoudend geblaf of gejank
niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust van omwonenden
verstoort.
Toelichting artikel 2.4.10a:
Op grond van artikel 2.4.10a is de eigenaar of houder van een hond
verplicht te allen tijde de uitwerpselen van zijn hond op te
ruimen.
Het tweede lid regelt dat binnen het gebied waar de opruimplicht
geldt, plaatsen door het college aangewezen kunnen worden waar de
eigenaar van een hond de uitwerpselen niet hoeft op te ruimen.
In de leden drie en vier is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de
hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het
aanlijngebod, het verbod om op bepaalde plaatsen met een hond te
komen of de opruimplicht verzetten. Het betreft hier onder andere
de eigenaren van blindengeleidehonden. Eigenaren van
gekwalificeerde geleidehonden hebben een “automatische” ontheffing
van het bepaalde in het eerste lid.
Op grond van het derde lid kan het college voor individuele
bijzondere gevallen ontheffing verlenen van hetgeen in het artikel
wordt bepaald.
Toelichting artikel 2.4.10b:
Dit artikel regelt dat het college de eigenaar van een hond
aangeven dat de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht en dat
deze kort aangelijnd dient te worden op de weg of op het terrein
van een ander. Bij gevaarlijke honden kan het college tevens
aangeven dat de hond gemuilkorfd moet worden.
Daarnaast dient de hond te worden voorzien van een optisch leesbaar
identificatiekenmerk in de buikwand of het oor.
Met betrekking tot pitbullhonden kan van gemeentewege geen regeling
worden getroffen, omdat sinds 1 februari 1993 de Regeling
agressieve dieren van kracht is. In die regeling zijn expliciete
bepalingen over pitbulls opgenomen.
Toelichting artikel 2.4.11:
Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt.
Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de
openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen.
Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt
verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het
houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
volksgezondheid veroorzaakt.
Tevens wordt in dit verband moet nog gewezen op de Flora- en
Faunawet, waarin regels worden gegeven ter bescherming van dieren.
Toelichting artikel 2.4.12:
Uit onderzoek en politierapportages blijkt dat in Rotterdam – en in
het bijzonder in het stadscentrum – in toenemende mate overlast van
bedelaars wordt ondervonden. Wanneer men door een bedelaar wordt
benaderd, ervaart een deel van de betrokkenen dit als bedreigend.
Van de bedelaars, veelal harddrugsverslaafden, die actief zijn,
gedraagt een aantal zich agressief en hinderlijk (volgen,
aanklampen, de weg versperren e.d.) waardoor ergernis en overlast
ontstaat bij voorbijgangers.
Omdat de strafbaarstelling van bedelarij in 2000 uit het Wetboek
van Strafrecht is verdwenen beschikt de politie thans nauwelijks
over middelen om dit probleem aan te pakken.
Zolang geen strafbare feiten worden begaan, blijft het bij een
waarschuwing en het wegsturen van de betrokkene, wat doorgaans
weinig effect sorteert. Daarbij zijn veel bedelaars bekend met het
afschaffen van het verbod en zij gedragen zich daar ook naar. Om
adequaat tegen bedelarij en de daarmee samenhangende overlast te
kunnen optreden, wordt deze gedraging alsnog in de APV verboden en
strafbaar gesteld.
Blijkens de toelichting op het schrappen van artikel 432 uit het
Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever de mogelijkheid hiertoe in
het belang van de openbare orde opengehouden. Het verbod in dit
artikel heeft betrekking op bedelen om geld of andere zaken. De
hinder en overlast die daarmee gepaard gaat kan bijvoorbeeld
bestaan uit:
- het zich opdringen aan passanten;
- het aanklampen van passanten;
- het versperren van de doorgang van passanten;
- het volgen van passanten;
- het intimideren van passanten.
Deels zijn dergelijke gedragingen op zichzelf verboden in artikel
2.4.4 APV en artikel 426bis Wetboek van Strafrecht. Dat geldt
echter niet voor het bedelen an sich terwijl dit, zoals gezegd, wel
als hinderlijk en overlastgevend wordt ervaren.
Om te onderstrepen dat het artikel is bedoeld om overlast te
bestrijden, is het toegevoegd aan paragraaf 4. Het verbod heeft
specifiek betrekking op het bedelen om geld of andere zaken. Dit
verbod heeft nadrukkelijk geen betrekking op het voortbrengen van
straatmuziek en de verkoop van de Straatkrant.
In deze bepaling is gekozen voor een constructie waarin het college
de bevoegdheid heeft om gebieden aan te wijzen waar het verbod van
kracht is. Het verbod geldt op of aan de weg, maar ook in voor het
publiek toegankelijke gebouwen. Onder publiek toegankelijke
gebouwen worden ook winkels en openbare inrichtingen begrepen.
Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast
kan zij het verbod voor een bepaalde tijdsduur activeren. Het
verbod om te bedelen is dan ook niet voortdurend of op de gehele
stad van toepassing.
Overtreding van het verbod wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
uitspraak.
Toelichting artikel 2.4.13:
Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals
diefstal met braak te bemoeilijken.
Het tweede lid beoogt het plegen van winkeldiefstallen of althans
het meedragen van hulpmiddelen daarbij strafbaar te stellen. Vaak
gebruiken plegers van winkeldiefstallen speciaal uitgeruste
voorwerpen als tassen, jammers, magneten of elektronische
voorwerpen die veiligheidspoortjes of veiligheidslabels dan wel
andere hulpmiddelen om het plegen van diefstal te vergemakkelijken.
Politie en beveiligers zijn in staat om met geoefend ‘oog’ de
geprepareerde voorwerpen te herkennen. Met deze bepaling kan worden
ingegrepen voordat de winkeldief zijn slag heeft geslagen.
Jurisprudentie
Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan
strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in
artikel 149 Gemeentewet. HR 07-06-1977, NJ 1978, 483 (APV
Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen)
§ 2.5 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN
GOEDEREN
Algemene toelichting § 2.5:
De misdrijven heling en diefstal hangen nauw met elkaar samen.
Diefstal wordt namelijk in veel gevallen vooral door heling
aantrekkelijk gemaakt. Uit een oogpunt van diefstalpreventie en van
misdaadbestrijding in het algemeen is het aanpakken van de heling
dan ook een voorname eis.
Het Wetboek van Strafrecht (Sr.) bevat enkele bepalingen die het
oog hebben op de bestrijding van heling. Dat zijn de artikelen 416,
417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater.
De wijziging van de helingbepalingen in het Wetboek van Strafrecht
heeft voor de gemeentelijke wetgever het gevolg dat deze geen
nadere voorschriften met betrekking tot het inkoopregister meer kan
geven nu daarin door hogere regelgeving wordt voorzien. De
gemeentelijke wetgever is wel bevoegd regels op te stellen voor het
bijhouden van een verkoopregister. De grondslag voor deze
bevoegdheid is artikel 149 van de Gemeentewet.
Toelichting artikel 2.5.1:
De inhoud van dit artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.
Toelichting artikel 2.5.2:
De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 437 Sr. Hoewel dit
artikel in principe is opgesteld voor het inkoopregister is het
voor de duidelijkheid en voor het overzicht gewenst voor het
verkoopregister bij dit artikel aansluiting te zoeken. Dit artikel
bepaalt dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een
door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin
onverwijld de vereiste gegevens vermeldt.
Op grond van het tweede lid kan de burgemeester vrijstelling
verlenen van bepaalde categorieën goederen, zodat deze niet hoeven
worden geregistreerd.
Toelichting artikel 2.5.3:
Deze bepaling, die is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, van
het Wetboek van Strafrecht, bevat voorschriften die in het algemeen
het gevaar voor heling beogen te voorkomen.
Artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht luidt:
1. De handelaar aangewezen bij algemene maatregel van
bestuur op grond van artikel 437, die een verordening door de raad
van een gemeente ter bestrijding van heling uitgevaardigd en
afgekondigd, overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die van opkopen een
beroep of gewoonte maakt, zonder daarvan te voren de burgemeester
of een door de burgemeester aangewezen ambtenaar schriftelijk in
kennis te hebben gesteld.
De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van
het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het
gemeentebestuur te binden.
De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven
in het Wetboek van Strafrecht, en ontbrak lange tijd in de APV.
Door toevoeging van deze bepaling onder e van artikel 2.5.3 kan de
daartoe aangewezen ambtenaar zowel het inkoop- als het
verkoopregister inzien.
Toelichting artikel 2.5.4:
Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling
betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet
ontbreken. Artikel 2.5.4 voorziet hierin. Deze bepaling sluit nauw
aan op het bepaalde in artikel 437, eerste lid, onder d en f van
het Wetboek van Strafrecht, waar de handelaar onder meer wordt
verplicht een bepaald goed gedurende een bepaalde tijd (maximaal 14
dagen) te bewaren of in bewaring te geven, indien hij daartoe een
last van de politie heeft ontvangen. In artikel 2.5.4 is gekozen
voor een termijn, waarbinnen goederen in het geheel niet
overgedragen mogen worden. Teneinde de handel van de handelaren
niet al te zeer te belemmeren, is gekozen voor een korte termijn
van drie dagen.
Toelichting artikel 2.5.5:
Dit artikel wijkt enigszins af van de overeenkomstige bepaling uit
de model-APV van de VNG. Artikel 2.5.5 - dat is gebaseerd op
artikel 149 van de Gemeentewet - sluit aan op het bepaalde in
artikel 14 van de Drank- en Horecawet. Daarin is het verbod
neergelegd tot het in horeca-inrichtingen uitoefenen van de
kleinhandel in andere goederen dan drank. Dit verbod heeft
overigens slechts betrekking op verkoophandelingen. Het enkele te
koop aanbieden of overdragen van goederen valt daar niet onder.
Deze handelingen kunnen wel onder artikel 2.5.5 worden gebracht. In
tegenstelling tot het VNG-model - dat zich beperkt tot het
tegengaan van handel door handelaren - is in het onderhavige
artikel elke handel (inclusief de directe aanbieding en levering)
door wie dan ook verboden. Daarmee is beoogd een bijdrage te
leveren aan de bestrijding van helingsactiviteiten door onder meer
drugsverslaafden en andere personen, die niet direct als handelaar
in de zin van artikel 2.5.1 kunnen worden gekwalificeerd.
Indien de houder van de inrichting het in artikel 2.5.5 gestelde
verbod overtreedt, kan de burgemeester de inrichting - al dan niet
voor een bepaalde duur - sluiten met toepassing van artikel 2.3.6,
vierde lid, aanhef en onder c, d of f, juncto artikel 2.3.7, eerste
lid, van deze verordening.
§ 2.6 ROUTE GEVAARLIJKE STOFFEN
Toelichting artikel 2.6.1:
Dit artikel is komen te vervallen wegens het wegvallen van de
rechtsbasis. Naar aanleiding van de nieuwe Wet Vervoer Gevaarlijke
Stoffen is een nieuwe routering in voorbereiding.
§ 2.7 VUURWERK
Algemene toelichting § 2.7:
De gemeentelijke vuurwerkbepalingen vinden hun grondslag in het
Vuurwerkbesluit.
Het Vuurwerkbesluit regelt allereerst de import en export van
vuurwerk in en uit Nederland. In de tweede plaats is in het
Vuurwerkbesluit een aantal veiligheidseisen opgenomen met
betrekking tot opslag en bewerking voor zowel consumenten vuurwerk
als professioneel vuurwerk. In de derde plaats bevat het
Vuurwerkbesluit een aantal overige bepalingen die betrekking hebben
op de verkoop en het tot ontbranding brengen van vuurwerk. Het
Vuurwerkbesluit beoogt de verschillen die op dit terrein tussen de
diverse gemeenten bestonden, weg te nemen.
Het Vuurwerkbesluit bevat de volgende uniforme regelingen met
betrekking tot particulieren:
Ten aanzien van verkopers:
- een verkooptermijn van drie werkdagen voor de
jaarwisseling;
- een verbod om per levering een hoeveelheid vuurwerk met
een gewicht van meer dan tien kilogram aan een particuliere
gebruiker af te leveren;
- een verbod om vuurwerk af te leveren aan personen die
jonger zijn dan zestien jaar.
Ten aanzien van consumenten:
- het verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een
ander tijdstip dan tussen 31 december 10 uur en 1 januari 2 uur van
het daarop volgende jaar;
- het verbod vuurwerk voorhanden te hebben op een voor
publiek toegankelijke plaats, uitgezonderd het voorhanden hebben
van vuurwerk ten behoeve van activiteiten die direct samenhangen
met het vuurwerkgebruik bij de viering van de jaarwisseling;
Door de invoering van het Vuurwerkbesluit is de gemeentelijke
bevoegdheid tot regeling van het afleveren en afsteken van vuurwerk
danig ingeperkt. De gemeente is niet bevoegd tot het verlenen van
een ontheffing aan particulieren om gedurende overige dagen in het
jaar vuurwerk af te steken. Thans is dit alleen geoorloofd indien
het afsteken geschiedt door een bedrijf met een vergunning van
Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de aanvrager is
gevestigd en er toestemming is verleend door Gedeputeerde Staten
van de provincie waarin het vuurwerk tot ontbranding zal worden
gebracht.
Voor het college resteren nog de bevoegdheid tot het aanwijzen van
plaatsen in de gemeente waar - in het belang van voorkomen van
gevaar, schade of overlast - in het geheel geen consumentenvuurwerk
mag worden afgestoken.
Toelichting artikel 2.7.1: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.
Toelichting artikel 2.7.2: [vervallen]
Gelet op de strenge regels die het Vuurwerkbesluit stelt aan
vuurwerkbedrijven en de opslag van vuurwerk, wordt voorgesteld de
lokale vergunning om in de uitoefening van een bedrijf vuurwerk af
te leveren of ter aflevering aanwezig te houden te schrappen.
Gevolg van het schrappen van dit artikel is dat de gemeente niet
zelf meer de plaatsing van bedrijven die vuurwerk afleveren of ter
aflevering aanwezig hebben, kan reguleren.
Toelichting artikel 2.7.3:
Het Vuurwerkbesluit bepaalt dat het verboden is om op een ander
tijdstip dan tussen 31 december 10 uur en 1 januari 2 uur van het
daarop volgende jaar vuurwerk af te steken. Ondanks het feit dat
het is toegestaan om vuurwerk op oudejaarsdag - ook overdag - af te
steken, kan het voorkomen dat er plaatsen zijn waar het afsteken
van vuurwerk te allen tijde ontoelaatbaar moet worden geacht. Er
valt dan te denken aan (de omgeving van) ziekenhuizen,
bejaardentehuizen, dierenasiels, drukke winkelstraten en bij huizen
met rieten daken. Het college kan dergelijke plaatsen concreet
aanwijzen.
Het tweede lid van artikel 2.7.3 biedt de mogelijkheid om op te
treden tegen het afsteken van vuurwerk in bijvoorbeeld een portiek
of nabij een groep mensen.
Artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht -
waarnaar in het derde lid van artikel 2.7.3 wordt verwezen - luidt
als volgt: "Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of
geldboete van de tweede categorie wordt gestraft hij die een
vuurwapen afschiet, een vuurwerk ontsteekt of een vuur aanlegt,
voedt of onderhoudt op zo korte afstand van gebouwen of goederen,
dat daardoor brandgevaar kan ontstaan."
Artikel 2.7.3 is gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet.
§ 2.8 BESTUURLIJKE OPHOUDING
Toelichting artikel 2.8.1:
Als gevolg van de wijziging van de Gemeentewet door toevoeging van
de artikelen 154a, is voor de burgemeester de mogelijkheid
gecreëerd om groepen personen voor de duur van maximaal 12 uren op
te houden.
Bestuurlijk ophouden is het op een bepaalde plaats onderbrengen en
vasthouden van groepen ordeverstoorders, met inbegrip van het
overbrengen naar die plaats. Overeenkomstig artikel 154a van de
Gemeentewet oefent de burgemeester de bevoegdheid tot bestuurlijke
ophouding pas uit in geval van groepsgewijze niet-naleving van door
de raad, bij verordening vastgestelde en daartoe specifiek
aangewezen voorschriften tot handhaving van de openbare orde of
beperking van gevaar als bedoeld in artikel 175 Gemeentewet, en
indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting
of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs
niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
Gelet op het bovenstaande heeft de raad een aantal artikelen,
betrekking hebbende op de openbare orde en veiligheid, aangewezen
op basis waarvan bij overtreding de burgemeester kan besluiten
groepen bestuurlijk op te houden.
Bestuurlijk ophouden is een bestuursrechtelijk ultimum remedium.
Bestuurlijk ophouden komt in beeld bij grootschalige verstoringen
van de openbare orde, zoals bijvoorbeeld bij krakersrellen,
demonstraties, risicowedstrijden of grootschalige evenementen. Tot
toepassing mag niet lichtvaardig worden besloten. Andere middelen
moeten niet toereikend zijn om de openbare orde te herstellen. Deze
verstrekkende bevoegdheid zal in de praktijk dan ook niet eerder
toegepast worden dan na overleg met de korpschef van de
regiopolitie en de hoofdofficier van justitie (driehoeksoverleg).
Overeenkomstig artikel 154a, zevende lid, mag de ophouding niet
langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming van
voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van
12 uren. In dat kader is het van belang dat de burgemeester met
enige regelmaat toetst of de bestuurlijke ophouding nog
noodzakelijk is.
§ 2.9 VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN
Toelichting artikel 2.9.1:
Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de
burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden
aan te wijzen, waarin de officier van justitie de
controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de
Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de
controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:
- vervoermiddelen te onderzoeken;
- een ieder aan de kleding te onderzoeken;
- te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt
worden geopend.
De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of
omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de
openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige
vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden
wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef.
De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een
bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter
is dat strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover
in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:
- feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is
van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;
- zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve
veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers
(privacy);
- subsidiariteit en proportionaliteit;
- breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter
verhoging van leefbaarheid en veiligheid.
In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting
worden de voorwaarden voor het aanwijzen van
veiligheidsrisicogebieden beschreven.
§ 2.9a CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN
Toelichting artikel 2.9a.1
Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de raad de
burgemeester bij verordening de bevoegdheid verleend om, indien de
handhaving van de openbare orde dit noodzakelijk maakt, te
besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
De invulling van het begrip ‘openbare plaats’ uit artikel 151c
Gemeentewet is ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare
manifestaties (Wom). Op grond van die wet omvat het begrip openbare
plaats in de meest algemene zin van het woord alle plaatsen waar
men komt en gaat. Vereist is in ieder geval dat de plaats
‘openstaat voor het publiek’. Dat wil zeggen dat iedereen vrij is
om er te komen, te vertoeven en te gaan, en dat er geen beletselen
zijn in de vorm van een meldingsplicht, een eis van voorafgaand
verlof of de heffing van een toegangsprijs (zoals bijvoorbeeld het
geval is bij stadions, postkantoren, gemeentehuizen,
parkeerterreinen, musea, warenhuizen en ziekenhuizen). Voorts geldt
dat het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op
bestemming of op vast gebruik.
Aangezien het ongewenst is dat bij parkeerterreinen, als plaatsen
die wel voor een ieder toegankelijk zijn, geen cameratoezicht in
het kader van de openbare orde mogelijk zou zijn, heeft de raad
gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om deze plaatsen aan te wijzen
als openbare plaatsen (artikel 2.9a.1 lid 2).
De burgemeester kan besluiten cameratoezicht in te stellen op
openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de
openbare orde. Het moet gaan om plaatsing van vaste camera’s
(nagelvast bevestigd).
Er moet sprake zijn van een gebied waarin zich onveilige situaties
of met enige regelmaat wanordelijkheden voordoen. Dit zal moeten
blijken uit een grondige analyse van de veiligheidssituatie die
wordt aangeleverd door de korpschef. Vastgesteld moet worden dat er
een evenwichtige verhouding bestaat tussen het doel en het middel
(proportionaliteit), en dat het doel van de handhaving van de
openbare orde niet op een minder ingrijpende wijze kan worden
bereikt (subsidiariteit). Het gebruik van camera’s moet kenbaar
zijn voor het publiek.
De aanwijzing van een gebied waar cameratoezicht zal worden
ingesteld geschiedt voor een bepaalde duur, die niet langer is en
voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de
handhaving van de openbare orde. Doorgaans zal worden gekozen voor
het instellen van cameratoezicht voor een periode van twee jaar,
waarbij jaarlijks een rapportage wordt opgemaakt. De gemeenteraad
wordt over het instellen van cameratoezicht geïnformeerd, evenals
over de jaarrapportage en tussentijdse wijzigingen in een
cameraproject.
Over het voornemen tot een besluit tot het vaststellen van de
periode waarin de geplaatste camera’s daadwerkelijk zullen worden
gebruikt en de beelden in elk geval rechtstreeks zullen worden
bekeken, voert de burgemeester in het lokale driehoeksoverleg
overleg met de officier van justitie. De beelden kunnen namelijk
onder voorwaarden worden gebruikt ten behoeve van de opsporing en
vervolging van een gepleegd strafbaar feit.
Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een
openbare plaats is een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaat.
In artikel 151c van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting
worden de voorwaarden voor het instellen van cameratoezicht en de
uitvoering daarvan beschreven. Nadere bepalingen betreffende de
uitvoering van het cameratoezicht (de eisen die worden gesteld aan
het camerasysteem, de cameraobservanten en de
cameratoezichtcentrale) staan in het Ontwerpbesluit cameratoezicht
op openbare plaatsen.
§ 2.10 GEBIEDSONTZEGGINGEN
Toelichting artikel 2.10.1:
Eerste lid
Op grond van het eerste lid van artikel 2.10.1 is de burgemeester
bevoegd om een persoon in het belang van:
- de openbare orde;
- het voorkomen of beperken van overlast;
- het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon-
en leefklimaat;
- de veiligheid van personen en goederen; of
- de gezondheid of zedelijkheid,
een verbod op te leggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd
tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen
plaatsen. Om voor een dergelijk verbod in aanmerking te komen,
dient deze persoon strafbare feiten of openbare orde verstorende
handelingen te verrichten en tenminste éénmaal gewaarschuwd te zijn
door de politie. Een dergelijk verbod wordt een gebiedsontzegging
genoemd.
In de beleidsregel gebiedsontzeggingen artikel 2.10.1 APV Rotterdam
wordt het beleid ten aanzien van gebiedsontzeggingen vastgelegd.
Aangegeven wordt hoe de burgemeester of de door of namens hem
gemandateerde ambtenaren van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.
In de beleidsregel wordt bepaald welke feiten en openbare orde
verstorende handelingen aanleiding kunnen geven tot het opleggen
van een gebiedsontzegging. Dit kunnen zowel overtredingen van de
APV als strafbare feiten - zoals bijvoorbeeld opgenomen in het
Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet - zijn.
Tweede lid
Indien na het opleggen van een gebiedsontzegging van 24 uur opnieuw
wordt geconstateerd dat een gedraging plaatsvindt in strijd met de
in de gebruiksinstructie genoemde gedragingen, kan een
gebiedsontzegging van ten hoogste acht weken opgelegd worden. In de
beleidsregel is bepaald dat de duur van een gebiedsontzegging
geleidelijk aan tot acht weken wordt opgebouwd.
Derde lid
Aan een persoon kan slechts een tweede of volgende
gebiedsontzegging worden opgelegd indien hij zich binnen 6 maanden
na het opleggen van een gebiedsontzegging voor een volgende maal
schuldig maakt aan een gedraging als genoemd in de beleidsregel.
Vierde lid
Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang
heeft om zich in het gebied op te houden, wordt het gebied waarop
het verbod van toepassing is dienovereenkomstig aangepast.
Doorgaans zal het gaan om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals
wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat of
hulpverleningsinstanties.
§ 2.11 ZAKKENROLLEN [vervallen]
Toelichting artikel 2.11.1: [vervallen]
Van dit – in 2004 ingevoerde artikel – is vrijwel nooit gebruik
gemaakt. Vandaar dat dit artikel in 2008 is geschrapt.
§ 2.12 STADIONOMGEVINGSVERBODEN
Algemene toelichting § 2.12:
Voetbalwedstrijden en evenementen in stadions gaan soms gepaard met
verstoringen van de openbare orde. Ter voorkoming en bestrijding
van deze openbare ordeverstoringen worden al enige tijd door de
stadions privaatrechtelijke stadionverboden opgelegd aan personen
die de orde in het stadion verstoren. Personen met een
privaatrechtelijk stadionverbod mogen niet in het stadion komen.
In dit artikel gaat het om de bestuursrechtelijke
stadionomgevingsverboden. Hiermee wordt het onder andere aan
voetbalsupporters, die zich schuldig hebben gemaakt aan openbare
orde verstorend gedrag, verboden zich rond het stadion te begeven
in geval er een evenement of voetbalwedstrijd in het stadion
plaatsvindt . Deze stadionomgevingsverboden zijn noodzakelijk omdat
een groot deel van de ordeverstoringen zich niet alleen in maar ook
rondom en in de omgeving van het stadion voordoen.
Toelichting artikel
2.12.1: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in Hoofdstuk 1 opgenomen.
Toelichting artikel 2.12.2:
Eerste lid
De burgemeester kan aan personen waarvan is komen vast te staan dat
deze tijdens evenementen of voetbalwedstrijden de openbare orde
verstoren in de omgeving van het Feyenoordstadion “de Kuip”, het
Spartastadion “het Kasteel” of het Excelsiorstadion “Woudestein”,
een stadionomgevingsverbod opleggen. Tevens kan een
stadionomgevingsverbod worden opgelegd aan personen aan wie reeds
een privaatrechtelijk stadionverbod is opgelegd.
Het stadionomgevingsverbod geldt gedurende een tijdvak van vier uur
voor de vastgestelde aanvangstijden tot vier uur na afloop van de
evenementen en voetbalwedstrijden. In de gebruiksinstructie
‘stadionomgevingsverboden’ wordt het beleid ten aanzien van
stadionomgevingsverboden nader vastgelegd.
Tweede lid
In het tweede lid van artikel 2.12.2 is bepaald dat het
stadionomgevingsverbod geldt gedurende een bepaalde periode welke
niet langer is dan twee jaar.
Derde lid
In het besluit zal precies worden aangegeven voor welk gebied het
verbod geldt. Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een
zwaarwegend belang heeft om zich in het gebied op te houden, wordt
het gebied waarop het verbod van toepassing is dienovereenkomstig
aangepast. Doorgaans zal het gaan om belangen in de persoonlijke
sfeer, zoals wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat
of hulpverleningsinstanties.
HOOFDSTUK 3 PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS
§ 3.1 STRAAT- EN RAAMPROSTITUTIE
Toelichting artikel 3.1.1:
Artikel 3.1.1. bevat regels inzake de straat- en raamprostitutie.
Voorheen verbood dit artikel het tippelen, met uitzondering van het
tippelen op een door het college aangewezen gebied (te weten de
zone aan de Keileweg). Dat artikel werd later uitgebreid met een
vergunningstelsel voor de prostituees die werkzaam waren op deze
tippelzone (de leden twee tot en met acht). Deze vergunningplicht
had tot doel de toegang voor prostituees tot de zone nader te
reguleren. Deze regulatie diende bij te dragen aan de veiligheid
van de prostituees, de bestrijding van de overlast op en rondom de
zone, een beter inzicht in de populatie en het daarop af te stemmen
gericht hulp- en zorgverleningsaanbod en het tegengaan van nieuwe
aanwas.
Op 14 september 2005 is de zone aan de Keileweg echter gesloten.
Ten behoeve van de bescherming van de openbare orde en het woon- en
leefklimaat van de directe omgeving, alsmede de bescherming van de
zedelijkheid en de (geestelijke) volksgezondheid is het wenselijk
dat geen andere tippelzones in Rotterdam meer kunnen worden
aangewezen. Als gevolg hiervan zijn de leden twee tot en met acht
van artikel 3.1.1 na sluiting van de tippelzone aan de Keileweg
komen te vervallen. Hierdoor is het tippelen in heel de gemeente
Rotterdam verboden.
Onderdeel a bevat de omschrijving van straatprostitutie (tippelen).
De redactie van deze bepaling is zó gekozen, dat niet alleen de
prostituee, maar ook de klant strafbaar is bij het zoeken naar
seksueel contact. Het eerste lid van dit artikel betreft het verbod
op gedragingen waarmee iemand - in het openbaar (winkels daaronder
begrepen) - tot prostitutie kan worden uitgenodigd of uitgelokt,
dan wel op deze uitnodiging of uitlokking ingaat. Met de
onderhavige bepaling kan ook worden opgetreden tegen
raamprostitutie.
In onderdeel b wordt het verrichten van ontuchtige handelingen in
het kader van prostitutie strafbaar gesteld. Het verrichten van
deze ontuchtige handelingen wordt in algemene zin verboden, waarbij
het er niet toe doet of deze handelingen in de open lucht, dan wel
in voertuigen plaatsvinden.
§ 2.2 KANSSPELEN
Algemene toelichting § 3.2:
De voornaamste wijzigingen in de artikelen zijn het gevolg van de
Algemene wet bestuursrecht, de Wet milieubeheer, de wijziging van
titel Va van de Wet op de kansspelen en de vaststelling van het
Speelautomatenbesluit 2000. Wijzigingen dienaangaande zijn
aangebracht in de bepalingen ten aanzien van speelautomatenhallen.
Het oude artikel 30 van de Wet op de kansspelen is vervangen door
titel Va (artikelen 30 tot en met 30aa) van de Wet op de
kansspelen. Titel Va van de Wet op de kansspelen regelt tot in de
finesses het systeem van toelatings-, exploitatie- en
aanwezigheidsvergunningen waardoor het legaal exploiteren van
kansspelautomaten mogelijk wordt gemaakt. Grote lokale verschillen
in het beleid laat de wettelijke regeling niet toe. In één opzicht
wordt de gemeentelijke overheid een aanmerkelijke beleidsruimte
gelaten. De raad heeft ingevolge de regeling de bevoegdheid bij
verordening de exploitatie van speelautomatenhallen te regelen.
Voor de exploitatie, dat wil zeggen het bedrijfsmatig en als
eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of
meer speelautomaten, is een door de minister af te geven
exploitatievergunning vereist ingevolge artikel 30h, eerste lid,
van de Wet op de kansspelen.
Voor de opstelling van speelautomaten in bij de wet, artikel 30c,
eerste lid, Wet op de kansspelen aangewezen inrichtingen is een
aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester.
De wet geeft een limitatief aantal plaatsen waar, op basis van een
aanwezigheidsvergunning van de burgemeester, speelautomaten mogen
worden opgesteld. Deze plaatsen zijn:
- horecabedrijven, waar alcoholhoudende drank voor
gebruik ter plaatse wordt verstrekt (artikel 30c eerste lid, onder
a, Wet op de kansspelen juncto artikel 3, eerste lid, onder a en c,
Drank- en Horecawet);
- inrichtingen waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en
ingeschreven is bij het bedrijfschap Horeca (artikel 30c, eerste
lid, onder b, Wet op de kansspelen);
- een speelautomatenhal (artikel 30c, eerste lid, onder c,
Wet op de kansspelen).
De wijzigingen in de Wet op de kansspelen en de vaststelling van
het Speelautomatenbesluit 2000 hebben tot een wijziging in de
regelgeving en van het beleid in Rotterdam geleid. Deze
veranderingen zijn beschreven in de nota Speelautomatenbeleid
Rotterdam 2000.
Voor de wetswijziging hanteerde de gemeente Rotterdam het 1-1-0
beleid. Dit beleid kwam erop neer dat één kansspelautomaat in
hoogdrempelige inrichtingen, één in laagdrempelige inrichtingen en
nul in club- en buurthuizen werden toegestaan. De wetswijziging
dwong een einde af van dit 1-1-0 beleid.
Met betrekking tot kansspelautomaten schrijft de Wet op de
kansspelen voor dat dit er 2 voor hoog- en 0 voor laagdrempelige
instellingen zijn. Wel heeft de gemeente beleidsruimte om het
aantal toe te laten behendigheidsautomaten in een inrichting te
bepalen. In de voornoemde nota is ervoor gekozen om het maximum
aantal speelautomaten per inrichting ongewijzigd op drie te houden.
In hoogdrempelige inrichtingen is naast de twee kansspelautomaten
dus nog ruimte voor één behendigheidsautomataat. In laagdrempelige
instellingen zijn drie behendigheidsautomaten toegestaan.
Ten aanzien van speelautomatenhallen voert de gemeente Rotterdam
een terughoudend beleid. Er worden maximaal 12 speelautomatenhallen
in Rotterdam toegelaten. Per inrichting is het totale aantal
speelautomaten bepaald waarin tevens het aantal kansspelautomaten
aan een maximum is gebonden.
Toelichting artikel 3.2.1: [vervallen]
De inhoud van artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.
Toelichting artikel 3.2.1a:
Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de
Kansspelen over de speelautomaten in werking getreden. De wetgever
had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de
artikelen. Inmiddels heeft het College van beroep voor het
bedrijfsleven (CBB) een aantal uitspraken gedaan, waarin ten
aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen een interpretatie
wordt gegeven. Het gaat hierbij vooral over de begrippen
‘inrichting’ en ‘horecalokaliteit’ en de gevolgen voor hoog- en
laagdrempelige inrichtingen.
Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige
inrichting op een wetstechnische manier. Er dient slechts
beoordeeld te worden of er sprake is van een horecalokaliteit in de
zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze
horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een
zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Over wat wordt
beschouwd als een zelfstandige activiteit is veel jurisprudentie.
Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van
etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren
van kleine etenswaren. Waar precies de grens ligt tussen
ondersteunende activiteiten en zelfstandige activiteiten is een
sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval bekeken moeten
worden, gerelateerd aan de jurisprudentie.
Voor samengestelde inrichtingen geldt het volgende: Indien er
sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich
een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Drank- en Horecawet bevindt, dient te worden bekeken of de
laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg bereikt kunnen
worden via de horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan is de
horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan
kansspelautomaten te plaatsen.
In artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen is bepaald dat
een inrichting laagdrempelig is indien deze niet hoogdrempelig is.
De wet stelt verplicht, in artikel 30c, tweede lid, van de Wet op
de kansspelen, dat bij gemeentelijke verordening wordt aangegeven
hoeveel speelautomaten kunnen worden opgesteld in
horeca-inrichtingen. Met betrekking tot kansspelautomaten schrijft
de Wet op de kansspelen voor dat dit er twee voor hoog- en nul voor
laagdrempelige instellingen zijn.
In de hoogdrempelige inrichtingen mogen in Rotterdam drie
speelautomaten worden opgesteld waarvan maximaal twee
kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen mogen in
Rotterdam eveneens drie speelautomaten worden opgesteld. Hieronder
mogen geen kansspelautomaten zijn maar uitsluitend
behendigheidsautomaten.
Toelichting artikel 3.2.1d: [vervallen]
Toelichting artikel 3.2.2:
De burgemeester kan volgens de Wet op de kansspelen slechts een
vergunning voor de exploitatie van een speelautomatenhal afgeven
indien daartoe door de raad een verordening is vastgesteld. Bij de
vaststelling van de verordening kan de raad niet concreet benoemen
voor welke panden een vergunning kan worden verleend. Dit is een
exclusieve bevoegdheid van de burgemeester. De APV van Rotterdam
biedt ruimte voor twaalf speelautomatenhallen. Hiervan zijn er elf
ingevuld, slechts de locatie “Waterwegcentrum” in Hoek van Holland
staat nog open.
In het tweede lid wordt het stringente beleid vorm gegeven. In een
bij deze bepaling behorende bijlage worden limitatief de
ondernemingsnamen opgesomd waarvoor maximaal één vergunning kan
worden verleend.
Voorheen werden in de bijlage de locaties van de
speelautomatenhallen genoemd. Deze is vervangen door een opsomming
van de ondernemingsnamen. Hiermee behoeft niet meer bij elke,
eenvoudige verhuisbeweging de APV te worden gewijzigd. Tevens is nu
het maximale aantal kansspelautomaten per inrichting opgenomen.
Voorheen werd een minimum aan behendigheidsautomaten genoemd om tot
hetzelfde doel te komen.
In artikel 3.2.2, tweede en derde lid, is uitdrukking gegeven aan
het voorschrift zoals dat in artikel 30c, tweede lid, van de Wet op
de kansspelen is gegeven. Bij gemeentelijke verordening wordt het
aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als
bedoeld in het eerste lid, een vergunning wordt verleend, met dien
verstande dat:
a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder
a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;
b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder
b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden
verleend, op twee wordt gesteld.
Het overtreden van artikel 3.2.2. wordt ingevolge artikel 6.1
gestraft met hechtenis ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Toelichting artikel 3.2.3:
De ondernemer kan tevens eigenaar en beheerder zijn, maar het is
ook mogelijk dat die hoedanigheden niet samenvallen. De bescheiden
die moeten worden overgelegd zijn afhankelijk van de concrete
situatie die zich voordoet. De onder c bedoelde verklaring kan
bijvoorbeeld een huurcontract zijn, waaruit de
beschikkingsbevoegdheid blijkt.
In de nota Speelautomatenbeleid Rotterdam 2000 is
aangekondigd dat zedelijkheidseisen en kennis omtrent gokverslaving
mee gaan wegen bij de vergunningverlening. Hieraan is uitdrukking
gegeven onder d en e.
Onder d wordt aangeknoopt bij artikel van het 4
Speelautomatenbesluit 2000. De vergunning voor een
speelautomatenhal wordt niet verleend aan degene die van niet
voldoet aan de daar opgenomen zedelijkheidseisen.
Onder e wordt gedoeld op het in artikel 5 van het
Speelautomatenbesluit 2000, waaruit blijkt dat zij beschikken over
voldoende kennis en inzicht met betrekking tot het gebruik van
speelautomaten en de daaraan verbonden risico's van
gokverslavingkennis.
Op het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor de
exploitatie van een speelautomatenhal zijn de bepalingen van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Een aanvraag voor een
vergunning dient schriftelijk te worden ingediend bij de
burgemeester. De aanvraag moet worden ondertekend en tenminste de
naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de gevraagde
beslissing bevatten. Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan
van alle gegevens die nodig zijn om de aanvraag te kunnen
beoordelen. Het college kan nadere regels stellen omtrent deze
gegevens.
De vergunning wordt op naam gesteld van de ondernemer en is daarmee
niet overdraagbaar.
Toelichting artikel 3.2.4: [vervallen]
Toelichting artikel 3.2.5:
Het is voor de burgemeester en voor de toezichthoudende
(politie-)ambtenaren niet alleen belangrijk om steeds te weten wie
de ondernemer is, maar ook wie de (dagelijks aanspreekbare)
beheerder is. Vandaar dat in artikel 3.2.5 is bepaald, dat de
ondernemer bij wijziging van de beheerdersfunctie een nieuwe
vergunning moet aanvragen. De burgemeester kan zich dan een oordeel
vormen over de persoon van de beheerder. Aan de persoon van de
beheerder dienen kwaliteitseisen te worden gesteld voor wat betreft
hun levenswandel. Ook dienen zij te beschikken over het nodige
"gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In
die zin begrepen mag de klant geen koning zijn. Ondernemers van
inrichtingen, waarvan de beheerder in gebreke blijft, lopen het
ernstige risico, dat hun vergunning door de burgemeester wordt
ingetrokken (vgl. artikel 3.2.9).
Indien een ondernemer de beheerder verliest, hetzij door
overlijden, hetzij door vertrek, behoeft de ondernemer de
bedrijfsuitoefening niet te staken, indien binnen de aangegeven
termijn van acht weken een nieuwe vergunning wordt aangevraagd. Het
vervallen van de bestaande vergunning van rechtswege betekent dat
belanghebbenden hiertegen geen bezwaar of beroep kunnen aantekenen,
aangezien van een beschikking geen sprake is.
Toelichting artikel 3.2.6:
De bepaling heeft ten doel om automatische voortzetting van
exploitatie van een hal te voorkomen. Bij tussentijds
"openvallen" van de exploitatie dient te kunnen worden
bepaald in hoeverre voor de betreffende locatie opnieuw vergunning
kan/zal worden verleend. Daartoe moet eerst worden overwogen of
handhaving van de locatie gewenst is.
Toelichting artikel 3.2.7:
Met de introductie van de meerspelers kan de burgemeester op grond
van het bepaalde onder c ook het maximaal aantal spelersplaatsen
bepalen.
Toelichting artikel 3.2.8:
Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, levert een
weigeringsgrond op, omdat in artikel 3.2.2 een maximumstelsel is
opgenomen. Het vereiste onder b dient om een speelautomatenhal
duidelijk vanaf de openbare weg voor een ieder herkenbaar te maken.
Tevens is het bedoeld om te voorkomen dat in een achteraflokaal van
een gebouw - waar bij voorbeeld een horecabedrijf wordt uigeoefend
- een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal
mede of uitsluitend via het andere bedrijf bereikbaar zou zijn.
Verwezen wordt nog naar de toegangseisen die in artikel 21 van het
Speelautomatenbesluit 2000 zijn gesteld, wanneer in een hal zowel
kansspel- als behendigheidsautomaten aanwezig zijn. Het criterium
openbare orde is niet opgenomen in de APV met betrekking tot de
exploitatie van speelautomatenhallen, aangezien de Wet op de
kansspelen dit criterium reeds in verband met de weigeringsgronden
voor een aanwezigheidsvergunning van speelautomaten noemt.
De strekking van dit artikel is het afwenden van een ontoelaatbare
nadelige beïnvloeding van de leef- en woonsituatie in de naast
omgeving van de hal.
De jurisprudentie op artikel 30 (oud) en 30c van de Wet op de
kansspelen geeft aan, dat bij de beoordeling van een
vergunningaanvraag voor een speelautomatenhal acht mag worden
geslagen op de mogelijke gevolgen voor het woon-, winkel- en
leefklimaat. In het bepaalde onder e komt tot uiting dat de
vergunning dient te worden geweigerd, wanneer gevreesd moet worden
dat de woon- en leefsituatie door de vestiging van een hal nadelig
zal worden beïnvloed. Daarbij wordt rekening gehouden met het
karakter van de straat en van de wijk/buurt waarin de
speelautomatenhal is gelegen of zal komen te liggen. In de
beoordeling van de aanvrage wordt de spanning waaraan het
woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan
betrokken. Het is ook mogelijk om een vergunning te weigeren,
wanneer er sprake is van een aantasten van het karakter van een
(deel van een) winkelstraat/-buurt/-centrum. Dit kan bij voorbeeld
het geval zijn in een winkelstraat met winkels van een
"exclusief" karakter. Door de vestiging van een
speelautomaat zal er sprake (kunnen) zijn van een ontoelaatbaar
spanningsveld, waardoor een te grote inbreuk mag worden gevreesd op
de bestaande functie van de winkelstraat.
Daarnaast worden speelautomatenhallen conflicterend geacht met
onderwijs- en sociaal-culturele activiteiten (onder f). Onder g is
als weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van
strijd met een geldend bestemmingsplan. In dit verband dient
gewezen te worden op de mogelijkheden van vrijstelling of
ontheffing die het bestemmingsplan nogal eens biedt, alsook de
mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in artikel 19
van de Wet op de ruimtelijke ordening en artikel 50, achtste lid,
van de Woningwet. Deze mogelijkheden beperken de burgemeester niet
in de weigeringsmogelijkheid, maar het lijkt een zaak van
behoorlijk bestuur om, voordat tot weigering van de vergunning
wordt overgegaan, de mogelijkheden van ontheffing, vrijstelling of
anticipatie in overweging te nemen. Voor toepassing van deze
bepaling wordt handelen op grond van een vrijstelling van het
geldende bestemmingsplan beschouwd als handelen in overeenstemming
met het geldende bestemmingsplan. Doel van dit lid is de koppeling
van de vereiste vergunning met het planologisch regime. Vereist is
niet dat de locatie waar vergunning voor wordt gevraagd, in het
bestemmingsplan nadrukkelijk is aangewezen als speelautomatenhal;
het gaat er "slechts" om, dat een bestemmingsplan de
vestiging van een hal niet onmogelijk maakt. Op deze wijze wordt
voorkomen dat op basis van deze verordening een vergunning moet
worden verleend, terwijl later op grond van strijd met het
bestemmingsplan tegen de vestiging moet worden opgetreden.
Toelichting artikel 3.2.9:
De in deze bepaling genoemde gronden voor intrekking van een
vergunning komen in hoofdzaak overeen met de intrekkingsgronden
voor exploitatievergunningen als bedoeld in artikel 2.3.2; zie in
dit verband (de toelichting bij) artikel 2.3.6.
Met betrekking tot de onder a genoemde intrekkingsgrond (intrekking
in verband met gewijzigde omstandigheden of inzichten) zij
opgemerkt dat bij gebruikmaking daarvan de motivering aan zware
eisen dient te voldoen. Het betreft immers omstandigheden waarop de
betrokken ondernemer doorgaans geen invloed kan uitoefenen. Voorts
mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning
normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële
consequenties.
Met betrekking tot het onder b gestelde geldt dat een onderbreking
van de exploitatie voor een periode langer dan in de bepaling
genoemd, niet in alle gevallen aanleiding hoeft te geven om de
vergunning in te trekken. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan
verbouwingen die langere tijd blijken te vergen.
Toelichting artikel 3.2.10: [vervallen]
Toelichting artikel 3.2.11:
Deze bepaling kan worden gehanteerd in het kader van een beleid om
verloedering van de openbare ruimte tegen te gaan. Het gaat hierbij
om gokken op de openbare weg met kaarten, geld, dobbelstenen of
andere voorwerpen (bijv. ook het
"balletje-balletjespel"). Er is een duidelijke relatie
tussen deze bepaling en bepalingen als artikel 3.3.3 (verzameling
van personen in verband met drugs), artikel 2.4.4 (hinderlijk
gedrag op of aan de weg), artikel 2.4.5 (hinderlijk drankgebruik),
artikel 2.4.6 (Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in voor
publiek toegankelijke ruimten).
Toelichting artikel 3.2.12:
Het motief van de bepaling is de handhaving van de openbare orde en
bescherming van de woon- en leefomgeving. Indien door of vanuit
gokpanden overlast wordt veroorzaakt of anderszins de openbare orde
wordt aangetast, is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van
dergelijke panden over te gaan. Illegale casino's e.d. kunnen
met behulp van artikel 3.2.12 effectief worden bestreden. Het gaat
dan in de meeste gevallen om de organisatie van kansspelen zonder
toestemming op grond van de Wet op de kansspelen. Indien - zoals in
het verleden in Rotterdam wel het geval was - buitenstaanders
openlijk worden uitgenodigd om hieraan (aan het plegen van
strafbare feiten) mee te doen, staat vast, dat zonder meer sprake
is van aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan).
Bij de toepassing van deze bepaling ligt intensieve samenwerking
tussen burgemeester en openbaar ministerie voor de hand.
Gokpanden, die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen op basis
van de APV niet worden gesloten. Daarom zijn in artikel 3.2.12
"woningen" uitgezonderd.
§ 3.3 DRUGS
Algemene toelichting § 3.3:
Vanuit de openbare orde optiek gezien draagt het gebruik van met
name hard drugs en de daarbij behorende randverschijnselen in
aanzienlijke mate bij aan de ongewenste verloedering van de stad.
Helaas is groepsvorming van gebruikers en handelaren een permanent,
maar overigens in frequentie, ernst en omvang variërend
verschijnsel op de openbare weg geworden. Met name de
drugsproblematiek rond het Rotterdamse Centraal Station
("perron-nul") heeft in het gehele land de aandacht
getrokken. Maar ook elders in de stad wordt op wisselende plekken
soms ernstige overlast ondervonden van druggebruikers en handelaren
in drugs.
Groepsvorming van drugsgebruikers en -handelaren behoeft op zich
geen acuut gevaar op te leveren voor de woon- en leefomgeving en
voor voorbijgangers. Zeker is wel dat deze groepsvorming bij
passanten sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid, en dus
overlast oproept. Voor het gemeentebestuur is er dan de taak iets
te doen aan de overlastgevende aspecten van gebruik van en handel
in drugs.
Daartoe is in deze APV een aantal bepalingen - specifiek gericht op
deze problematiek - opgenomen. De hier bedoelde bepalingen vormen
een aanvulling op andere bepalingen in deze APV inzake hinderlijk
gedrag op of aan de openbare weg, welke bepalingen evenzeer kunnen
worden gehanteerd in het kader van een beleid, gericht op het
voorkomen en bestrijden van drugsoverlast. Met name worden genoemd:
a. artikel 2.1.1: samenscholing en ongeregeldheden;
b. artikel 2.4.4: hinderlijk gedrag op of aan de weg;
c. artikel 2.4.5: hinderlijk drankgebruik;
d. artikel 2.4.6: hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in
voor publiek toegankelijke ruimten;
e. artikel 2.4.8: messenverbod.
Naast het drugsgebruik op of aan de openbare weg is er nog steeds
het verschijnsel, dat met name hard drugs in bepaalde panden - vaak
midden in woonwijken - worden gebruikt of verhandeld (drugspanden).
Met name in de oude wijken wordt hiervan veel overlast ondervonden.
De politie pakt dan ook regelmatig drugspanden aan. De burgemeester
heeft - met gebruikmaking van het in 1997 ingevoerde artikel 174a
van de Gemeentewet (“Wet Victoria”) vele drugspanden bij wijze van
bestuurlijke handhavingsmaatregel gesloten.
Toelichting artikel 3.3.1: [vervallen]
Dit artikel is komen te vervallen in verband met de invoering van
artikel 13b Opiumwet.
Toelichting artikel 3.3.2:
In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge
van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het
noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen
van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot
doel heeft. Artikel 3.3.2 beoogt een instrument te bieden in de
strijd tegen de overlast, welke wordt veroorzaakt door het op
geregelde tijdstippen en op bepaalde plaatsen of routes aanbieden
en aannemen van verdovende middelen, met name hard drugs. In
artikel 3.3.2 zijn zowel de aanbieders als de "aannemers"
en "bemiddelaars" (drugrunners) strafbaar. Verder is
artikel 3.3.2 zó geredigeerd, dat het er niet toe doet, of
privaatrechtelijk sprake is van koop of verkoop, schenking e.d. De
vraag rijst waaruit het 'kennelijke doel' kan blijken. Dat
dient te blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden,
zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van
transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers etc.
De oude tekst van artikel 3.3.2 bevatte in twee opzichten een
onnodige beperking, die een adequate handhaving in de weg stond. In
de eerste plaats was artikel 3.3.2 alleen van toepassing op het
afleveren, aanbieden en aannemen van verdovende middelen
"binnen de bebouwde kom". Deze beperking is geschrapt,
zodat het artikel ook van toepassing is buiten de bebouwde kom. In
de tweede plaats werd in artikel 3.3.2 strafbaar gesteld het zich
op of aan openbare wegen binnen de bebouwde kom "in een
auto" bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden,
indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt
om verdovende middelen af te leveren, aan te bieden of aan te
nemen. In de praktijk maken handelaren in drugs en hun medewerkers
ook gebruik van andere voertuigen dan auto's. Daarom is de
zinsnede "in een auto" vervangen door de zinsnede
"in of op een voertuig".
Daarnaast is de zinsnede "indien redelijkerwijs kan worden
aangenomen, dat zulks geschiedt" vervangen door "met het
kennelijke doel". Uit jurisprudentie was gebleken dat de oude
formulering teveel deed denken aan 'verdenken'. Daardoor
zou iemand al strafbaar zijn als de politie hem of haar verdenkt
van verkoop van drugs. De nieuwe formulering komt aan dit bezwaar
tegemoet.
Toelichting artikel 3.3.3:
Met behulp van artikel 3.3.3 kan worden opgetreden om de stad vrij
te maken van het zogenaamde drugstoerisme. Dit "toerisme"
geschiedt veelal groepsgewijs. Desondanks kan niet echt worden
gesproken van een "samenscholing" als bedoeld in artikel
2.1.1 van deze verordening. Daarom is voor deze vorm van overlast -
evenals in Amsterdam - een speciale bepaling geredigeerd. Het in
het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing, indien de
verzameling van personen geen verband houdt met drugs. De politie
zal dat in het concrete geval moeten beoordelen op basis van
ervaring en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van
voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen
aanbieders en afnemers etc.
Toelichting artikel 3.3.4:
Vele druggebruikers gebruiken hun (hard) drugs - of treffen daartoe
voorbereidingen - in het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens
van onbehagen en onveiligheid bij het publiek. Op basis van artikel
3.3.4 kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken
gebruikers of deze van bepaalde - bij hen favoriete - plekken
wegsturen. Ook kan de politie de voorwerpen waarmee de overtreding
wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs) strafrechtelijk in beslag
nemen.
In het kader van de hulpverlening komt het voor, dat ook
"veldwerkers" van de GGD of van andere hulpverlenende
instanties op de weg in het bezit zijn van voorwerpen of stoffen,
die worden gehanteerd bij drugsgebruik. Deze veldwerkers vallen
desondanks niet onder deze strafbepaling, omdat zij deze voorwerpen
of stoffen "ambtshalve" bij zich hebben en daarmee geen
overlast veroorzaken. Het in artikel 3.3.4 gestelde verbod is in
beginsel gerelateerd aan het (openlijk) gebruik van drugs en richt
zich dus tot de druggebruikers.
Toelichting artikel 3.3.5:
Artikel 3.3.5 verbiedt het zich ontdoen van attributen die bij
gebruik van (hard) drugs worden gehanteerd. Aangezien deze
attributen in deze tijd veelal gevaarvolle objecten zijn (m.n.
injectiespuiten i.r.m. AIDS) is een algemeen verbod gesteld om deze
op of aan de openbare weg achter te laten. Ook het weggooien van
deze attributen in afvalbakken is op grond van artikel 3.3.5 niet
toegestaan vanwege de risico's voor mensen die in afvalbakken
graaien of deze ambtshalve moeten legen. Spuiten e.d. dienen aan
het "eigen zorgkader" te worden toevertrouwd (medische
diensten e.d.).
§ 3.4 VERBLIJFSONTZEGGINGEN
[vervallen]
TOELICHTING HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU
EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE
GEMEENTE
§ 4.1 GELUID- EN LICHTHINDER
Algemene toelichting § 4.1:
Naast een zogenaamde "kapstokbepaling" inzake
geluidhinder (artikel 4.1.5) bevat paragraaf 1 een aantal
bepalingen die voortvloeien uit het op de Wet milieubeheer
gebaseerde Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
(hierna: het Besluit), dat op 1 januari 2008 in werking is
getreden. Onder dit Besluit valt naast de “stille” horeca zowel de
discotheken als recreatie-inrichtingen (theaters, bioscopen,
gokhallen, vakantie- en pretparken) en sportinrichtingen
(tennisparken, voetbalterreinen, zwembaden enz.).
Alle inrichtingen die onder het Besluit vallen moeten voldoen aan
de bij het Besluit gestelde voorschriften. De voorschriften met
betrekking tot geluid- en trillinghinder zijn zo stringent, dat
deze zeker overtreden zullen worden wanneer in een inrichting
incidenteel een feest wordt gehouden met bijvoorbeeld levende
muziek. Gezien de maatschappelijke functie die de onder het Besluit
vallende inrichtingen vervullen, biedt het Besluit de mogelijkheid
ontheffing te verlenen van de voorschriften die zien op de geluid-
en trillinghinder. De bedrijven waarvoor geluid een belangrijk item
is en die vooral gebruik zullen willen maken van deze regeling zijn
de horeca, discotheken en sociaal-culturele voorzieningen. Op grond
van artikel 2.21 van het Besluit kan de gemeenteraad in een
verordening vaststellen dat gedurende een bepaalde periode de
geluidsvoorschriften van het besluit niet gelden. Voorts biedt het
Besluit in artikel 4.113, eerste lid, ook de mogelijkheid om bij of
krachtens een verordening vast te stellen dat gedurende een
bepaalde periode het artikel over lichthinder in het Besluit niet
geldt.
Het Besluit maakt voor wat betreft de afwijking van de stringente
geluid- en lichtvoorschriften onderscheid tussen "collectieve
festiviteiten", zoals Koninginnedag, carnaval, kermis, en
culturele, sportieve of recreatieve manifestaties, en
"incidentele festiviteiten", die aan één of slechts een
klein aantal inrichtingen gebonden zijn, zoals een optreden met
levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest.
Het Besluit laat het aan de gemeente over te bepalen welke
"collectieve festiviteiten" in aanmerking komen voor een
afwijking van de geluidsvoorschriften. Er geldt geen maximum voor
het aantal collectieve festiviteiten per jaar. Ook voor
sportinrichtingen geldt geen maximum aantal dagen dat afgeweken kan
worden van het lichtvoorschrift. De gemeente dient rekening te
houden met de lokale omstandigheden en zal zelf een inschatting
moeten maken van de overlast. In Rotterdam geldt een maximum van
zeven collectieve festiviteiten per jaar.
In het Besluit is bepaald dat het aantal "incidentele
festiviteiten" niet méér mag bedragen dan 12 per jaar. Ook
hier geldt dat de gemeente moet beoordelen hoeveel overlast de
omgeving toelaat (cumulatieve effect van incidentele
festiviteiten). In Rotterdam geldt een maximum van tien incidentele
festiviteiten per jaar. Uiteraard zal de gemeente de concrete
overlastsituatie per kennisgeving kunnen beoordelen.
Toelichting artikel 4.1.1: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in Hoofdstuk 1 opgenomen.
Toelichting artikel 4.1.2:
In dit artikel is de uitvoering van de regeling opgedragen aan het
college. Er behoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden
genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten
worden aangewezen. Jaarlijks zal het college - in samenspraak met
de plaatselijke horeca - vaststellen op welke data de betreffende
voorschriften niet van toepassing zijn. Om ruimte te bieden voor
het toestaan van onverwachtse collectieve festiviteiten verdient
het aanbeveling, dat niet op voorhand het maximale aantal van zeven
dagen wordt aangewezen.
Het voorschrift genoemd in het tweede lid is met name bedoeld voor
sportverenigingen die buiten de reguliere competities en
recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun
lichtinstallatie. Een voorbeeld van een "collectieve
festiviteit" in het licht van het tweede lid is een sportieve
manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Het
verdient aanbeveling dat het college jaarlijks - in samenspraak met
de plaatselijke sportverenigingen - vaststelt op welke data de
betreffende voorschriften niet van toepassing zijn.
Toelichting artikel 4.1.3:
Artikel 4.1.3 maakt het mogelijk dat tien keer per jaar voor het
organiseren van een incidentele festiviteit vrijstelling kan worden
gekregen van het Besluit. Een voorbeeld van een "incidentele
festiviteit" in het licht van het tweede lid is een
veteranentoernooi of een "vroege-vogels-toernooi".
Het college dient altijd op de hoogte te worden gesteld van een te
organiseren incidentele festiviteit. Dit dient te gebeuren door
middel van een kennisgeving en conform de procedure zoals op het
door het college vastgestelde formulier, wordt aangegeven. Indien
de kennisgeving niet op de juiste wijze geschiedt, dan mag er geen
gebruik worden gemaakt van de vrijstelling. Voorheen diende de
kennisgeving twee weken van tevoren te worden gedaan. Dit zorgde
voor weinig mogelijkheden tot spontaniteit, terwijl hier wel vraag
naar was. Vooral vanuit de horeca was die vraag groot. Daarom is
een en ander aangepast en dient de kennisgeving voortaan vóór
aanvang en op de dag van de incidentele festiviteit te worden
gedaan doch uiterlijk voor tien uur ’s avonds. Omdat een
vrijstelling van de geluid- en lichtvoorschriften in de regel
samengaat met een vrijstelling van de openings- en sluitingstijden
voor horeca-inrichtingen is een koppeling gemaakt tussen artikel
4.1.3 en artikel 2.3.9, zesde lid. Een vrijstelling van de geluid-
en lichtvoorschriften gaat dus altijd gepaard met een vrijstelling
van de openings- en sluitingstijden als bedoeld in artikel 2.3.9,
zesde lid.
Voor festiviteiten op het terras is altijd een
evenementenvergunning nodig. Daarnaast moet er altijd een
kennisgeving worden gedaan om ontheffing van de
geluidsvoorschriften uit het Besluit te krijgen. In de
evenementenvergunning kan door de burgemeester op grond van de
Nadere regels geluidsvoorschriften voor openbare inrichtingen
worden gesteld.
Toelichting artikel 4.1.3a:
Het niet behoeven te voldoen aan de geluidvoorschriften uit het
Besluit betekent voor de exploitanten van inrichtingen overigens
geen vrijbrief om 'onbeperkt (geluid)hinder' te veroorzaken
bij festiviteiten. Op grond van artikel 2.21, tweede lid, van het
Besluit kunnen bij of krachtens gemeentelijke verordening nadere
regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van geluidhinder
bij festiviteiten. Hierbij valt te denken aan het invoeren van een
geluidsnorm of de verplichting om bepaalde maatregelen te treffen.
Artikel 4.1.3a maakt het mogelijk dat het college deze nadere
regels kan stellen.
Toelichting artikel 4.1.4:
Indien de burgemeester van oordeel is, dat een bepaalde
(aangemelde) incidentele festiviteit of het toestaan van
toekomstige incidentele festiviteiten in het concrete geval
ongewenste cumulatie van hinder en overlast met zich mee kan
brengen, kan hij het organiseren van die festiviteit en toekomstige
festiviteiten verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome)
bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarin is
bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van
verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op
de voor publiek openstaande gebouwen.
Toelichting artikel 4.1.5:
Artikel 4.1.5 is een "kapstokbepaling" voor het
bestrijden van geluidhinder in gevallen die niet onder een andere
regeling te vangen zijn. Aan een dergelijk
'vangnet'-artikel blijft behoefte bestaan. Het artikel is
met name van belang om de niet-inrichtinggebonden (veelal
incidentele) activiteiten aan een ontheffingenstelsel te binden.
Artikel 4.1.5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin
de in het derde lid genoemde andere wetten niet voorzien. Onder
andere valt te denken aan:
- een niet permanente activiteit, in een niet-besloten
ruimte, zoals een kermis, een braderie, een rally, een straatfeest,
enz.;
- het door middel van luidsprekers op voertuigen of
anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;
- het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in
winkelstraten;
- het gebruik van diverse geluidproducerende
recreatietoestellen;
- het gebruik van bouwmachines, zoals compressors,
cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;
- het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen,
enz., enz;
- overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat;
- geluidhinder door voer- of vaartuigen.
Voorts kunnen onder artikel 4.1.5 vormen van geluidhinder vallen,
veroorzaakt door het beoefenen van 'lawaaiige' hobby's,
het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van
elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van
koelaggregaten op vrachtwagens, enz.
Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen
geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te
verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke
gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden
nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is
van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen.
Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van
(geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo
nodig met voorschriften.
In het derde lid van artikel 4.1.5 is een uitzondering gemaakt van
het verbod voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Dit
houdt onder andere in dat het verbod van dit artikel niet geldt
voor zover de activiteiten bedrijfsmatig worden ondernomen, dan wel
worden ondernomen in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.
Artikel 4.1.5 biedt derhalve slechts mogelijkheden ten aanzien van
hobbymatige activiteiten. Deze mogen echter weer niet dusdanige
omvang hebben aangenomen dat zij alsnog onder de Wet milieubeheer
vallen. Te denken valt dan aan beunhazerij of een uit de hand
gelopen hobby.
Zoals aangegeven verbiedt dit artikel ook het zich
‘(geluid)hinderlijk’ gedragen met een voertuig of vaartuig.
‘Gedragen’ betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het
stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor of het veroorzaken van
geluidhinder door geluidsapparatuur in voertuigen. Het artikel komt
niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet 1994; de
Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op
het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen
verkeersbelang kunnen doen gelden. Naar de mening van de Minister
van Verkeer en Waterstaat biedt de Wegenverkeerswet 1994 vooralsnog
geen mogelijkheden om verkeersmaatregelen te nemen uit het oogpunt
van beperking van geluidhinder. Op dit ogenblik is een wijziging
van de Wegenverkeerswet 1994 in voorbereiding, die deze
mogelijkheden wellicht wel zal bieden. Aangezien nog niet duidelijk
is wanneer deze wijziging van kracht wordt, is voorlopig deze
bepaling opgenomen.
Toelichting artikel 4.1.5a: [vervallen]
Dit artikel is in artikel 4.1.5 opgenomen.
Toelichting artikel 4.1.5b:
Artikel 2.18 eerste lid, onder f, van het Besluit geeft aan dat bij
het bepalen van de geluidsniveaus van inrichtingen het ten gehore
brengen van onversterkte muziek buiten beschouwing gelaten moet
worden. In artikel 2.18, vijfde lid, van het Besluit wordt nader
gespecificeerd dat bij gemeentelijke verordening ten behoeve van
het voorkomen van geluidhinder regels kunnen worden gesteld met
betrekking tot het ten gehore brengen van onversterkte muziek.
De achterliggende gedachte van deze voorschriften uit het Besluit
is dat het mogelijk moet zijn voor muziekgezelschappen die
onversterkt geluid produceren (zoals harmonie-orkesten, brassbands,
fanfares, etc.) om in een wijkgebouw, buurtcentrum of
horeca-inrichting te kunnen oefenen. De geluidsnormen uit het
Besluit zijn echter zo strikt dat deze activiteiten meestal niet
zonder meer in dergelijke gebouwen plaats kunnen vinden.
Om te voorkomen dat muziekgroepen tot laat in de nacht niet aan de
geluidsnormen hoeven te voldoen, bepaalt artikel 4.1.5b dat voor de
nachtperiode (van 23 - 7 uur) onversterkte muziek wel wordt
beschouwd bij de bepaling van geluidsniveaus. Hierdoor wordt tevens
voorkomen dat handhaving van de geluidsnormen onmogelijk wordt bij
mengvormen van versterkte en onversterkte muziek.
§ 4.2 AFVALSTOFFEN [vervallen]
Deze paragraaf is in de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2008
opgenomen.
§ 4.3 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING
Algemene toelichting § 4.3:
In deze paragraaf is een aantal algemene bepalingen opgenomen,
waarmee wordt beoogd de vervuiling van de stad en de daardoor
veroorzaakte verloedering van de woon- en leefomgeving tegen te
gaan. Het gaat hierbij vooral om gedragingen van burgers inzake het
milieu, waaromtrent in bijzondere wetten als bijvoorbeeld de Wet op
de bodembescherming, de Wet milieubeheer en de Wet chemische
afvalstoffen of de op deze wetten gebaseerde voorschriften of
gemeentelijke verordeningen, dan wel in deze verordening geen
bijzondere regels zijn gesteld. De achtergrond van deze gedragingen
is veelal gelegen in vormen van onachtzaamheid, onzorgvuldigheid
bij de burgerij. De sterk verminderde sociale verbanden in wijken
en de daarmee samenhangende afgenomen sociale controle, leiden tot
een toenemende onverschilligheid jegens de eigen woon- en
leefomgeving. Vervuiling van "het eigen nest" is daarvan
het resultaat. Daarnaast is, samenhangend met de sociale spanningen
in wijken, tevens de tolerantiegraad afgenomen over wat wel en wat
niet acceptabel is. Er zijn daardoor in Rotterdam wijken waar het
woongenot ernstig te lijden heeft onder vervuiling van allerlei
aard. Gedoeld wordt niet alleen op milieuvervuiling door
industriële- of anderszins bedrijfsmatige activiteiten, maar ook op
vervuiling van de openbare ruimte: stoepen, straten, plantsoenen,
gemeenschappelijke tuinen etc. Uit onderzoek is gebleken, dat
"vuil" tot een van de belangrijkste ergernissen van
bewoners behoort. Vervuiling heeft bovendien een sterke relatie met
sociale veiligheid. Een vervuilde buurt roept niet alleen gevoelens
van onveiligheid bij bewoners op, maar geeft ook aanleiding tot
meer criminaliteit. Vervuiling op straat visualiseert de mate van
normbeleving en handhaving in de buurt. Een buurt waarvan het
straatbeeld wordt beheerst door hondenpoep, zwerfvuil, vuilnis en
graffiti, wekt de indruk dat er weinig normbesef is en dat er geen
sociale leefregels gelden.
De in deze paragraaf opgenomen bepalingen hebben dus niet alleen
een zekere moraliserende strekking, maar kunnen ook worden
gehanteerd in het kader van gemeentelijk beleid, gericht op het
terugdringen van de vervuiling van de stad.
Toelichting artikel 4.3.5:
Deze verkeersbeperkende bepaling moet - gezien het verschil in
motief - mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving.
Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de
bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke
verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met
deze wet. Artikel 4.3.5 beoogt niet een verkeersbelang te dienen,
maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter
voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft
het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde,
aangewezen weggedeelten en geldt het slechts gedurende bepaalde
aangeduide dagen en uren. Indien nodig kan deze bepaling worden
toegepast voor structurele parkeerproblemen bij
vuilcontainers/-cocons. Het komt hoe langer hoe meer voor, dat de
vuilcontainers niet uit de cocons kunnen worden gehaald, omdat daar
voertuigen geparkeerd staan. Daarnaast kan dit artikel worden
toegepast voor de veegdienst als alternerend parkeerverbod. Het
kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven
publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke
kennisgeving huis aa n huis, via verplaatsbare borden kunnen
geschieden.
Toelichting artikel 4.3.6:
Artikel 4.3.6 wordt gebruikt tegen personen, die hun natuurlijke
behoefte doen op of aan de weg of in het openbaar water.
Toelichting artikel 4.3.8:
Dit artikel betreft een onderwerp, dat voorheen in de
bouwverordening geregeld was. Aangezien het hier om bepalingen gaat
die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is
tot onderbrenging in de APV besloten.
§ 4.4 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN/ NATUURBESCHERMING
Algemene toelichting § 4.4:
De kapvoorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout binnen
de grenzen van de gemeente. Het doel van de kapvoorschriften is het
behoud van waardevolle bomen. Het begrip waardevol is niet te
definiëren, maar van belang is de waarde uit een oogpunt van
landschapsschoon, natuurschoon, stads- en dorpsschoon, en ook de
waarde voor de leefbaarheid van een straat of buurt, en de waarde
uit het oogpunt van milieu en ecologie.
Bij het opstellen van bepalingen inzake het bewaren van
houtopstanden is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de
model-bomenverordening 1993 van de Vereniging Stadswerk Nederland
en de Bomenstichting. Overeenkomstig de positieve aandacht voor het
milieu is gekozen voor een meer integrale en positieve aanpak. Het
gaat daarbij niet meer alleen om het wel of niet kappen van bomen,
maar vooral ook om aanknopingspunten voor een algemeen boom- en
houtopstandbeschermingsbeleid. Het gaat om het bewaren van
houtopstanden. Daarom zijn in deze paragraaf bepalingen opgenomen
inzake de erfgrensafstand, de boomwaarde, de iepziekte e.d.
Tegelijk is gepoogd de criteria bij de belangenafweging rond een
kapvergunning een plaats te geven binnen het algemene,
gemeentelijke groenbeleid door verwijzing naar "groene"
plannen.
Over die afweging van belangen is inmiddels uitgebreide
jurisprudentie ontstaan, die in het algemeen positief uitwerkt voor
het behoud van bomen. Onder meer blijkt dat bomen niet zonder meer
moeten wijken voor economische belangen, zoals het beter bewerkbaar
zijn van akkers of het voorkomen van water- en voedselonttrekking
of schaduwwerking. Bomen blijken wel dikwijls te moeten sneuvelen
als er sprake is van ernstig gevaar voor omvallen of van overlast,
bijvoorbeeld als gevolg van bladval, verstopping van rioleringen,
vermindering bezonning of uitzicht. Bij verschillende uitspraken
wordt overwogen dat de bomen nog gezond zijn en nog jaren mee
kunnen, zodat zij mede om die reden kunnen worden gehandhaafd.
Toelichting artikel 4.4.1: [vervallen]
Dit artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.
Toelichting artikel 4.4.2:
In deze bepaling is de essentie van deze paragraaf opgenomen: het
verbod om zonder vergunning van het college houtopstand te vellen
of te doen vellen. Met een vergunningsstelsel kan maximale
bescherming worden geboden aan te behouden bomen. Dat is van belang
omdat de onderhavige paragraaf van de APV voornamelijk ten doel
heeft een bepaalde boom of groep van bomen uit esthetisch oogpunt
te sparen. De controle is bij het vergunningsstelsel ook
eenvoudiger, omdat de houteigenaar een vergunning moet kunnen
tonen.
Teneinde te voorkomen dat de houder van een kapvergunning
onmiddellijk gebruik maakt van zijn vergunning - zonder een
eventuele bezwarenprocedure af te wachten - is in het tweede lid
van artikel 4.4.2 voorzien in een opschortende voorwaarde. Eerst
dient te worden afgewacht of derde-belanghebbenden al dan niet
tegen de verleende kapvergunning een bezwaarschrift indienen,
gecombineerd met een verzoek om voorlopige voorziening bij de
rechtbank. Zonder deze opschortende voorwaarde zou de boom reeds
gekapt kunnen zijn, ook al wordt later de kapvergunning door de
rechter onderuit gehaald. Herstel in de oude situatie is dan niet
meer mogelijk.
In geval van spoedeisend belang (bijvoorbeeld: de boom dreigt om te
vallen!) kan het college op grond van het derde lid van artikel
4.4.2 toestemming geven om de boom, waarvoor een kapvergunning is
gevraagd, onmiddellijk te vellen.
In het vierde lid van artikel 4.4.2 is een aantal uitzonderingen op
deze vergunningsplicht opgenomen. Deze uitzonderingen vloeien voort
uit artikel 15, tweede en derde lid, van de Boswet, waarin de
gemeentelijke aanvullende verordenende bevoegdheid wordt erkend met
uitzondering van de genoemde categorieën houtopstand.
Wegbeplanting is alle (openbaar of particuliere) beplanting van
ongeknotte populieren en wilgen (bomen van resp. het geslacht
lat.‘populus’ en ‘salix’. In de vorm van (een) bomenrij(en),
gelegen binnen een zone van 10 meter vanaf de rand van de weg,
waarbij een bomenrij bestaat uit tenminste 20 bomen.
Dunning van bosplantsoen is noodzakelijk voor het behoud van de
soorten rijkdom aan bomen, struiken en kruiden. Onder dunning van
bosplantsoen wordt het volgende verstaan:
indien bomen binnen een groep dicht op elkaar staan, kan dit
problemen geven bij de groei, waarbij zelfs verstikking kan
optreden. Als dit het geval is en snoeien geen oplossing biedt, kan
dat een reden zijn om tot dunning over te gaan, waarbij het
uitgangspunt is om de beste bomen te behouden. Het dunnen mag niet
leiden tot aantasting van het verband van de boomgroep waardoor
overblijvende bomen instabiel worden en grote kans lopen om te
waaien.
Ingevolge de bedoeling van de Boswet is geen kapvergunning nodig
voor houtopstanden die om commerciële redenen worden gehouden.
De verwijzing naar de Plantenziektenwet in het vijfde lid van
artikel 4.4.2 is zinvol voor de handhaving van het
Schildluisbesluit en eventuele andere toekomstige plantenziekten.
Voor wat betreft de iepziekte is - na het vervallen van het Besluit
bestrijding iepziekte - een speciale bepaling opgenomen in deze
paragraaf (artikel 4.4.12).
Indien een boom voor de eerste maal geknot of gekandelaberd wordt
dan is deze handeling vergunningplichtig. Geen vergunning is
vereist indien al eerder een vergunning voor het knotten of
kandelaberen is verleend en het knotten of kandelaberen een
periodieke handeling betreft met het doel de boom in een specifieke
cultuurvorm te handhaven. Indien eerder deze handeling heeft
plaatsgevonden, dan is het opnieuw aanvragen van een vergunning
niet noodzakelijk.
Toelichting artikel 4.4.3:
De eisen die aan een vergunningaanvraag worden gesteld, zijn in
hoofdzaak vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Het
toevoegen van een situatieschets is alleen noodzakelijk wanneer
zich misverstanden kunnen voordoen over de beoogde te vellen bomen.
Wanneer het op een bepaalde locatie om één boom gaat en er ook maar
één boom daadwerkelijk staat, dan is een dergelijke schets niet
nodig.
Houtopstanden, bestemd voor productie, kunnen zowel onder de Boswet
als onder dit artikel vallen. Dit betekent dat in die gevallen een
voorgenomen velling moet worden gemeld aan Staatsbosbeheer en dat
vergunning moet worden gevraagd aan het gemeentebestuur. Artikel
4.4.3, tweede lid, stelt nu dat de wettelijk voorgeschreven
kennisgeving aan Staatsbosbeheer mede wordt beschouwd als een
vergunningaanvraag.
Deze efficiënte werkwijze is mogelijk geworden, doordat het bureau
LASER van de bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving een
afschrift zendt aan het desbetreffende gemeentebestuur. Aangezien
dit afschrift alle gegevens bevat, die het gemeentebestuur voor de
beoordeling van de aanvraag nodig heeft, is een belangrijke
vereenvoudiging verkregen die voor de belanghebbende boseigenaar
vele van de bezwaren van het onderworpen zijn aan tweeërlei gezag
wegneemt.
De woorden "of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid"
zijn in de bepaling opgenomen in verband met gevallen waarin een
overheidsorgaan, bijvoorbeeld een provinciaal bestuur of een
waterschap, bij wijze van bestuursdwang bomen wil vellen, die in
strijd met een verordening of een waterschapskeur geplant zijn.
Deze bestuursdwang zal slechts uitgeoefend kunnen worden, indien de
gemeente een kapvergunning verleent. Het gemeentebestuur zou echter
geen vergunning kunnen verlenen, wanneer de vergunning slechts door
de zakelijk gerechtigde zou kunnen worden aangevraagd.
Toelichting artikel 4.4.3a:
Conform de algemene uitgangspunten van het (anti-) Red Tape-beleid
stelt het (nieuwe) artikel 4.4.3a de beslistermijn voor een
kapvergunning op acht weken, éénmaal (in de zesde week van de
eerste periode) - uiteraard met berichtgeving aan de aanvrager -
met acht weken te verlengen.
Toelichting artikel 4.4.4:
Het college kan om verschillende redenen een kapvergunning
weigeren.
a. wegens natuur- en milieuwaarden: het betreft hier het
ecologisch belang van natuurbehoud en natuurontwikkeling, zoals de
natuurwetenschappelijke betekenis van bomen en houtopstand doordat
daarop zeldzame planten groeien, de invloed op bodemhuishouding en
de foerageer-, nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde
diersoorten;
b. wegens landschappelijke waarden: dit is een meer
eigentijdse benadering van natuur- en landschapsschoon;
c. wegens cultuurhistorische waarden: het kan zijn dat een
bepaalde boom het behouden waard is, omdat er een (mooi) historisch
verhaal bij hoort; te denken valt aan herdenkingsbomen
(koningshuis, geboorte, bijzondere gebeurtenissen) en
geschenkbomen;
d. wegens waarden van stads- en dorpsschoon: waarden
samenhangend met visuele kwaliteiten van de stad en het groengebied
die bepalend zijn voor de stedelijke en dorpsbeleving. De betekenis
van bijvoorbeeld knotbomen en laan- grachtbeplanting als
structurerend element kunnen bepalend zijn voor stedenbouwkundige
kwaliteiten. Ook valt te denken aan het belang van bomen in relatie
tot architectonische belangrijke gebouwen, het monumentale karakter
van de openbare ruimte of de geschiedenis van een plek. Bomen en
houtopstand kunnen door hun omvang, verschijningsvorm of hoge
leeftijd op zichzelf van belang zijn of bepalend zijn voor de
belevingswaarde van de openbare ruimte;
e. wegens waarden voor recreatie en leefbaarheid: men kan
hierbij denken aan bomen die algemeen gewaardeerd worden wegens hun
schaduw of de op zichzelf lelijke of scheve boom die als klimboom
voor de jeugd bekend staat. Maar bomen hebben ook een positief
effect op klimatologische omstandigheden en bieden een visuele
afscherming bijvoorbeeld t.a.v. industrie, verkeer e.d.
Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn
de (stam)omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in
groepen), de standplaats (tussen de bebouwing of in het
buitengebied) en de soort (snel groeiend of langzaam groeiend).
Het college kan ingevolge het tweede lid van dit artikel tevens de
boomwaarde bij hun belangenafweging betrekken. De boomwaarde is
vooral van belang in het onderlinge verkeer tussen gemeentelijke
diensten en afdelingen die nogal eens handelingen (moeten)
verrichten, waardoor bomen kunnen worden gedood of ernstig
beschadigd.
Aan de hand van de boomwaardebepaling kan bijvoorbeeld de afdeling
riolering uitrekenen wat het gaat kosten als een boom moet worden
omgehakt bij de aanleg van leidingen. Vervolgens kunnen deze kosten
worden afgewogen tegen de kosten van het omleggen van de leiding.
Met de boomwaardebepaling kan niet de 'schoonheid' van een
boom worden aangegeven.
Het college zal in het algemeen vergunning verlenen voor het vellen
van een waardevolle boom die een potentieel gevaar vormt voor de
openbare veiligheid, bijvoorbeeld wegens het risico van omwaaien of
het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer. Voorts zal het
college in zijn overwegingen de bezwaren betrekken, die de bewoners
van woningen ondervinden wegens het belemmeren van licht en lucht,
de vochtigheid van de woning, het verstopt raken van goten, enz.
Daarnaast moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het
is beter bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te
verjongen, dan op een kwade dag voor het onontkoombare feit te
staan dat die houtopstanden geheel moeten worden
"afgeschreven".
Een al te starre toepassing van dit artikel kan fnuikend zijn voor
de bereidheid van de burger om uit eigen beweging bomen aan te
planten: hij zou immers terecht kunnen vrezen "er voor eeuwig
aan vast te zitten".
Met de verwijzing naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen-
of landschapsplannen - zoals voorgeschreven in het derde lid van
artikel 4.4.4 - is beoogd zoveel mogelijk eenheid en duidelijkheid
in beleid te verkrijgen.
Het vierde lid van artikel 4.4.4 stelt, dat het college de
gevraagde vergunning zonder meer verleent, indien deze vergunning
wordt gevraagd ter voldoening aan iemands plicht ingevolge boek 5,
artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge deze bepalingen
kunnen naburen elkaar verplichten tot het rooien van bomen,
heesters en heggen binnen een bepaalde afstand van de perceelgrens
(2 meter voor bomen, een halve meter voor heesters en heggen).
Ingevolge het tweede lid van artikel 42 kunnen bij (gemeentelijke)
verordening kleinere afstanden worden toegelaten. In deze paragraaf
is in artikel 4.4.5 gekozen voor afstanden van een halve meter voor
bomen en nihil voor heesters en heggen. Het is duidelijk dat het
college een kapvergunning voor een boom die zich binnen een halve
meter van andermans erf bevindt en waarvan de buurman vindt dat die
boom moet verdwijnen (waartoe de eigenaar van de boom dus
vervolgens civielrechtelijk verplicht is), niet kunnen en mogen
weigeren, mits de algemene verjaringstermijn van 20 jaar niet is
verstreken.
Voorts zal het college een kapvergunning verlenen als er sprake is
van onaanvaardbare veiligheidsrisico’s rond een boom. Boomeigenaren
hebben volgens de wet een zorgplicht voor hun bomen. De eigenaar
kan aansprakelijk gesteld worden voor voorzienbare schade wanneer
sprake is van uitwendig zichtbare gebreken aan een boom.
Het vierde lid van artikel 4.4.4 schrijft verder voor dat het
college de gevraagde vergunning imperatief verlenen indien dat
noodzakelijk is teneinde te voldoen aan de op grond van artikel 37
van het Verdrag inzake de burgerluchtvaart (Verdrag van Chicago van
1944) door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)
vastgestelde eisen, welke verdrag door Nederland is geratificeerd
en voor zover hiervan niet door Nederland met toepassing van
artikel 38 is afgeweken. Doel van de ICAO is de verzekering van een
veilig vliegverkeer. Hoge bomen rond een vliegveld (in casu
Rotterdam Airport) brengen de veiligheid van het vliegverkeer in
gevaar. ICAO stelt eisen op onder meer dit gebied.
De aangesloten staten zijn verplicht aan deze ICAO-eisen te
voldoen. Er is dus geen beleidsruimte voor een gemeentebestuur
indien het wordt verzocht om afgifte van een kapvergunning met het
oog op het voldoen aan de ICAO-eisen.
Toelichting artikel 4.4.5:
Voor de toelichting bij deze bepaling zij verwezen naar de
toelichting bij artikel 4.4.4. Met "nihil" voor heggen en
heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te
beschermen en tot de normale standaard te maken.
Toelichting artikel 4.4.6:
Teneinde mogelijke belanghebbenden in de gelegenheid te stellen
tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de (mogelijke) verlening van
een kapvergunning, is in artikel 4.4.6 een publicatieplicht voor
alle vergunningen (zowel vergunningen gericht aan particulieren als
vergunningen aan de gemeente) opgenomen.
Toelichting artikel 4.4.7:
Het college hanteert als algemeen beleid dat de vergunning na een
jaar ingetrokken kan worden, tenzij deze strekt tot effectuering
van de bouwvergunning.
Toelichting artikel 4.4.8:
Het college kan in het geval van kapvergunningverlening een
herplantplicht opleggen. Het college doet dit in ieder geval,
indien de te vellen houtopstand waardevol is ingevolge een
gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan.
Behalve een termijn kan het college ook aanwijzingen geven met
betrekking tot de herplantplicht. Denkbaar is dat een andere
boomsoort wordt voorgeschreven (bijvoorbeeld iepen die beter
bestand zijn tegen iepziekte). Bij vervanging van een grote boom
kan worden gedacht aan herplanting van een boom van vergelijkbare
grootte of aanplant van meer dan één boompje. Uiteraard dient
herplant bosbouwkundig verantwoord te zijn.
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
voorschriften ter bescherming van in en rond de houtopstand
voorkomende flora en fauna, bijvoorbeeld betrekking hebbend op het
niet uitvoeren van kapwerkzaamheden in het broedseizoen. Het
verlenen van een kapvergunning is een goede mogelijkheid en een
juist moment om burgers meer natuurbewust te maken.
Toelichting 4.4.9:
Als houtopstand, voor het vellen waarvan een kapvergunning is
vereist, zonder vergunning is geveld, dan wel op andere wijze is
tenietgegaan, kan het college een herplantplicht opleggen. Het
college kan dus ook een verplichting tot herplant opleggen, als
houtopstand is tenietgegaan door bijvoorbeeld verwaarlozing of door
een calamiteit (overstroming, ziekte e.d.).
Het derde lid van artikel 4.4.9 betreft houtopstand die nog wel in
leven is, maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij
binnen afzienbare tijd zal tenietgaan. De gemeente zou in dat geval
kunnen wachten totdat de houtopstand geheel is tenietgegaan om dan
vervolgens op grond van het eerste lid van artikel 4.4.9 een
herplantplicht op te leggen.
Het kan echter voorkomen dat de strekking van dit artikel beter
gediend is met het behoud van bestaande bomen dan met de vervanging
daarvan. Met name valt hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn
immers niet of slechts met grote kosten te vervangen, en wat
bijvoorbeeld schoonheid, luchtzuiverende kwaliteit of
nestelgelegenheid betreft, wegen zij op tegen een veelheid van
jonge boompjes.
Krachtens het derde lid van artikel 4.4.9 kan de zakelijk
gerechtigde worden verplicht tot het in stand houden van dergelijke
bomen. Deze verplichting kan inhouden het ongedaan maken of
voorkómen, voor zover mogelijk, van (dreigende) ernstige
beschadiging of aantasting tengevolge van weersomstandigheden,
ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van
bosstrooisel, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van
terreinverhardingen, het storten van afval enz.
Uiteraard dient een bevoegdheid tot het voorschrijven van een
instandhoudingsplicht, evenals alle andere overheidsbevoegdheden,
te worden uitgeoefend met inachtneming van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur, zoals deze bijvoorbeeld worden aangeduid in
de Algemene wet bestuursrecht. Er zal altijd een afweging van
belangen, waaronder ook de financiële belangen van betrokkene,
moeten plaatsvinden.
Toelichting artikel 4.4.10:
Het kan voorkomen, dat de gebruiker of eigenaar van houtopstand,
dat niet geveld mag worden (geen kapvergunning wordt verkregen),
daarvan schade ondervindt. Krachtens artikel 17 van de Boswet wordt
bij weigering van een kapvergunning op verzoek van de eigenaar of
gebruiker een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding uit de
gemeentekas toegekend, indien schade wordt geleden die
redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te
blijven. De eigenaar of gebruiker kan dan een verzoek om
schadevergoeding indienen bij burgemeester en wethouders.
Toelichting artikel 4.4.11:
In dit artikel wordt verwezen naar de meest actuele richtlijnen van
de Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen.
Er is behoefte aan een objectieve monetaire boomwaardebepaling ten
behoeve van schadeberekening en boomwaarde. De Nederlandse
Vereniging Taxateurs van Bomen brengt met regelmaat openbare
richtlijnen uit op het gebied van boomtaxaties. Hierbij worden
actuele ontwikkelingen op de relevante vakgebieden gevolgd. Deze
richtlijnen kenen een brede nationale erkenning.
Toelichting artikel 4.4.12:
Verwezen wordt naar de toelichting bij artikel 4.4.2. Optreden
tegen iepziekte is dringend gewenst om nog enige iepen in ons land
over te houden.
Toelichting artikel 4.4.13:
De artikelen 4.4.13 en 4.4.14 zijn bepalingen, opgenomen ter
bescherming van het openbaar groen. Het eerste lid van artikel
4.4.13 heeft zowel de handhaving van de openbare orde als de
natuurbescherming als motief. Met name kan het berijden van
grasvelden en paden die daarvoor niet geschikt zijn door rij- en
trekdieren niet alleen de veiligheid van wandelaars e.d. in gevaar
brengen, maar ook schade toebrengen aan het openbaar groen.
Toelichting artikel 4.4.14:
Ingevolge deze bepaling is het verboden zonder vergunning van het
college aan of in openbare houtopstand voorwerpen aan te brengen.
Te denken valt daarbij aan verlichtingskabels voor
wintersfeerverlichting, bordjes, vogelhuisjes e.d. Voor de goede
orde: ook grote bomen kunnen aanzienlijke schade ondervinden van
verkeerd bevestigde kabels, trafo’s en verlichtingsarmaturen.
§ 4.5 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST
Algemene toelichting § 4.5:
In deze paragraaf is een drietal bepalingen opgenomen, waarmee
primair wordt beoogd het uiterlijk aanzien van de gemeente te
beschermen. Dit uiterlijk aanzien kan in het geding komen door
ongecontroleerde opslag op particuliere terreinen van allerhande
materialen en voorwerpen, alsmede door reclames aan gebouwen en
door het in het wilde weg plaatsen van reclamevoertuigen in de
gemeente. Een en ander leidt ook niet zelden tot klachten vanuit de
burgerij.
Tevens wordt met artikel 4.5.1 beoogd stankoverlast door opslag van
onwelriekende stoffen tegen te gaan.
Toelichting artikel 4.5.1:
Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen
tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare
gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d.,
en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan
te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels
gebonden is. Deze aanwijzing dient bij openbare kennisgeving te
geschieden.
Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de
"weg" in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze
afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling
genoemde activiteiten plaatsvinden op de "weg" daartegen
kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening
opgenomen voorschriften (zie bijvoorbeeld artikel 5.1.2, tweede
lid, betreffende voertuigen in niet rijklare staat).
Toelichting artikel 4.5.2:
Het aanbrengen (maken) en hebben (voeren) van handelsreclame aan
een onroerende zaak wordt in deze bepaling gebonden aan een aantal
voorwaarden. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, is de
gedraging verboden, tenzij het de omstandigheden in het tweede of
derde lid van dit artikel betreft. Er wordt een aantal algemene
regels voor handelsreclame gesteld waaraan ondernemers zich moeten
houden. Met deze systematiek en uitwerking worden de voorstellen
gevolgd uit het rapport “De ondernemersgerichte APV” dat in
februari 2007 is uitgebracht door MKB-Nederland en het Ministerie
van Economische Zaken.
Handelsreclame is te definiëren als elke openbare aanprijzing van
goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens artikel
3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de
met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die
duurzaam met de grond zijn
verenigd. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in dit
artikel gaat om niet-ideële reclame, waardoor geen gedachten of
gevoelens worden geopenbaard. Volgens vaste jurisprudentie behoren
reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot het eigenlijke
gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7
van de Grondwet.
Dit artikel is dus niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In
artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met
zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De
bedoeling hiervan is uitsluitend die reclame-uitingen buiten de
grondwettelijke bescherming over het openbaren van gedachten of
gevoelens te houden, waaraan het ideële, maatschappelijke of
politieke aspect ontbreekt.
Nadere regels
Het college en de raad komt de bevoegdheid toe nadere invulling te
geven aan de algemene regels, zoals bedoeld in het eerste lid. Deze
kunnen liggen op het gebied van constructieve - en brandveiligheid,
verkeersveiligheid, redelijke eisen van welstand en het voorkomen
van hinder voor buren en omwonenden. Het ligt in de bedoeling van
het college in ieder geval nadere regels voor te bereiden voor
reclame-uitingen welke lichthinder kunnen veroorzaken voor buren en
omwonenden.
Beleidsregels
Daarnaast kunnen beleidsregels die al zijn vastgelegd in relevante
beleidsdocumenten een rol spelen, zoals de door de raad in maart
2006 goedgekeurde Nota Buitenreclame. Ook kan het gaan om
uitgangspunten of criteria die al vastliggen in het hoofdstuk
Reclame van de Koepelnota welstand Rotterdam. Op het gebied van
verkeersveiligheid liggen bijvoorbeeld beleidsregels vast in de
Nota Buitenruimte Rotterdam.
Relatie met art. 2.1.9
Voor alle duidelijkheid moet nog vermeld worden dat voor reclames
die geplaatst worden op, aan of boven de weg, artikel 4.5.2. niet
van toepassing is. In die gevallen geldt artikel 2.1.9 en blijft
een vergunning op basis van de APV nodig omdat de
verkeersveiligheid of hinder van buren in het geding kan zijn. Een
voorbeeld daarvan is de plaatsing van een billboard langs of in de
middenberm van een weg. Bij het verlenen van de APV-vergunning zal
worden getoetst op verkeersveiligheid en op het voorkomen van
hinder.
Relatie met hogere regelgeving
In het derde lid van artikel 4.5.2 is de werkingssfeer van dit
artikel ten opzichte van hogere regelgeving afgebakend. Indien een
van deze hogere regelingen van toepassing is, is artikel 4.5.2 niet
van toepassing.
• Indien een reclameconstructie is aan te merken als
bouwwerk, is voor het plaatsen ervan een reguliere of lichte
bouwvergunning vereist. Het welstandsbelang wordt dan meegewogen
bij de beoordeling.
• Voor het aanbrengen van reclame op een beschermd monument
is volgens artikel 14 van de Monumentenwet 1988 een vergunning
nodig van het college, dan wel van de minister van OCW, indien deze
op grond van artikel 17 van de Monumentenwet 1998 beslist op de
vergunningaanvraag.
• De provinciale Verordening Bescherming Landschap en Natuur
Zuid-Holland bevat bepalingen die het aanbrengen van opschriften en
dergelijke op onroerend goed in de landelijke gedeelten van de
gemeente verbieden, behoudens ontheffing van Gedeputeerde Staten.
Toetsingscriterium is daarbij het belang van het landschapsschoon.
• De afbakening met de Wet milieubeheer is alleen
noodzakelijk ten aanzien van lichtreclame. Voorschriften over
hinder veroorzaakt door lichtreclame aan de gevel van een
horecabedrijf moeten worden opgenomen in de milieuvergunning van
het desbetreffende bedrijf of worden gebaseerd op het Besluit
horeca-, sport, en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Hinder in
de zin van de Wet milieubeheer zal veelal samenvallen met het
voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van de in de
nabijheid gelegen onroerende zaak. Dit is geregeld in artikel
4.5.2. waardoor ook inrichtingen die niet vallen onder de Wet
milieubeheer toch op dit punt zullen kunnen worden beoordeeld.
Toelichting artikel 4.5.3:
Het plaatsen of hebben van (brom)fietswrakken op de weg is - anders
dan het plaatsen of hebben van een voertuigwrak op de weg (zie
artikel 5.1.5) - niet echt te beschouwen als een parkeerexces.
Daarom is deze nieuwe bepaling ondergebracht in hoofdstuk 4,
paragraaf 5 van de APV (maatregelen tegen ontsiering en
stankoverlast). Door deze verbodsbepaling wordt het voor de ROTEB
gemakkelijker (brom)fietswrakken - waar niemand zich meer om
bekommert - van de weg af te halen, aangezien in casu sprake is van
een strafbaar feit. Het doet hierbij niet terzake of de betreffende
(brom)fiets al dan niet op slot staat. Een (brom)fietswrak is een
wrak indien de (brom)fietsen, die in alle redelijkheid niet meer te
berijden zijn, en die door de eigenaar - om wat voor reden dan ook
- niet meer (kunnen) worden onderhouden.
§ 4.6 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN
De Wet op de openluchtrecreatie is komen te vervallen per 1 januari
2008. Daarom is het gewenst deze paragraaf in te voeren opdat
misverstanden ten aanzien van kamperen buiten kampeerterreinen
kunnen worden voorkomen.
Toelichting artikel 4.6.1:
Uitgangspunt is dat als het bestemmingsplan niet expliciet toestaat
dat een bepaald terrein als kampeerterrein mag worden gebruikt, het
terrein niet structureel dan wel incidenteel zal worden gebruikt
als kampeerterrein. Dit algemene verbod is de essentie van deze
paragraaf. Voor de gebieden die in het bestemmingsplan zijn
aangewezen als kampeerterrein kunnen algemeen geldende
voorschriften worden opgesteld. Overtreding hiervan zal dan worden
gesanctioneerd door het opleggen van een dwangsom of het toepassen
van bestuursdwang.
De woorden ‘eigen gebruik’ zijn niet nader ingevuld, maar het eigen
gebruik zal wel redelijk moeten zijn. Het is bijvoorbeeld niet de
bedoeling dat burgers overlast ondervinden van een structureel
tentenkamp op het eigen terrein van een rechthebbende.
Het college kan, op grond van het derde lid, ontheffing van het
verbod verlenen.
De ontheffing kan geweigerd worden op grond van het bepaalde in
artikel 1.7, maar ook in het belang van de bescherming van een
stadsgezicht of de bescherming van natuur en landschap Of de
bescherming van natuur en landschap dan wel het stadsgezicht in het
geding is, ligt ter beoordeling van het college.
HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE
HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
§ 5.1 PARKEEREXCESSEN
Toelichting artikel 5.1.1:
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "weg"
verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
verstaat, namelijk alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen
of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en
de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
Toelichting artikel 5.1.2:
Artikel 5.1.2, eerste lid, onder a, beoogt optreden mogelijk te
maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-,
herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken
als stallingsruimte voor auto's die hen toebehoren of zijn
toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van
parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien
hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief). Dit
verbod geldt niet “automatisch”, het college moet eerst een
aanwijzingsbesluit nemen waarbij een gebied en/of periode wordt
genoemd waar het verbod gelding heeft.
In toenemende mate wordt geklaagd over door velen als
(neven)bedrijf uitgeoefende reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op
de weg geparkeerde voertuigen. Deze werkzaamheden geven veelal
klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in
mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze
activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Op grond van artikel
5.1.2, eerste lid, onder b, kan hiertegen worden opgetreden.
Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de
strafbaarheid van het herstellen of slopen op de weg niet te
relateren aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie of
meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen van een voertuig
bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich
in de onmiddellijke omgeving meer auto's bevinden die
betrokkene "toebehoren of zijn toevertrouwd". Er zij op
gewezen dat zowel het verontreinigen van de weg als het veroorzaken
van hinderlijk rumoer reeds is verboden in de artikelen 4.3.1 en
2.4.4 van de APV. Met het oog op het toenemend aantal klachten is
een strafbepaling, welke zich in het bijzonder richt tot de
onderhavige activiteiten, wenselijk naast genoemde (algemene)
verbodsbepalingen.
Het tweede lid verschaft de mogelijkheid om ook op te treden tegen
excessief gebruik van de openbare weg door (voertuigen van)
rijschoolhouders en taxibedrijven.
In het derde lid, onder a, is het woord "vergen" gebezigd
in plaats van "duren" ten einde twijfel over de vraag of
met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een
half uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het
gebruik van de term "vergen" beschikt men over een meer
objectieve maatstaf. De in het eerste lid gestelde verbodsbepaling
geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de voor
persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de exploitant.
Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het
algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in
aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de
exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem
toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Te
denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds
lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op
eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte
te creëren respectievelijk daarover op andere wijze de beschikking
te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden
verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende
welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de
weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal
voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag
worden geparkeerd.
Toelichting artikel 5.1.3:
Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop
aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig
betreft, is dit geen echt probleem. Anders ligt het wanneer de
voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve
dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke
uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt
er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd.
In deze bepaling is gekozen voor een constructie waarin het college
de bevoegdheid heeft gebieden aan te wijzen waar het verbod van
kracht is. Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is
van overlast kan het college het verbod activeren.
Toelichting artikel 5.1.4:
Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare
voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van
een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht
om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een
volwaardig voertuig te creëren. Niet altijd slaagt hij in deze
poging, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het
na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt
zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het
excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het
tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het
voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren
een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen
en om die reden excessief zijn.
Toelichting artikel 5.1.5:
Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren
gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen
opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft
een achtergelaten voertuigwrak of chassis in de eerste plaats
aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld
vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en
voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een
wrak is dus primair om die reden excessief. Daarnaast speelt echter
ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol bij het
uitvaardigen van dit verbod.
Toelichting artikel 5.1.6:
Eerste lid, onder a
Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of
hebben van caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens e.d. op
de weg. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
aanhangwagen e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze
bepaling niet langer meer voorkomen. Op het moment dat een voertuig
langer dan drie dagen op dezelfde plaats staat, kan op grond van
dit artikel worden opgetreden, mits het college die weg of plaats
als zodanig heeft aangewezen.
Met de zinsnede 'of een ander dergelijk voertuig dat
uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
gebezigd' is beoogd aan te geven dat alle soorten
(aanhang)wagens en voertuigen, die niet 'dagelijks' worden
gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het
excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats
gelegen in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee
gepaard gaat.
Daarnaast is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de
gemeente.
Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie
(achtereenvolgende en onafgebroken) dagen wordt niet verboden,
opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen,
caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
respectievelijk na de reis op te ruimen.
Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van
het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod.
Toelichting artikel 5.1.7:
In de praktijk wordt vaak geklaagd over het in het wilde weg
plaatsen van voertuigen, aanhangwagens e.d. op of langs de weg met
de kennelijke bedoeling om daarmee reclame te maken. Dit doet
afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de gemeente. Daarom is in
artikel 5.1.7 voorzien in een verbod om dergelijke voertuigen op de
weg te plaatsen, behoudens ontheffing van het college.
Deze bepaling is overigens niet bedoeld voor bedrijfsauto's die
voorzien zijn van eigen handelsreclame. Er wordt immers gesproken
over het parkeren van voertuigen "...met het kennelijke doel
om daarmee handelsreclame te maken". De hierboven bedoelde
voertuigen worden niet primair voor het maken van deze reclame
gebezigd.
Toelichting artikel 5.1.8:
Artikel 5.1.8 beoogt het gemeentebestuur mogelijkheden te
verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente
door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan
alsmede het parkeren van grote voertuigen voor gebouwen waardoor er
voor bewoners of gebruikers hinder ontstaat. Het doen of laten
staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals
op dorpspleinen, vóór monumenten en historische gebouwen, in
parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige
aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen.
Vrachtauto's, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto's
bij voorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend
element vormen. Het zijn deze situaties waarop dit artikel ziet.
Aangezien de plaatsen waar ontsiering van de hiervoor vermelde
objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds aan te geven zullen
zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod slechts geldt
ten aanzien van die plaatsen die het college heeft aangewezen. Dit
aanwijzen kan bijvoorbeeld in de praktijk eenvoudig geschieden
doordat het college in zijn besluit verwijst naar een plattegrond
van de gemeente waarop de plaatsen waar niet mag worden geparkeerd
worden gearceerd. Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook
betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg.
Het tweede lid van artikel 5.1.8 beoogt optreden mogelijk te maken
tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg, als dat gepaard
gaat met een excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot dit
motief "buitensporig gebruik van de weg", moge nog worden
opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het
parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van
één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.
Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote
voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of
deze aanwijzing is gebaseerd op het eerste lid of het tweede lid,
zulks mede in verband met het bepaalde in het derde lid.
De in het derde lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op
(het parkeren van) "hoogwerkers", meetwagens e.d.
De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge
het vierde lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het
weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen
niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook
gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name
handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het
geding is. Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit
naar de mening van het college schadelijk is voor dit uiterlijk
aanzien, moet te allen tijde verboden kunnen worden. Daarom geldt
de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor het in het
eerste lid gestelde verbod.
Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld
in het tweede lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van
vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of
overlast wordt aangedaan, verboden krachtens artikel 5.1.9.
Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent het
zesde lid aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in het
eerste lid, onder a, en het tweede lid omschreven verboden een
ontheffing te verlenen.
Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden in
incidentele gevallen zou leiden tot een onevenredige aantasting van
bedrijfsbelangen.
Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden
bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven -
ongeacht de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich
nog geen ontheffing. Aan een ontheffing kunnen uiteraard
voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats
waarop deze zal gelden.
Een ontheffingsmogelijkheid ten aanzien van het eerste lid, onder
b, is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid
te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
parkeren.
Toelichting artikel 5.1.9: [vervallen]
Dit artikel is opgenomen in artikel 5.1.8.
Toelichting artikel 5.1.10:
Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of
gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan
door het parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen,
zoals vrachtauto's van destructiebedrijven, vismeelfabrieken
e.d. Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten
staan van voertuigen met stankverspreidende stoffen buiten de weg
in de zin van de WVW.
Een ontheffingsmogelijkheid wordt niet geboden. Deze mogelijkheid
valt niet goed te rijmen met het hinderlijke karakter van het hier
bedoelde parkeren.
Toelichting artikel 5.1.11:
Artikel 5.1.11 maakt het mogelijk van overheidswege op te treden
tegen overlast die veroorzaakt wordt door het plaatsen van twee- of
driewielige fietsen of twee- of driewielige bromfietsen buiten
fietsenstallingsplaatsen. Het gaat om plaatsen waar zich grote
concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bij
stations, winkelcentra, culturele instellingen en dergelijke.
Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
plekke aanwezig zijn. Door het college aangewezen plaatsen zullen
moeten worden voorzien van borden, waarop staat aangegeven dat
foutief gestalde (brom)fietsen zullen worden verwijderd (is
toepassing van bestuursdwang).
Onderdeel b beoogt optreden mogelijk te maken tegen overlast van
fietsen die langer dan vier weken onbeheerd staan. In de onder b
bedoelde aan te wijzen gebieden is de restrictie minder vergaand
dan onder a, waarin bepaald is dat in het aan te wijzen gebied niet
buiten fietsvoorzieningen mag worden geparkeerd. In gebieden die
onder b worden aangewezen mag wel overal worden geparkeerd, maar de
(brom)fietsen mogen niet langer dan 4 weken onbeheerd staan. Het
gebruik van het tweede lid zal dan ook een breder gebruik kennen.
Echter in woonstraten moet het bewoners mogelijk blijven hun fiets
wegens slechte weersomstandigheden een paar maanden buiten te laten
staan.
De in overtreding zijnde (brom)fietsen zullen worden gemarkeerd en
zonodig onder bestuursdwang verwijderd.
Ten aanzien van zogenaamde "fietswrakken" zij verwezen
naar artikel 4.5.3.
Toelichting artikel 5.1.12:
Dit artikel beoogt optreden mogelijk te maken tegen overlast van
(brom)fietsen die de normale functie van het trottoir belemmeren.
De normale functie van het trottoir is de verplaatsing van
personen. Daarnaast kan het trottoir kortstondig gebruikt worden om
(brom)fietsen te parkeren.
Artikel 5.1.12, onder a, geeft aan dat men op normale wijze een
gebouw moet kunnen betreden en dat men uitzicht moet houden.
Onderdeel b geeft aan dat het trottoir de normale functie, het
verplaatsen van mensen moet kunnen behouden. Ook mensen met
rollators en rolstoelen moeten zich kunnen verplaatsen. De
feitelijke hinder voor de belangrijkste functie van het trottoir,
verplaatsing, is hier het uitgangspunt voor handhaving.
Onderdeel c beoogt een vrije doorgang te garanderen voor visueel
gehandicapten. Vrij moet hier worden opgevat als ongehinderd voor
iemand die niet kan zien als er een obstakel op of direct naast de
geleidelijnen zich bevindt.
De onderdelen d en e geven aan dat verboden is de (brom)fiets zo te
parkeren dat in- en uitstapplaatsen van het openbaar vervoer worden
versperd, straatmeubilair niet kan worden gebruikt.
Onderdeel f verbiedt het parkeren tegen monumenten of gedenktekens.
De in overtreding staande (brom)fietsen zullen zonodig onder
spoedeisende bestuursdwang verwijderd kunnen worden. Het
spoedeisende karakter wordt veroorzaakt door de feitelijke hinder
en belemmering van bijvoorbeeld opstapplaatsen van het openbaar
vervoer en door het gevaar voor de volksgezondheid door
bijvoorbeeld struikelgevaar.
Toelichting artikel 5.1.13:
Eerste lid
Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat
groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken
worden benut voor het parkeren van voertuigen.
Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van
groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen
te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming
te doen beantwoorden.
Tweede lid
Bij de onder a bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan
voertuigen, in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij
de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen
als bedoeld onder b.
§ 5.2 COLLECTEREN, VENTEN EN STANDPLAATSEN
Toelichting artikel 5.2.1:
Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op
de liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten,
inschrijvingen, verkoop van steunbonnetjes, enz. Dat er zich bij
inzamelingsacties ongewenste en bedrieglijke praktijken kunnen
voordoen, is bekend. Veelal gaan inzamelingsacties uit van volkomen
betrouwbare instellingen; evenwel komt het ook voor dat de bedoelde
inzamelingen e.d. uitgaan van instellingen of personen die in het
geheel geen steun verdienen of wier beroep op de algemene
liefdadigheidszin niet gemotiveerd is. Ook komt het voor dat
slechts in naam een instelling bestaat, terwijl in werkelijkheid
alleen particuliere belangen worden gediend. Voorts kan er sprake
zijn van misbruiken in die zin dat de giften die liefdadige
personen ter beschikking stellen slechts voor een klein deel ten
goede komen aan het (beweerde) charitatieve doel.
Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van
ongewenste praktijken primair op de weg van de gemeenten die het
vergunningenbeleid voor inzamelingen, straatcollecten en dergelijke
in handen hebben.
Ingevolge artikel 5.2.1, eerste lid, is het houden van een openbare
inzameling gebonden aan een vergunning van het college.
Voor de toepasselijkheid van de onderhavige bepaling is het niet
nodig dat de inzameling zich naar haar aard en opzet richt tot een
ieder zonder onderscheid. Voor de openbaarheid van de inzameling is
voldoende dat deze aan de openbare weg of van daaraf zichtbaar dan
wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
plaatsvindt.
In het derde lid van artikel 5.2.1 is voorts een uitzondering
opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden "in besloten
kring". De uitdrukking "in besloten kring" doelt op
gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon tot
wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de
actie. Het begrip “besloten kring" veronderstelt echter een
nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal
tevens moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke
bekendheid met elkaar is.
Het door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving voor het
inzamelingswezen jaarlijks opgestelde collecteplan dient de
gemeentebesturen als leidraad voor een plaatselijk collecterooster.
Bij het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn nagenoeg alle
Nederlandse gemeenten aangesloten. Het Centraal Bureau
Fondsenwerving stelt zich tot taak te bevorderen dat de werving van
middelen en de propaganda voor doeleinden te algemenen nutte op
aanvaardbare wijze geschiedt, een en ander zowel in het algemeen
belang als in het belang van de erbij betrokken instellingen.
Toelichting artikel 5.2.2:
Onder venten met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening
van kleinhandel waarbij goederen aan willekeurige voorbijgangers
worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen
of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging
is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere
plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen
venten. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.
Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een
reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
gevraagd. In principe worden bij collecteren geen goederen
aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig
bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen
of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar
liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De
goederen worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder
vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen
moeten worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat
de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel
doel.
Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop
aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, al dan niet
gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het onderscheid tussen venten
en het innemen van een standplaats, betreft de periode gedurende
welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden
aan willekeurige voorbijgangers. Het tien minuten standplaats
innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning,
HR 26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar
dus uit.
Het oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten,
behalve als met een door het college verstrekte vergunning werd
gehandeld. In 2008 is gekozen voor een algemene regel. Het is nog
slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de
openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
komen. De terminologie sluit aan bij de Europese dienstenrichtlijn.
Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de meeste
gevallen) en verkeersveiligheid.
Het eerste lid, onder b, is ingevoegd om te voorkomen dat burgers
in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.
In het tweede lid wordt aangegeven welke handelingen niet onder
venten worden verstaan.
Het derde lid regelt dat het college wegen kan aanwijzen waar het
ventverbod geldt. Zo’n verbod kan bijvoorbeeld worden ingesteld ter
voorkoming van overlast.
Het vierde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving.
Artikel 5 van de Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden
zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of
kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd
of kan worden gehinderd.
Toelichting artikel 5.2.3: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in artikel 5.3.4 verwerkt.
Toelichting artikel 5.2.4:
In deze bepaling is het vergunningsvereiste vastgelegd. Alleen
natuurlijke personen komen in aanmerking voor een vergunning. Per
persoon wordt ook maar één vergunning verleend, teneinde handel in
vergunningen te voorkomen. Aan de vergunning kan het college
voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen betrekking
hebben op het aantal dagen per week dat standplaats kan worden
ingenomen of het kunnen speciale voorschriften zijn met betrekking
tot de verkoopinrichting.
De gemeentelijke standplaatsbepalingen hebben tot doel het innemen
van een standplaats op de openbare weg met een mobiele
verkoopinrichting te reguleren.
Kernbegrip in deze verordening vormt de mobiliteit van de
verkoopinrichting, met dien verstande dat de vergunninghouder
verplicht is om iedere dag na sluitingstijd zijn verkoopinrichting
te verwijderen van de standplaats. Onder een mobiele
verkoopinrichting wordt mede een grondplaats, een kraam, een tafel
of enig ander daarmee te vergelijken middel verstaan.
Voorts strekt deze bepaling ter bescherming van meerdere belangen.
De aangevraagde locatie op de openbare weg wordt onder meer
getoetst aan de openbare orde, waaronder begrepen het tegengaan van
verkapte marktvorming, aan de verkeersvrijheid en de -veiligheid
alsmede aan het uiterlijk aanzien der gemeente.
Toelichting artikel 5.2.5:
In deze bepaling is een achttal weigerings- en intrekkingsgronden
voor standplaatsvergunningen opgenomen.
Ten aanzien van het onder d genoemde toetsingscriterium "in
het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
gemeente" dienen de volgende richtlijnen als referentiekader.
A. Locatie-eisen:
1. niet in looproutes;
2. niet in zichtlijnen;
3. niet voor of tegen monumenten respectievelijk
kunstobjecten;
4. niet voor of tegen monumentale gebouwen.
ad 1. Looproutes:
Een looproute moet worden gezien als een doorgaande route in de
stad ("van punt A naar punt B") die door een aanzienlijk
aantal voetgangers wordt gebruikt. Essentie van het criterium is
dat er voldoende doorloopmogelijkheden voor de voetgangers moeten
zijn, teneinde een redelijke doorstroming te waarborgen. Daarbij
dient rekening te worden gehouden met factoren als:
- verschijningsvorm van het voetgangersgebied (plein,
straat);
- de functie van het voetgangersgebied (winkelstraat,
promenade);
- breedte van de straat/het plein;
- voetgangersintensiteit ter plaatse;
- aanwezige elementen, als bomen, straatmeubilair e.d.
Het zal duidelijk zijn, dat het onmogelijk is - gelet op het feit,
dat er een enorme schakering in buitenruimten bestaat - een alles
omvattende definitie van het begrip looproute te formuleren. Per
geval zal moeten worden bezien of er sprake is van een looproute of
in dat concrete geval - bij toewijzing van een standplaats - de
looproute in voldoende mate gehandhaafd blijft. Een en ander zal
bijvoorbeeld aan de hand van situatietekeningen, foto's e.d.
inzichtelijk moeten worden gemaakt.
ad 2. Zichtlijnen:
Het begrip zichtlijn heeft te maken met de ruimtebeleving van en
oriëntatie in de stad op straatniveau. Het betreft het uitzicht op
karakteristieke delen (gebouwen, kunstwerken, straten, pleinen,
parken e.d.) van de stad. Hetgeen echter hierboven bij de
looproutes is vermeld, geldt ook hier. Het is onmogelijk - en
bovendien ook ongewenst - om bijvoorbeeld vast te leggen welke
zichtlijnen van essentiële betekenis zijn. Ook hier geldt dat per
concreet geval bezien moet worden of sprake is van een belangrijke
zichtlijn of door het plaatsen van een standplaats aan deze
zichtlijn op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan.
ad 3/4. Monumenten, monumentale gebouwen, kunstobjecten:
Het zal duidelijk zijn, dat een standplaats gesitueerd rond een
monument, monumentaal gebouw of een kunstobject in ernstige mate
afbreuk kan doen aan de (belevings)waarde van een dergelijk object.
Onderzocht is of door middel van het formuleren van een
afstandscriterium (bijvoorbeeld binnen een straal van 20 meter rond
een dergelijk object is het verboden standplaats in te nemen) het
mogelijk is een standplaats toe te staan, zonder dat daardoor
ernstige afbreuk aan bijvoorbeeld het monument wordt gedaan. Een en
ander is een nauwelijks te volbrengen opgave gebleken. Van
essentieel belang hierbij is dat de omvang van het object bepalend
is of een standplaats ter plaatse al of niet aanvaardbaar is. Hoe
kleiner het monument/standbeeld, des te storender kan het innemen
van een standplaats ter plaatse zijn. Bovendien is de relatie met
de boven reeds uitgelegde begrippen zichtlijn en looproute in het
onderhavige geval zeer duidelijk aanwezig. Het is derhalve gewenst
per concrete situatie te bepalen of sprake is van een monument, een
monumentaal gebouw of een kunstobject en in hoeverre het innemen
van een standplaats ter plaatse - met inachtneming van ongetwijfeld
aanwezige zichtlijnen op de objecten - aanvaardbaar is.
De weigeringsgrond “uiterlijk aanzien van de gemeente” kan dus
gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen
op zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met
deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden
tegengegaan, ook is het aanzien van monumentale gebouw of
stedenbouwkundige ensembles te waarborgen. Het college kan
zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond bepalen.
Toelichting artikel 5.2.6: [vervallen]
De standplaatscommissie wordt niet opgeheven. Wel wordt de
instelling van de standplaatsencommissie uit de APV gehaald. Het is
niet noodzakelijk dit in de verordening te regelen. Het college kan
zelf hiertoe besluiten.
Toelichting artikel 5.2.6a: [vervallen]
Toelichting artikel 5.2.7:
Naast de hierboven vermelde algemene toetsingsgronden heeft de het
college de mogelijkheid om bij afzonderlijk besluit gebieden aan te
wijzen waarbinnen in beginsel geen standplaatsvergunningen zullen
worden afgegeven.
Het betreft hier met name gebieden in de stad die in hoge mate
representatief zijn en waar bovendien in de komende jaren grote
veranderingen te verwachten zijn, waarbij de inrichting van met
name het openbaar gebied een dominante rol zal spelen.
Desondanks wordt de mogelijkheid gecreëerd om in deze gebieden tóch
standplaats in te nemen met beperkingen ter zake van de omvang van
de verkoopinrichting. De verkoopinrichting mag niet groter zijn dan
2 m2 , met dien verstande dat de omvang niet meer dan 2
kubieke meter mag bedragen.
Het college is bevoegd om met inachtneming van de reguliere
toetsingsgronden ontheffingen te verlenen voor deze standplaatsen.
In het derde lid is de ontheffingsmogelijkheid voor de verkoop van
seizoensgebonden artikelen in standplaatsvrije gebieden opgenomen.
Het betreft:
- haring in de periode vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober;
- ijs in de periode van 1 april tot en met 30 september;
- sinaasappelsap in de periode van 1 april tot en met 30
september;
- oliebollen van 1 november tot en met 31 januari;
- kerstbomen van 6 december tot en met 24 december.
Toelichting artikel 5.2.7a:
In het eerste lid is geregeld dat indien een gebied als
standplaatsvrij wordt aangewezen, degenen op wiens naam een
standplaatsvergunning is gesteld binnen het als standplaatsvrij
aangewezen gebied, voor een periode van twee jaar van die
vergunning gebruik kan blijven maken.
Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid specifieke
locaties binnen het standplaatsvrije gebied aan te wijzen waar
ontheffing verleend kan worden aan een standplaats van niet meer
dan vier vierkante meter en een inhoud die niet meer dan 10 kubieke
meters mag bedragen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid,
waarvan het college in bijzondere gevallen gebruik kan maken.
Toelichting artikel 5.2.8:
Deze bepaling spreekt voor zichzelf.
Toelichting artikel 5.2.9: [vervallen]
Toelichting artikel 5.2.10: [vervallen]
Toelichting artikel 5.2.11: [vervallen]
Toelichting artikel 5.2.12:
De artikelen 5.2.3 tot en met 5.2.11 van de APV betreffen het
innemen van standplaats op de openbare weg in het kader van de
'ambulante handel'. Dit innemen van standplaats geschiedt
veelal met niet al te omvangrijke (markt)kramen of met kleine
voertuigen of aanhangwagens. In de praktijk bestaat bij bepaalde
instanties of ondernemers de wens om ook met grotere voertuigen
periodiek op bepaalde plaatsen standplaats in te nemen. Daarbij kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan voertuigen waarin medische
onderzoeken worden verricht, aan bibliotheekbussen, aan
(voorlichtings)voertuigen van ideële instellingen, aan voertuigen
die worden gebruikt voor de inzameling van klein gevaarlijk afval
(KGA) en tenslotte - in het commerciële vlak - aan voertuigen,
waarin of waaruit producten of diensten aan het publiek worden
aangeboden, verkocht of verstrekt (verzekeringsmaatschappijen,
telefoonmaatschappijen etc.). Tegen deze vorm van standplaats
innemen bestaat op zich geen bezwaar. De oude standplaatsregeling
in de APV bood voor deze specifieke standplaatsen echter geen
ruimte. Vandaar dat is gekozen voor een meer specifieke bepaling.
Toelichting artikel 5.2.13: [vervallen]
Dit artikel valt onder evenement als bedoeld in paragraaf 2.2.
§ 5.3 OPENBAAR WATER
Algemene toelichting § 5.3:
Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse
overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste
rivieren en rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het
beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies,
gemeenten en waterschappen c.a. De centrale wetgever heeft voor het
gebruik van het openbaar vaarwater diverse regelingen vastgesteld.
Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die
uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde
vaarwateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare
vaarwateren gelden. Genoemd wordt hier onder meer het op de
Scheepvaartverkeerswet gebaseerde Binnenvaartpolitiereglement
(BPR). Op provinciaal niveau is er in dit verband de
Vaarwegenverordening Zuid-Holland.
De regelgevende bevoegdheid ten aanzien van "de bescherming
van 's rijks waterstaatswerken en de verzekering van het
doelmatig en veilig gebruik daarvan" komt exclusief toe aan de
centrale overheid. Dit betekent dat voor de provinciale en
gemeentelijke overheden en de waterschappen slechts voor de
overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid resteert voor
zover daaraan hetzelfde motief als dat van de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken ten grondslag ligt. Deze bevoegdheid wordt
eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die
vaarwateren.
De regelgeving in de onderhavige paragraaf blijft beperkt tot
gedragingen in of op het openbaar water (zie voor de definitie
daarvan het eerste hoofdstuk van deze verordening), die overlast
kunnen veroorzaken voor andere gebruikers van het openbaar water
(de scheepvaart), die de veiligheid op het openbaar water in gevaar
kunnen brengen, die kunnen leiden tot beschadiging van
waterstaatswerken en oevers, of die te brengen zijn onder de
categorie "baldadigheid". De in deze paragraaf opgenomen
strafbepalingen kunnen in beginsel worden toegepast op alle
openbare wateren in Rotterdam, tenzij voor die wateren andere
regelingen van toepassing zijn. Dat is dan in de betreffende
artikelen vermeld.
Toelichting artikel 5.3.1:
Bepalingen die evenals artikel 5.3.1 tot doel hebben het gebruik
van het water te waarborgen, komen in zowel de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartverkeerswet (artikel 30,
tweede lid: verbod een voorwerp, van welke aard ook, dat het
verkeer op een vaarweg in verwarring zou kunnen brengen, daarlangs,
daarin of daarboven aan te brengen) als in de Vaarwegenverordening
Zuid-Holland (artikelen 2.2.3. en 3.2.2; verbod om voorwerpen in
een vaarweg te brengen of te laten vallen) voor.
Zowel de Wet beheer rijkswaterstaatswerken als de
Vaarwegenverordening Zuid-Holland geven aan voor welke wateren zij
van toepassing zijn. Het onderhavige artikel 5.3.1 is dan ook
bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van
activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden
kunnen beïnvloeden.
Het tweede lid geeft het college heeft de mogelijkheid om
categorieën van voorwerpen aan te wijzen – al dan niet onder
voorwaarden - waarvoor het niet nodig is een vergunning aan te
vragen.
De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling
gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht,
te weten de artikelen 162, 163 en 427, onder 6 (inzake het al dan
niet opzettelijk versperren van waterwegen), en het
Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
reglement; verbod tot het te water doen geraken van voorwerpen en
stoffen).
Toelichting artikel 5.3.1a:
Dit in 2008 ingevoegde artikel is afgeleid van enkele artikelen uit
de Pleziervaartuigenverordening. De Pleziervaartuigenverordening
gaf regels met betrekking tot het recreëren met pleziervaartuigen
op de Kralingse Plas en de Bergse plassen. Een groot deel van deze
verordening was achterhaald, maar een klein aantal artikelen diende
onverminderd te blijven bestaan. Deze artikelen zijn opgenomen in
de nieuwe artikelen 5.3.1a en 5.3.1b van de APV Rotterdam, met dien
verstande dat zij niet beperkt zijn tot de Kralingse Plas of de
Bergse plassen. De in de hiervoor genoemde artikelen gelden enkel
voor zover deze door het college bij aanwijzingsbesluit zijn
“geactiveerd”.
Indien het college gebieden aanwijst kan zij de verboden genoemd
onder a tot en met h daar van toepassing te verklaren. Niet alle
verboden hoeven voor een gebied te gelden, het college kan een
keuze maken.
De in het eerste lid bedoelde verboden gelden overigens niet voor
pleziervaartuigen die in een jachthaven liggen of pleziervaartuigen
die liggen op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het
daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen
betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien
meter.
Toelichting artikel 5.3.1b:
Op grond van dit artikel kan het college openbaar water aanwijzen
waar het verboden is zich met een vaartuig te bevinden.
Het college kan van het verbod in het eerste lid vrijstelling (voor
een categorie van gevallen) of ontheffing (voor individuele
gevallen) verlenen.
Toelichting artikel 5.3.2:
De Vaarwegenverordening Zuid-Holland kent dergelijke bepalingen
voor waterstaatswerken die bij de provincie in beheer zijn (vgl. de
artikelen 2.2.1 en 2.2.8).
Artikel 5.3.2 vormt dan het sluitstuk, namelijk voor de
waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten.
Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene
die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.
Toelichting artikel 5.3.3:
Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen
worden voor het redden van personen is andersoortig gebruik of het
voor gebruik onklaar maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.
Toelichting artikel 5.3.4:
In algemene zin wordt in deze bepaling het zwemmen in openbaar
water - veelal niet bevorderlijk voor de gezondheid of voor de
persoonlijke veiligheid van de zwemmer - verboden, behalve op die
plekken, die door het college zijn aangewezen.
Toelichting artikel 5.3.5:
Deze bepaling richt zich op gedragingen van zwemmers en baders in
openbaar water. Of de zwemmer of bader "legaal" in het
water vertoeft (vgl. artikel 5.3.4) doet daarbij niet terzake.
Zwemmers en baders mogen het scheepvaartverkeer niet hinderen.
Terzake zijn ook regels gesteld in het Binnenvaartpolitiereglement
(artikel 6.17.: een persoon die .watersport bedrijft zonder gebruik
te maken van een schip moet voldoende afstand houden van een varend
schip of een varend drijvend voorwerp dan wel van een drijvend
werktuig in bedrijf (onder watersport is zwemmen en baden
begrepen)) en in de Vaarwegenverordening Zuid-Holland (artikelen
2.2.1 en 3.2.1: verbod om de scheepvaart te belemmeren).
Toelichting artikel 5.3.6:
Deze bepaling betreft vooral baldadige gedragingen, die helaas
nogal eens voorkomen en gemakkelijk tot schade of overlast voor
watersporters kunnen leiden.
Toelichting artikel 5.3.7:
Deze bepaling betreft een bijzondere wijze van verzamelen van
visvoer, welke activiteiten (veelal beroepsmatig) worden
uitgeoefend.
§ 5.4 VERBOD AFVALSTOFFEN TE VERBRANDEN BUITEN INRICHTINGEN
OF ANDERSZINS VUUR TE STOKEN
Algemene toelichting § 5.4:
Vuren in de open lucht raken de veiligheid van personen en
goederen. Voorts levert dit verbrandingsstoffen op die de
gezondheid van de mens kunnen beïnvloeden en een bedreiging vormen
voor flora en fauna. De meeste vuren worden gevoed met
afvalstoffen. Deze stoffen dienen op grond van de milieuwetgeving
afgevoerd en opgeruimd te worden (bouw- en sloopafval, verpakkings-
en verzendmateriaal, land- en tuinbouwafval). Voor het verbranden
daarvan in de open lucht is derhalve geen ruimte. De vuren die
onder deze bepaling vallen, zullen in de regel kleine vuren
betreffen op het eigen erf. Gelet op de bebouwings- en
bevolkingsdichtheid en de aanwezige natuurwaarden zal er meestal
sprake zijn van verstoring van het woon- en leefklimaat, van
overlast voor mens en dier en van aantasting van flora en fauna.
Toelichting artikel 5.4.1:
Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten
inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid van de Wet
milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te
hebben.
In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het
verbod in het eerste lid. In de eerste plaats valt verlichting door
middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen
worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
koken, bakken en braden niet onder het verbod. Daarnaast mag er
geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving.
Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over
overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven.
Het college kan van het in het eerste lid omschreven verbod
ontheffing verlenen. Daarbij kan worden gedacht aan (veelal
georganiseerde) vreugdevuren, kampvuren en oudejaarsvuren. Een
ontheffing voor dergelijke vuren kan voorschriften bevatten
betreffende het te stoken materiaal, de afstand tot het mogelijk
toeschouwende publiek, de aanwezigheid van eerstehulpmaterialen en
-deskundigen, de aanwezigheid van blusmaterialen, het verwijderen
van en het afvoeren van as en andere verbrandingsresten en het
herstel van de ondergrond van de vuurplaats.
Ook kan ontheffing worden verleend voor verbranding van
landbouwreststoffen op het land of van akkermaalshout, als andere
verwerkingsmethoden als volledig onbruikbaar en ondoelmatig zijn
aan te merken.
Ten slotte kan ontheffing worden verleend, indien dit noodzakelijk
is ter vernietiging van met ziekte aangetast hout. Zo geeft artikel
4.4.12 van deze verordening een regeling betreffende vernietiging
van bomen die door iepenziekte zijn aangetast. Voorts valt te
denken aan hout dat is besmet met het zogenaamde bacterievuur. In
deze verdient het, indien mogelijk, op milieuhygiënische gronden de
voorkeur het met ziekte aangetast hout af te voeren naar een
afvalverbrandingsinstallatie (avi).
Aan de bovengenoemde ontheffingen kunnen voorschriften worden
verbonden. Gedacht kan worden aan het voorschrift dat:
- het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren
voor de omgeving;
- in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout,
besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk moeten worden
gescheiden;
- de houder van de ontheffing tijdens de verbranding
voortdurend ter plaatse aanwezig dient te zijn en deze dient zorg
te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk
rookontwikkeling plaatsvindt;
- de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen
zonsondergang en zonsopgang;
- verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van
een bepaalde afstand tot bouwwerken;
- van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling
milieuzaken van de directeur van de Dienst Gemeentewerken of zijn
plaatsvervanger ten minste één uur voor de verbranding moet worden
geïnformeerd.
In ieder geval zal aan de bovengenoemde ontheffingen het
voorschrift worden verbonden, dat ten minste één uur voor de
verbranding de alarmcentrale van de Veiligheidsregio
Rotterdam-Rijnmond telefonisch moet worden geïnformeerd.
Het vierde lid biedt de aanvullende mogelijkheid voor het college
om perioden, tijden of gebieden aan te wijzen wanneer of waar het
gestelde in het tweede lid, onder c, verboden is.
In het vijfde lid, van artikel 5.4.1 zijn van de werkingssfeer van
deze bepaling uitgezonderd die situaties waarop artikel 429 van het
Wetboek van Strafrecht van toepassing is, te weten het aanleggen
van vuur of het onderhouden daarvan op zó korte afstand van
gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet, indien de
provinciale milieuverordening van toepassing is. In de provinciale
milieuverordening kunnen inzake dit onderwerp evenzeer regels
worden gesteld. Een afbakening tussen de APV en de provinciale
verordening is dus noodzakelijk.
§ 5.5 VERSTROOIING VAN AS
Algemene toelichting § 5.5:
In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as
te verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd
door de houder van onder andere een begraafplaats of crematorium
aangewezen nadat hij daarvoor een vergunning had gekregen van het
college. Het terrein was bedoeld voor meerdere verstrooiingen
gedurende langere tijd. In de gewijzigde Wet op de lijkbezorging
blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in iets andere
bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar
verstrooid wordt als wel om het gegeven dat er verstrooid wordt.
Verstrooiingen die plaatsvinden door of op last van de houder van
een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen alleen
plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd
(uiteraard blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee
verstrooid wordt).
In de gewijzigde Wet op de lijkbezorging is de mogelijkheid geopend
voor de nabestaande om de as zelf te verstrooien. In artikel 5.5.2
is aangegeven waar dit op het grondgebied van de gemeente verboden
is. Uiteraard geldt steeds, ook in het geval het college een
ontheffing ter zake verleent, dat ook andere relevante wet- en
regelgeving, zoals bijvoorbeeld de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren, in acht moet worden genomen. Zo moeten de
verantwoordelijke overheden als waterkwaliteitsbeheerder, zoals
Rijkswaterstaat, de Hoogheemraadschappen en de Waterschappen,
instemmen met de incidentele verstrooiing boven water alvorens
hiertoe wordt overgegaan.
Toelichting artikel 5.5.2:
Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen
even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of
nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan
gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten,
pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het
verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de
mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op
kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de
as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de
verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te
verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke
beperking opleveren voor nabestaanden.
Als het college een vergunning hebben verleend voor een permanent
voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel
altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen.
Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond
de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in
beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het
algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele
verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.
Ook is het niet wenselijk wanneer asverstrooiing plaatsvindt op
kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en spelterreinen.
Enerzijds om te voorkomen dat op deze vaak druk bezette terreinen
mensen met een asverstrooiing geconfronteerd worden en anderzijds
om te voorkomen dat, met name, kinderen bij het spelen in aanraking
komen met asrestanten.
Voor wateren die niet door de beroepsvaart gebruikt worden en op
het strand en in de zee is het verboden om in de periode van 1 mei
tot en met 30 september tussen 9 uur ’s ochtends en 9 uur ’s avonds
as te verstrooien. Dit zijn veelal gebieden die in die periode
volop door mensen voor (water)recreatie gebruikt worden en het is
niet wenselijk dat in die periode op die plaatsen asverstrooiingen
plaatsvinden. Voor de zee geldt dat asverstrooiingen tijdens de
genoemde periode alleen binnen 300 meter van de kustlijn verboden
is. Buiten de 300 meter uit de kustlijn is asverstrooiing wel
toegestaan.
In de periode van 1 oktober tot en met 30 april gelden de
beperkingen ten aanzien van de openbare vaarwegen, het strand en de
zee niet, dan kunnen asverstrooiingen op elk tijdstip plaatsvinden.
Kanttekening hierbij is wel dat de asverstrooiingen geen hinder
mogen opleveren.
Het verbod om as te verstrooien op of vanaf bruggen,
sluiscomplexen, steigers en remmingswerken hangt samen met het
gebruik van dit havenmeubilair voor de scheepvaart alsmede met het
gevaar dat het verstrooien vanaf dergelijke plaatsen zou kunnen
opleveren.
Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te
houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is
om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het
college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met
die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om
er as op te verstrooien.
Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor
nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd.
Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van
de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt
achtergelaten. Alvorens de nabestaanden tot asverstrooiing overgaan
zullen zij zich derhalve steeds van moeten vergewissen dat er door
de asverstrooiing geen hinder of overlast ontstaat.
Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid
van een groep mensen, terwijl er een stevige bries die kant
uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.
Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de
hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar
moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan
door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden,
zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld
in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een
balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
oplevert voor het publiek.
Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de
Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de
handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van
asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat
het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.
§ 5.6 NAAKTRECREATIE
Algemene toelichting § 5.6:
De gemeentelijke bevoegdheid tot regulering van de naaktrecreatie
wordt begrensd door artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht.
Dit artikel luidt als volgt: "Hij die zich buiten een door de
gemeenteraad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie
aangewezen plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het
openbaar verkeer bestemde plaats die voor ongeklede recreatie niet
geschikt is, wordt gestraft met geldboete van de eerste
categorie." Deze bepaling is gebaseerd op het uitgangspunt,
dat naaktrecreatie anno heden niet (langer) overal schennis van de
eerbaarheid oplevert. Dat geldt zeker op die plaatsen waarop
terzake een zekere maatschappelijke aanvaarding heeft
plaatsgevonden, danwel daar waar verwacht mag worden dat de grote
meerderheid van de aldaar aanwezigen dat geen bezwaar zou achten.
Artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht bevat een
"uitputtende" regeling van deze materie. Er is ten
aanzien van ongeklede recreatie dan ook geen plaats meer voor een
gemeentelijke verbodsbepaling. De gemeenteraad mag alleen nog
gebieden aanwijzen die hij voor ongeklede recreatie wél geschikt
acht.
Bij de behandeling van dit artikel in de Tweede Kamer is gebleken
dat niet alleen op plaatsen die de gemeenteraad geschikt acht
ongeklede recreatie mag plaatsvinden, maar dat in feite op alle
voor het openbaar verkeer bestemde plaatsen, die daarvoor geschikt
zijn, ongekleed gerecreëerd mag worden. De rechter maakt in het
concrete geval uit of er inderdaad sprake is van een
"geschikte plaats" als in het evenvermelde artikel is
bedoeld.
Slechts indien de aard van de plaats of de omstandigheden zo zijn,
dat in redelijkheid niet meer kan worden gesproken van
geschiktheid, blijft het feit een zekere mate van strafwaardigheid
behouden. De minister van justitie noemde tijdens de
Kamerbehandeling reeds een aantal factoren, dat zijns inziens bij
de afweging, of er sprake is van een geschikte plek voor ongeklede
recreatie, betrokken moet worden, te weten:
- het feit dat de grote meerderheid van de ter plaatse
aanwezigen geen bezwaren moet hebben tegen ongeklede recreatie;
- de lokale omstandigheden;
- de tijdsomstandigheden;
- (soms) het tijdstip van de dag.
De woorden "op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde
plaats" stellen tenslotte buiten twijfel, dat er slechts
sprake is van overtreding van artikel 430a van het Wetboek van
Strafrecht, indien het gebeuren plaatsvindt in het openbaar gebied,
of daarmee te vergelijken plaatsen.
Conclusie van het bovenstaande: door het aanwijzen van bepaalde -
concreet omschreven - gebieden voor ongeklede recreatie, zoals in
artikel 5.6.1 is gebeurd, geeft de gemeenteraad impliciet aan, dat
hij andere gebieden in beginsel niét geschikt acht voor ongeklede
recreatie. Indien personen in die andere gebieden echter tóch
ongekleed recreëren, dan hangt het van het inzicht van de rechter
af of deze personen strafbaar zijn of niet. De rechter bepaalt
immers in laatste instantie of een bepaald gebied voor ongeklede
recreatie geschikt is. De aanwijzing van gebieden door de
gemeenteraad heeft dus in zekere zin een relatieve betekenis. De
jurisprudentie zal op dit punt verdere duidelijkheid moeten
scheppen.
Wat moet nu echter onder "ongeklede recreatie" worden
verstaan? Naar de mening van de Minister van Justitie valt hier
zowel geheel als gedeeltelijk ongeklede recreatie onder. Wel liet
de Minister blijken dat het topless recreëren niet snel schending
van artikel 430a zal betekenen. Dit vindt meestal plaats op
stranden of daarmee te vergelijken plaatsen, en is aldaar op dit
moment vrij algemeen aanvaard, aldus de minister. De rechter heeft
hierover echter het laatste woord.
Toelichting artikel 5.6.1:
In dit artikel wordt aangegeven op welke plaatsen binnen de
gemeente naakt gerecreëerd mag worden.
ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
§ 5.7 STRAND EN ZEE
Algemene toelichting § 5.7:
In deze paragraaf zijn die bepalingen bijeengebracht, die
uitsluitend betrekking hebben gedragingen op en rondom het strand
en in de zee. Met name op warme zomerdagen, wanneer de stranden het
drukst worden bezocht, kan het voor de badgasten erg hinderlijk en
zelfs gevaarlijk zijn, indien men zich met voertuigen, met rij- en
trekdieren of met bepaalde speelwerktuigen op het strand bevindt.
Ook het bevaren van de zee met vaartuigen kan gevaar opleveren voor
zwemmende of badende badgasten.
De motieven achter de in deze paragraaf opgenomen bepalingen zijn
primair de handhaving van de openbare orde en de verzekering van de
openbare veiligheid. Secundair is met het weren van bijvoorbeeld
motorvoertuigen, bromfietsen en rij- en trekdieren van de stranden
ook een milieubelang gemoeid (vermijden van uitlaatgassen,
uitwerpselen e.d.).
Toelichting artikel 5.7.1: [vervallen]
Toelichting artikel 5.7.2:
Dit artikel verbiedt dat men zich met motorvoertuigen, bromfietsen
en fietsen op de publiek toegankelijke delen van het strand of van
de duinen bevindt. Onder het begrip fiets vallen ook mountainbikes,
terreinfietsen, ligfietsen, enz. In de praktijk is gebleken dat
fietsen vooral in de duingebieden veel schade kunnen veroorzaken.
Voor de in het eerste lid genoemde voertuigen is in het derde lid
een ontheffingsmogelijkheid opgenomen, zodat bijvoorbeeld
strandtenthouders in de gelegenheid kunnen worden gesteld hun
strandtent te bevoorraden. Ook politie- en
rampbestrijdingsvoertuigen behoeven een ontheffing. Tevens is het
mogelijk om in geval van grote evenementen, zoals bijvoorbeeld
"strandraces" - welke in het verleden op het strand van
Hoek van Holland plaatsvonden - een ontheffing te verlenen.
Toelichting artikel 5.7.3:
Deze bepaling regelt dat het college perioden en tijden kan
aanwijzen wanneer het verboden is zich met rij- of trekdieren op
het strand te bevinden. Doel van de bepaling is de vervuiling van
het strand door uitwerpselen van paarden en pony's tegen te
gaan. Daarnaast kan de aanwezigheid van met name paarden gevaar
opleveren voor de badgasten.
De bepaling is op verzoek van de deelgemeente Hoek van Holland
verruimd. In plaats van het noemen van perioden in deze verordening
kan nu het college (dagelijks bestuur) zelfstandig perioden en
tijden vaststellen. De verruiming bleek noodzakelijk daar het oude
artikel geen ruimte gaf om bijvoorbeeld de perioden en tijden af te
stemmen met de buurgemeenten.
Het college kan overigens niet alleen voor het strand te Hoek van
Holland, maar ook voor het strand op de Maasvlakte perioden en
tijden aanwijzen. De problemen op beide stranden zijn immers
identiek.
Toelichting artikel 5.7.4:
In het eerste lid is het Noordzeestrand van de Maasvlakte aan het
verbod om zich daar met een vaartuig te begeven toegevoegd. Deze
toevoeging is opgenomen om gemotoriseerd waterverkeer tussen
badgasten te voorkomen. Op verzoek van de deelgemeente Hoek van
Holland is aan het jetskiverbod een kite-surf verbod toegevoegd. In
de praktijk is gebleken dat zowel jetski’s als kite-surfers ernstig
gevaar opleveren voor de badgasten. Daarom is het jetski en
kite-surf verbod ook van toepassing op het strand van en de zee
voor de Maasvlakte.
Wel bestaat er de mogelijkheid dat het college perioden, tijden of
gebieden aangeeft, danwel aanwijst waar het verbod om zich met
jetski’s, waterscooters of met kite-surfuitrustig op het strand of
in de zee te bevinden niet geldt.
Toelichting artikel 5.7.5:
Het artikel is bedoeld om zwemmers te behoeden om zich in
gevaarlijk zeewater te begeven.
Toelichting artikel 5.7.5a:
Dit artikel beoogt de levensgevaarlijke situaties, zoals deze zich
voordoen op de blokken van de blokkendam, te voorkomen. Mensen
lopen of zitten op de blokken van de blokkendam gelegen tussen Slag
Maasmond en Slag Dobbelsteen en op de blokkendam in het verlengde
van de Noorderpier en daarmee brengen zij zichzelf onnodig in
gevaar. Door golfslag van grote schepen en golfslag bij slecht weer
kunnen golven voor dusdanige problemen zorgen dat mensen zich
kunnen bezeren doordat zij van de blokken gespoeld worden of in het
ergste geval dat zij te water raken en verdrinken. Mensen zijn zich
veelal niet bewust van dit gevaar en daarom is in artikel 5.7.5a
een algeheel verbod opgenomen om zich te bevinden op de blokken van
de blokkendam.
Toelichting artikel 5.7.6:
Net als in veel andere kustgemeenten het geval is, wordt in Hoek
van Holland in toenemende mate overlast ondervonden van bezoekers
met speelwerktuigen, die onder bepaalde omstandigheden gevaarlijk
of hinderlijk kunnen zijn. Vooral het vliegeren met moderne
vliegers op het strand kan gevaarlijk zijn voor de aanwezige
personen op dat strand. Ook het gezelschapsspel jeu-de-boules kan
onder bepaalde omstandigheden gevaar opleveren voor
strandbezoekers. Het gebruik van dergelijke
"speelwerktuigen" op het strand, in de zee of in de
duinen is dus niet absoluut verboden. De politie zal per geval
moeten beoordelen of sprake is van een gevaarlijke of hinderlijke
situatie.
Toelichting artikel 5.7.7:
In dit artikel is vastgelegd dat de in deze paragraaf gestelde
verboden niet gelden met betrekking tot voertuigen, fietsen, dieren
en vaartuigen, ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten, de
Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij en de Rotterdamse
Vrijwillige Reddingsbrigade. Door het opnemen van dit artikel wordt
voorkomen dat de hierboven genoemde organisaties die bedrijfsmatig
op het strand moeten zijn, een ontheffing moeten aanvragen.
§ 5.8 DESTRUCTIE [vervallen]
Deze paragraaf is overbodig geworden door nieuwe landelijke
regelgeving en is daarom komen te vervallen.
TOELICHTING HOOFDSTUK 6 HANDHAVING
Algemene toelichting hoofdstuk 6:
In het zesde van deze verordening hebben de handhavingsbepalingen
hun plaats gekregen. Verwezen zij naar de toelichtingen bij de
betreffende bepalingen.
Toelichting artikel 6.1:
Volgens artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding
van zijn verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere
dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
rechterlijke uitspraak.
Hieruit volgt, dat de formele wetgever aan de gemeentelijke
wetgever de keuzemogelijkheid heeft gelaten om op overtreding van
gemeentelijke verordeningen een geldboete te stellen van de tweede
categorie (€ 2250,-) of van de eerste categorie (€ 225,-).
Aldus kan de raad aangeven welke overtredingen hij van zwaardere
aard en welke overtredingen hij van lichtere aard acht. Een en
ander doet niets af aan de traditionele vrijheid van de rechter om
binnen de door de (Gemeente)wet gestelde grenzen de soort en de
maat van de straf in een concreet geval te bepalen. Tot de grens
van de door de gemeentelijke wetgever gekozen geldboetecategorie
zal de strafrechter dus steeds de straf in het concrete geval
moeten bepalen.
Artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht legt de rechter de plicht
op rekening te houden met de draagkracht van de verdachte.
In het onderhavige artikel 6.1 is van de door de wetgever gegeven
keuzemogelijkheid gebruik gemaakt. Overeenkomstig verzoeken uit de
praktijk en hetgeen in andere gemeenten is bepaald, is in 2003
gekozen voor onderbrenging van alle strafbepalingen in deze
verordenin g in de tweede categorie (maximum € 2250,-). Ieder soort
delict kan namelijk onder zodanige omstandigheden worden gepleegd,
dat een geldboete van meer dan € 225,- in de rede ligt. Niet zelden
gebeurde het, dat de rechter er behoefte aan had om voor bijvoor
beeld bepaalde baldadigheidsdelicten een geldboete van de tweede
categorie op te leggen terwijl dat niet mogelijk was. In plaats van
een geldboete van maximaal de tweede categorie is het op basis van
artike l 6.1, eerste lid, eveneens mogelijk om voor genoemde
overtredingen een hechtenis te eisen van ten hoogste drie maanden.
Hierdoor wordt aan het Openbaar Ministerie de keuze gelaten om in
plaats van een geldboete voor hechtenis te kiezen.
De strafbedreiging op overtreding van gemeentelijke
medebewindsvoorschriften is meestal te vinden in de bijzondere
wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het
vaststellen van deze voorschriften. De opsomming in het eerste lid
van artikel 6.1 bevat dan ook geen in deze verordening opgenomen
medebewindvoorschriften, op overtreding waarvan straf is bedreigd
in de bijzondere wet. Deze voorschriften zijn de voorschriften met
betrekking tot heling met uitzondering van artikel 2.5.5
(overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de
artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht (tweede,
respectievelijk derde geldboetecategorie)).
Door ook overtreding van het krachtens de verordening bepaalde met
straf te bedreigen, wordt ook het niet naleven van door het college
krachtens delegatie door de raad gestelde nadere regels bestempeld
tot strafbaar feit. De strafbaarstelling van overtreding van de
door het college gestelde nadere regels moet immers steunen op de
raadsverordening. Ook het niet nakomen van de aan een vergunning of
ontheffing verbonden voorschriften wordt door het gebruik van de
term "krachtens" een strafbaar feit.
Toelichting artikel 6.2:
Men kan een onderscheid maken tussen opsporingsbevoegdheden
enerzijds en controlerende of toezichthoudende bevoegdheden
anderzijds. Van opsporing kan eerst worden gesproken indien uit
feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van een strafbaar
feit voortvloeit.
Onderzoek zonder dat een redelijk vermoeden van een strafbaar feit
aanwezig is, draagt het karakter van toezicht (controle).
Toezichthoudende bevoegdheden kunnen worden toegepast ten aanzien
van al degenen tot wie de betrokken voorschriften zijn gericht.
Uiteraard kan de uitoefening van toezicht wel feiten of
omstandigheden aan het licht brengen die leiden tot een redelijk
vermoeden van een strafbaar feit en dus tot het intreden van de
opsporingsfase.
(Buitengewone) opsporingsambtenaren, tevens toezichthouders
De met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren worden
genoemd in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
Strafvordering. De in artikel 141 genoemde ambtenaren (onder andere
de ambtenaren van de regionale politiekorpsen) hebben een algemene
opsporingsbevoegdheid. Artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c,
bepaalt dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
opsporingsambtenaar zijn belast de personen aan wie bij
verordeningen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan is
toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en de
personen zijn beëdigd. De aangewezen personen hebben dus ingevolge
het bepaalde in artikel 142, eerste lid, onder c, van het Wetboek
van Strafrecht tevens opsporingsbevoegdheid voor die zaken waarvoor
zij toezichthouder zijn. Om buitengewone opsporingsambtenaar te
kunnen worden dient men éérst in een verordening te zijn aangewezen
als 'toezichthoudend ambtenaar'.
Aangezien het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in de
mogelijkheid van 'delegatie' van de aanwijzing van
toezichthoudende ambtenaren als buitengewone opsporingsambtenaren
aan het college, zal de raad deze ambtenaren in de verordening zelf
moeten aanwijzen. Artikel 6.2, eerste lid, voorziet hierin. Naar
het voorkomt behoeven de betreffende personen niet 'in
persoon' te worden aangewezen (dan zou de APV wel erg vaak
gewijzigd moeten worden), maar kan worden volstaan met een
'functionele' of 'categorale' aanwijzing.
Het vierde lid van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering
geeft aan, dat bij algemene maatregel van bestuur voor buitengewone
opsporingsambtenaren regels kunnen worden gegeven inzake o.m. de
beëdiging, het toezicht waaraan deze opsporingsambtenaren zijn
onderworpen, de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid. Inmiddels
is een dergelijke algemene maatregel van bestuur vastgesteld
("Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar"). De
opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaar
beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn.
Pure toezichthoudende ambtenaren
Het tweede lid van artikel 6.2 voorziet in de aanwijzing van
'toezichthoudende ambtenaren' door het college.
De achtergrond van deze in 1998 in de APV opgenomen bepaling is de
nieuwe regeling terzake van 'handhaving' in de Algemene wet
bestuursrecht (derde tranche). In artikel 5.11 van de Algemene wet
bestuursrecht wordt met zoveel woorden aangegeven dat onder
'toezichthouder' wordt verstaan een natuurlijk persoon, die
bij of krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden
van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig
wettelijk voorschrift. De grondslag voor de aanwijzing van
toezichthouders op autonome gemeentelijke regels wordt ontleend aan
een op basis van de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet
vastgestelde verordening (i.c. de APV). Een persoon die aangewezen
is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling
5.2 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen bevoegdheden.
Ook aan opsporingsambtenaren (in dit verband met name de reguliere
politie) mag uiteraard de (beperkte) controlebevoegdheid tot inzage
van vergunningen/ontheffingen worden verleend. Dat is op
verschillende plekken in deze verordening ook gebeurd.
Toelichting artikel 6.3:
Artikel 6.3 betreft het betreden dan wel binnentreden van
"woningen" door toezichthoudende ambtenaren zonder
toestemming van de bewoner. Het betreden dan wel binnentreden van
"andere gebouwen en plaatsen" wordt geregeld in de
Algemene wet bestuursrecht, waar in artikel 5.15 met zoveel woorden
is bepaald, dat aan een toezichthouder de bevoegdheid wordt
toegekend elke plaats te betreden met uitzondering van een woning
zonder toestemming van de bewoner.
In artikel 12 van de Grondwet is bepaald, dat het binnentreden in
een woning tegen de wil van de bewoner alleen geoorloofd is in de
gevallen bij de wet bepaald, krachtens een bijzondere of algemene
last van een autoriteit door de wet aangewezen, en met inachtneming
van de bij de wet geregelde vormen. Op 1 oktober 1994 is de
Algemene wet op het binnentreden in werking getreden. In deze wet
zijn voorschriften opgenomen die bij het binnentreden in woningen
en het betreden van enkele andere bijzondere plaatsen
(vergaderzalen van algemeen vertegenwoordigende lichamen, ruimten
voor godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke
bezinningssamenkomsten, rechtszalen) in acht dienen te worden
genomen. Als gevolg van het in werking treden van de Algemene wet
op het binnentreden dienen de binnentredingsbepalingen in
gemeentelijke verordeningen te worden aangepast. De aanpassing komt
er in het kort op neer, dat het niet langer mogelijk is om in een
verordening een algemene last tot binnentreden op te nemen.
De Algemene wet op het binnentreden noemt een aantal vereisten dat
bij het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
bewoner in acht genomen moet worden:
1. een bijzondere machtiging is vereist (uitzondering in
geval van spoedeisendheid);
2. degene die bevoegd is een woning binnen te treden moet
zich op grond van artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden
daarbij legitimeren (uitzondering in geval van spoedeisendheid);
die verplichting bestaat overigens ook wanneer de bewoner
toestemming geeft om binnen te treden;
3. voordat een woning wordt binnengetreden dient mededeling
te worden gedaan van het doel van het binnentreden (uitzondering in
geval van spoedeisendheid); die verplichting bestaat ook wanneer de
bewoner toestemming geeft om binnen te treden;
4. er dient omtrent het binnentreden na afloop een verslag
opgemaakt te worden (artikel 10); dit is van belang voor de
controle achteraf op de uitoefening van deze in de persoonlijke
levenssfeer ingrijpende bevoegdheid.
Ingevolge artikel 149a van de Gemeentewet kan de raad bij
verordening aan personen die belast zijn met het toezicht op de
naleving daarvan, de bevoegdheid verlenen tot het binnentreden in
woningen zonder toestemming van de bewoner. In dat kader is artikel
6.3 in de APV opgenomen.
Bij het binnentreden op grond van artikel 6.3 gaat het overigens
uitdrukkelijk om binnentreden ter uitoefening van toezicht en
opsporing in verband met de naleving van voorschriften inzake
handhaving van de openbare orde of veiligheid en bescherming van
het leven of de gezondheid van personen, derhalve met name ter
handhaving van autonome gemeentelijke verordeningen. Voor wat
betreft medebewindsbepalingen dient gehandeld te worden
overeenkomstige de binnentredingsbepalingen in de van toepassing
zijnde bijzondere wet.
Artikel 149a van de Gemeentewet - en in het verlengde daarvan
artikel 6.3 van de APV - geeft uitdrukkelijk niet de bevoegdheid om
binnen te treden in woningen ter uitoefening van bestuursdwang.
Deze bevoegdheid kan alleen blijken uit afzonderlijke wetten in
formele zin.
Zoals reeds opgemerkt wordt het betreden dan wel binnentreden van
"andere gebouwen en plaatsen" door toezichthouders
geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. In artikel 5:15 van de
Awb is met zoveel woorden bepaald, dat een toezichthouder bevoegd
is, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te
betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de
bewoner. Ingevolge het tweede lid van artikel 5:15 verschaft de
toezichthouder zich zonodig toegang met behulp van de sterke arm.
Het derde lid van artikel 5:15 bepaalt, dat de toezichthouder
bevoegd is zich te doen vergezellen door personen die daartoe door
hem zijn aangewezen.
Zie over het begrip "toezichthouder" ook de toelichting
bij artikel 6.2.
TOELICHTING HOOFDSTUK 7 OVERGANGS- EN
SLOTBEPALINGEN
Toelichting artikel 7.1:
Bij de inwerkingtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening
Rotterdam 2008 wordt de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam
ingetrokken, met dien verstande dat artikel 5.2.2 (venten) tot 1
oktober 2008 geldt.
Vanaf 1 oktober 2008 wordt venten vergunning vrij. Om de bevoegde
bestuursorganen voldoende tijd te geven om hierop in te springen,
zal tot 1 oktober 2008 het oude recht nog van toepassing zijn en is
venten vergunningplichtig.
Toelichting artikel 7.2:
Nu een nieuwe APV wordt vastgesteld is he t noodzakelijk
overgangsrecht op te nemen, om te voorkomen dat bevoegde organen
die in het verleden regelingen, beleidsregels, nadere regels e.d.,
op basis van de oude APV hebben vastgesteld, nieuwe regels moeten
vaststellen.
Dit overgangsrecht voorkomt dit.
Toelichting artikel 7.3:
Het overgangsrecht in dit artikel regelt dat aanvragen om een
toestemming of bezwaarschriften die voor de inwerkingtreding van de
verordening zijn ingediend, maar waarop niet is beslist, nog worden
afgehandeld op basis van het oude recht.
Toelichting artikel 7.4:
De verordening treedt in werking de dag na publicatie daarvan in
het gemeenteblad.
Daarvan zijn uitgezonderd de artikelen 2.2.2a (meldingsplichtige
evenementen), 5.2.2 (venten) en 5.3.1a (ligplaats vaartuigen). Deze
artikelen treden in werking op 1 oktober 2008. Dit heeft te maken
met het feit dat de implementatie van deze artikelen de nodige tijd
vergt.
Toelichting artikel 7.5:
De citeertitel van deze verordening is “Algemene Plaatselijke
Verordening Rotterdam 2008” of “APV Rotterdam 2008”.