Direct naar hoofdmenu / zoekveld

Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Rotterdam 2008 (Basisverordening)

Jaar:
2008
Nummer:
99
Besluit van:
Gemeenteraad
Datum besluit:
17-07-2008
Datum inwerkingtreding:
02-08-2008
Juridische grondslag:
Gemeentewet, artikelen 149, 154 en 174
Archiefcode:
1.75 - Politieverordening
Gemeentebladnummer:
2008-99
Raadsstuknummer:
2008-1712
Informatiebeheerder:
AZ-BJI
Opmerking:
212 pag. - Hierbij vervalt de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2004: Gemeenteblad 2004, nummer 12 (nadien gewijzigd)
Status:
Geldend
Download deze pagina

 

Gemeenteblad 2008

 

 



Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008


De Raad van de gemeente Rotterdam,

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 mei 2008; (raadsvoorstel nr. 17687);

gelet op de artikelen 149, 154 en 174 van de Gemeentewet;

overwegende:
- dat het van groot belang is dat de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam helder, actueel en werkbaar is;
- dat het noodzakelijk was de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam waar mogelijk te dereguleren;
- dat nieuwe regelgeving het noodzakelijk maakt de regels Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam aan te passen;
- dat recente ontwikkelingen in de stad het wenselijk maken de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam op verschillende punten aan te passen;

Besluit vast te stellen:

Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008
 
HOOFDSTUK 1  ALGEMENE BEPALINGEN

§ 1.1    BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1.1   Begripsomschrijvingen
1.   In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
-   aanvraag: aanvraag om een toestemming krachtens deze verordening;
-   aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de Kansspelen;
-   bebouwde kom: bebouwde kom waarvan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;
-  beheerder:
a.   voor zover het betreft een openbare inrichting:
natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting;
b.   voor zover het betreft een seksinrichting of escortbedrijf:
natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf;
c.   voor zover het betreft een speelautomatenhal:
natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding uitoefent en met het dagelijks bestuur is belast in de speelautomatenhal;
-   behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan:
a.   het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen, en
b.   het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen wordt;
-   bevoegd bestuursorgaan: krachtens deze verordening bevoegd bestuursorgaan;
-  bijlage: bij deze verordening behorende bijlage;
-   boom: gemeentelijke of particuliere boom;
-   bosplantsoen: al dan niet aangeplante bosachtige elementen, inclusief kruidengroei, grotendeels bestaande uit inheemse houtachtige soorten bomen en struiken;
-   bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
-   collectieve festiviteit: festiviteit of activiteit, die niet specifiek aan één of een klein aantal openbare inrichtingen is verbonden;
-  college: college van burgemeester en wethouders;
-   consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit;
-   escortbedrijf: bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, aanbieden van prostitutie die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
-   evenement: voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a.  bioscoopvoorstellingen;
b.   markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
c.  kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.   verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2.3.2 geldt, mits die vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak;
e.   betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.  activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.8;
-  exploitant:
a.   voor zover het betreft een openbare inrichting:
natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Drank- en Horecawet;
b.   voor zover het betreft een seksinrichting of escortbedrijf:
natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting, onderscheidenlijk het bedrijf wordt gedreven, en de bestuurders van die rechtspersoon of hun gevolmachtigden;
c.   voor zover het betreft speelautomaten:
houder van een vergunning, als bedoeld in artikel 30h van de Wet op de kansspelen;
-   gebouw: bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
-   gemeentelijke boom: houtachtig, overblijvend gewas waarvan de gemeente zakelijk gerechtigde is, dat:
a.   één- of meerstammig is, waarbij in geval van vertakken,
b.   de omvang van de stam, of bij meerstammigheid de omvang van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld;
-   grootschalig evenement: evenement waarvan de aard of de publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid dusdanig grootschalig is, dat daarin zonder nadere ordening niet kan worden voorzien;
-   hakhout: boom of bomen of boomvormers die, na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
-   handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36);
-   handelsreclame: openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-   hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;
-   houtopstand: gemeentelijke of particuliere boom of bomen, hakhout, houtwal, lintbeplanting in de vorm van bosheesters, al of niet met bomen, of beplanting van bosplantsoen;
-   iepenspintkever: insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus multistriatus (Marsh) of Scolytus pygmaeus;
-   iepziekte: aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);
-   incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal openbare inrichtingen;
-   kampeermiddel: onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
-  kansspelautomaat: speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is;
-  kapvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 4.4.2;
-   knotten: tot op de oude snoeiplaats verwijderen van aangegroeid takhout bij als cultuurboom gekweekte knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen;
-   laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen;
-   ondernemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een speelautomatenhal, een hoogdrempelige inrichting of een laagdrempelige inrichting exploiteert en de wettelijke vertegenwoordiger van die rechtspersoon;
-   openbaar water: wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn;
-   openbare inrichting:
a.   inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij horende terrassen;
b.   voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:
1.   gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken,
2.   amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal, of
3.   voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven;
-   openbare plaats: plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties;
-   organisator: degene voor wiens rekening en risico een evenement plaatsvindt;
-   parkeren: parkeren als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-   particuliere boom: houtachtig, overblijvend gewas, waarvan een natuurlijke of rechtspersoon, niet zijnde de gemeente, zakelijk gerechtigde is, dat;
a.  één- of meerstammig is, waarbij in geval van vertakken,
b.   de omvang van de stam, of bij meerstammigheid de omvang van de dikste stam, minimaal 100 centimeter is op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld;
-   prostituee: persoon die zich beschikbaar stelt voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
-   prostitutie: zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
-   rechthebbende: natuurlijke of rechtspersoon die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
-   seksinrichting: voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht;
-   speelautomaat: toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;
-   speelautomatenhal: inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen;
-   standplaats: op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats waar in de uitoefening van de ambulante handel vanuit een mobiele inrichting of vanaf een grondplaats, tafel of enig ander vergelijkbaar middel goederen te koop worden aangeboden of verkocht of diensten worden aangeboden of verstrekt;
-   standplaatsvergunning: vergunning krachtens artikel 5.2.4;
-   toestemming: vergunning of ontheffing krachtens deze verordening;
-  verkoopregister: register als bedoeld in artikel 2.5.2;
-   voertuigen: voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:
a.  treinen en trams;
b.   kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;
-  weg:
a.   voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen of paden behorende bermen of zijkanten, alsmede de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
b.   voor het publiek - al dan niet met enige beperking - toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, stranden, duinen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
c.   voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
d.   andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades, nissen en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
2.   Onder evenement wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan:
-  braderie op of aan de weg;
-   feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
-   herdenkingsplechtigheid op of aan de weg;
-   optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.4, op of aan de weg;
-  snuffelmarkt.
3.   Onder vaartuigen worden in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan drijvende werktuigen, glijboten, luchtkussenvaartuigen, ponten, vlotten, pontons, amfibische voertuigen, zeilplanken en soortgelijke drijvende voorwerpen en schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk als woning worden gebruikt of tot woning zijn bestemd. Onder vaartuigen worden tevens mede verstaan vaartuigen die tijdelijk of blijvend de mogelijkheid of geschiktheid hebben verloren om te varen of te drijven, en vaartuigen in aanbouw of casco´s van vaartuigen.
4.   In deze verordening wordt onder vellen mede verstaan omzagen, rooien, met inbegrip van verplanten, met uitzondering van het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal van één meter, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand tengevolge kunnen hebben.
5.   In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden onder bezoeker niet verstaan:
a.   de levenspartner en kinderen van de exploitant, alsmede diens elders wonende bloed- of aanverwanten en die van zijn levenspartner, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
b.   voor zover het betreft een openbare inrichting: de personen die voorkomen in het voor die inrichting bijgehouden register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;
c.   andere personen wier tegenwoordigheid ter plaatse noodzakelijk is.



§ 1.2    PROCEDURES VOOR HET VERKRIJGEN VAN EEN TOESTEMMING

Artikel 1.1a  Aanvulling of afwijking van de Algemene wet bestuursrecht
Naast of in afwijking van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelden met betrekking tot toestemmingen krachtens deze verordening de bepalingen van deze paragraaf.
 
Artikel 1.1b  Indiening
Het college kan regels stellen omtrent de gegevens en bescheiden, die bij de aanvraag om een toestemming moeten worden overgelegd.

Artikel 1.2  Beslistermijnen
1.   Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag om een vergunning of ontheffing binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij in deze verordening een andere beslistermijn is vastgesteld.
2.   In afwijking van het eerste lid beslist het bevoegde bestuursorgaan binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag om een toestemming krachtens de artikelen 2.2.3, 2.3.2, 2.3a.3, 3.2.2, 4.4.3 of 5.2.4 is ontvangen.
3.   Het bevoegde bestuursorgaan kan binnen drie weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen, onderscheidenlijk binnen zes weken de in het tweede lid bedoelde termijn met acht weken. Het doet hiervan mededeling aan de aanvrager.

Artikel 1.3  Te late indiening aanvraag
Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien zij wordt ingediend binnen vier weken, of in gevallen als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, binnen acht weken, voor het begin van de activiteit waarvoor de toestemming wordt gevraagd en het bestuursorgaan van mening is daardoor een verantwoorde beoordeling van de aanvraag onmogelijk is.

Artikel 1.3a Beperking geldigheidsduur van de toestemming
1.   Een toestemming die betrekking heeft op een activiteit die uit haar aard van beperkte duur is, wordt verleend voor de duur van die activiteit.
2.   In het belang van de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat wordt een toestemming krachtens:
a. artikel 2.3.2, 2.3.9, 2.3a.3, 3.2.1b of verleend voor de duur van vijf jaar;
b.  artikel 5.2.4, verleend voor de duur van drie jaar.
3.   In het belang van de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat kan de burgemeester afwijken van dit artikel.
 
Artikel 1.4  Voorschriften en beperkingen
1.   Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend. De voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de toestemming is vereist.
2.   Degene voor wie de toestemming geldt, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften na te komen.

Artikel 1.5   Persoonlijk karakter van de toestemming
De toestemming geldt alleen voor degene aan wie zij is verleend.

Artikel 1.6  Intrekking of wijziging van de toestemming
1.   De toestemming kan, onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, worden ingetrokken of gewijzigd, indien:
a.   ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.   op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de toestemming, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de toestemming is vereist;
c.   de aan de toestemming verbonden voorschriften of de beperkingen waaronder zij is verleend, niet zijn of worden nageleefd;
d.   van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan redelijke termijn;
e.   degene voor wie de toestemming geldt dit verzoekt.
2.   Het bevoegde bestuursorgaan kan, onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een toestemming weigeren indien de aanvrager voorschriften, verbonden aan een eerdere toestemming voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n toestemming is verleend, niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde toestemming wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven.
 
Artikel 1.6a  Grond voor verlening van een ontheffing
Een ontheffing krachtens deze verordening wordt slechts verleend, indien het belang dat door het betrokken verbod wordt beschermd, zich daartegen niet verzet.
 
Artikel 1.6b Actualisering van gegevens
1.   Het bevoegde bestuursorgaan kan – ten hoogste eens in de drie jaar – degene voor wie een toestemming geldt, verzoeken de juistheid van de bij dat bestuursorgaan bekende gegevens omtrent degene voor wie of omtrent de activiteit waarvoor de toestemming geldt, binnen een door dat orgaan te stellen termijn te controleren.
2.   Degene aan wie het verzoek is gedaan, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 1.7  Termijnen
Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
 
HOOFDSTUK 2  OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

§ 2.1    ORDE EN VEILIGHEID OP EN AAN DE WEG

Artikel 2.1.1  Samenscholing en ongeregeldheden
1.   Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
2.   Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3.   Het is verboden zich te begeven of te bevinden op wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
4.   De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2.1.2  Optochten [vervallen]

Artikel 2.1.3 [vervallen]
 
Artikel 2.1.4   Betogingen, vergaderingen en samenkomsten op openbare plaatsen
1.   Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, te houden, is verplicht daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze zal worden gehouden, schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
2.   De burgemeester kan in bijzondere gevallen een mondelinge kennisgeving, gedaan binnen de termijn van 48 uur, in behandeling nemen.

Artikel 2.1.5   Regelmatige terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten
In afwijking van artikel 2.1.4 kan van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven.

Artikel 2.1.6  Te verstrekken gegevens
1.   De kennisgeving bevat:
a.   naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt;
b.  het doel van de betoging, vergadering of samenkomst;
c.   de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.   de plaats waar de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden, en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e.  voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f.   maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
2.   Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Voorschriften, beperkingen of verboden met betrekking tot de betoging, vergadering of samenkomst door de burgemeester gesteld, onderscheidenlijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare manifestaties worden in het bewijs vermeld.

Artikel 2.1.7  Dienstverlening [vervallen]

Artikel 2.1.8  Straatartiest
1.   Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, straatmuzikant, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten.
2.   De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en uren.
3.   De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 2.1.9   Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg
1.   Het is verboden zonder vergunning van het college of de burgemeester de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2.  Het verbod geldt niet voor:
a.  evenementen;
b.  terrassen als bedoeld in artikel 2.3.8;
c.   standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3;
d.   uitstallingen van winkelwaren gedurende de openingstijden van de betrokken winkel op de stoep daarvoor, indien de stoep ter plaatse, gemeten van de gevel tot en met de stoeprand, minimaal 3,50 meter breed is, op de stoep een obstakelvrije ruimte van minimaal 1,80 meter overblijft en de uitstalling maximaal 1 meter, gemeten uit de gevel van de winkel, beslaat en niet breder is dan de gevel;
e.   één reclame-uiting in het kader van verkoop of dienstverlening vanuit een winkel, die niet hoger zijn dan 1,25 meter en in geen enkele richting breder dan 0,85 meter;
f.   andere door het college of de burgemeester aangewezen categorieën van gevallen.
3.   Het college kan in afwijking van het tweede lid, onder d, bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor uitstallingen in door hem aangewezen gebieden, indien wordt voldaan aan daarbij gestelde regels met betrekking tot:
a.   de situering, oppervlakte en omvang van de uitstalling, of
b.   de constructie van de uitstalling.
4.   Het verbod geldt tevens niet voor voorwerpen door middel waarvan gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig of veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg.
5.   Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
6.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, de Woningwet, de Wet milieubeheer of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2.1.9a Weigerings- en intrekkingsgronden


Een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.9 kan worden geweigerd of ingetrokken:
a.   indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;
b.   indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c.   in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

Artikel 2.1.10 Winkeluitstallingen [vervallen]

Artikel 2.1.11  Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1.   Het is verboden zonder vergunning van het college een weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 of een niet-openbare ontsluitingsweg van een gebouw aan te leggen, te veranderen of de wijze van aanleg ervan te veranderen.
2.   Het verbod geldt niet bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, een keur van het betrokken waterschap, de Wegenverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de Telecommunicatieverordening Rotterdam of de Leidingenverordening Rotterdam.

Artikel 2.1.12  Maken en veranderen van een uitweg
1.  Het is verboden zonder vergunning van het college:
a.  een uitweg te maken naar een weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;
b.   van een zodanige weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c.  verandering te brengen in een bestaande uitweg naar een zodanige weg.
2.  Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a.  de bruikbaarheid van de weg;
b.   het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.   de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d.   de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, een keur van het betrokken waterschap of de Wegenverordening Zuid-Holland.

Artikel 2.1.13   Winkelwagens
De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes onverwijld te verwijderen of te doen verwijderen.

Artikel 2.1.14  Hinderlijke beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat daardoor op andere wijze hinder of gevaar wordt veroorzaakt voor het wegverkeer.
 
Artikel 2.1.15   Openen straatkolken e.d.
1.   Het is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
2.   Het verbod geldt niet voor degene die deze handelingen verricht in opdracht van de beheerder van de betrokken voorziening of bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

Artikel 2.1.16   Rookverbod in bossen en natuurgebieden
1.   Het is verboden te roken in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.
2.   Het is verboden in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan in de open lucht brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
3.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.
4.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.1.17   Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
1.   Het is verboden op, aan of boven het voor het verkeer bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
 
Artikel 2.1.18  Vallende voorwerpen
Het is verboden aan de weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.

Artikel 2.1.19  Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.   De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.   Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
3.   Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2.1.20   Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en verlichting [vervallen]

Artikel 2.1.21  Veiligheid op het ijs
1.  Het is verboden:
a.   voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b.   bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2.   Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onverwijld het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.
3.   Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening.

Artikel 2.1.22   [vervallen]

Artikel 2.1.23   (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen


Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

Artikel 2.1.24   Melding voorvallen gevaarlijke stoffen [vervallen]

§ 2.2     TOEZICHT OP EVENEMENTEN

Artikel 2.2.1   Begripsomschrijving [vervallen]

Artikel 2.2.2   Evenementenvergunning
1.   Het is verboden zonder evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.   De evenementenvergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a.  de openbare orde;
b.  het voorkomen of beperken van overlast;
c.   de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;
d.  de zedelijkheid of gezondheid;
e.   de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.
3.   Met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen en de bij de aanvraag om vergunning verstrekte gegevens kan de burgemeester aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:
a.   de plaats en het tijdstip van het evenement;
b.   de benodigde technische voorzieningen;
c.  de verdere inrichting;
d.   de benodigde openbare aankondigingen over hoe het evenement per openbaar vervoer kan worden bezocht.
4.   De aanvraag om een evenementenvergunning vermeldt:
a.   de plaats waar het evenement wordt gehouden,
b.   de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden,
c.   een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers,
d.   de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid, en
e.   de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen.
5.   Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.
6.   Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.2.2a   Kennisgeving evenementen
1.   Het in artikel 2.2.2, eerste lid, gestelde verbod geldt, behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, niet voor eendaagse evenementen indien:
a.   het evenement een feest op eigen terrein, barbecue of straatfeest in de openlucht betreft,
b.   het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 249 personen,
c.   het evenement op een werkdag plaatsvindt tussen 9 en 23 uur of op een zon- of feestdag tussen 13 en 23 uur,
d.   het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A),
e.   het evenement niet plaatsvindt op de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten,
f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 2 m² per object,
g.   er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt,
h.   er een organisator is,
i.   de organisator de burgemeester ten minste vier weken voorafgaand aan het evenement kennis geeft met een door de burgemeester vastgesteld kennisgevingsformulier,
j.   binnen een week na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en
k.   de organisator een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.
2.   Indien het vermoeden bestaat dat een evenement de openbare orde kan verstoren, kan de burgemeester, in afwijking van het eerst lid, bepalen dat het in artikel 2.2.2, eerste lid, gestelde verbod, onverkort geldt. De burgemeester zendt dit tegenbericht, als bedoeld in onderdeel j van het eerste lid, binnen een week na ontvangst van het kennisgevingsformulier.

Artikel 2.2.3  Grootschalig evenement
1.   Het is verboden een grootschalig evenement aan te kondigen, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen:
a.   indien wordt afgeweken van de aan de burgemeester verstrekte gegevens;
b.   indien wordt gehandeld in strijd met de krachtens het derde lid van artikel 2.2.2 door de burgemeester aan de vergunning verbonden voorschriften.
2.  De burgemeester weigert de vergunning in ieder geval indien:
a.   naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de aan de zijde van de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de belangen genoemd in artikel 2.2.2, tweede lid, kan worden voorkomen;
b.   indien de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een zijns inziens onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.

Artikel 2.2.4   Beslistermijn grootschalig evenement [vervallen]

Artikel 2.2.5  Openbare orde en veiligheid grootschalig evenement
1.  De organisator van een grootschalig evenement is verplicht:
a.   het grootschalige evenement onverwijld te beëindigen indien daartoe door of namens de burgemeester een bevel gegeven wordt;
b.   ervoor te zorgen dat, nadat een bevel als onder a bedoeld is gegeven, geen publiek meer tot het grootschalige evenement wordt toegelaten;
c.   ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer stipt en onverwijld worden opgevolgd.
2.   Het is voor het publiek verboden aanwezig te zijn of te blijven bij een grootschalig evenement ten aanzien waarvan openbaar is bekend gemaakt dat een bevel als bedoeld in het eerste lid, onder a, is gegeven.
3.   Het is verboden zich bij gelegenheid van een grootschalig evenement op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen.
4.   Het is verboden om bij gelegenheid van een grootschalig evenement - al dan niet op het evenemententerrein - op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren.
5.   Een ieder is verplicht bij gelegenheid van een grootschalig evenement alle aanwijzingen, gegeven door politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.


§ 2.3     TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN

Artikel 2.3.1   Begripsomschrijving [vervallen]
 
Artikel 2.3.2  Vergunningplicht
1.   Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning.
2.   Bij de inwerkingtreding van een verleende nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude exploitatievergunning van rechtswege.
3.   De aanvraag wordt ingediend door de exploitant.
4.   De vergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

Artikel 2.3.2a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
1.   Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder in de openbare inrichting aanwezig is.
2.   De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.
3.   De burgemeester kan categorieën van openbare inrichtingen of openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.
 
Artikel 2.3.3   Vrijstelling en ontheffing
1.  De burgemeester kan:
a.   bepalen dat het exploiteren van categorieën van openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de exploitatievergunningplicht wordt vrijgesteld;
b.   voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a;
c.   categorieën van openbare inrichtingen of openbare inrichtingen aanwijzen waarbij de leeftijdseis van exploitanten en beheerders op achttien jaar wordt gesteld.
2.   De exploitatie van een openbare inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2.3.4  Vergunningaanvraag
Per openbare inrichting wordt één aanvraag tegelijk in behandeling genomen.
 
Artikel 2.3.5   Beslistermijn [vervallen]

Artikel 2.3.6   Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden
1.   De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in indien:
a.   de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of een leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing,
b.  de exploitant of de beheerder onder curatele staat,
c.   de exploitant of de beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij,
d.   de exploitant of de beheerder niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt, tenzij artikel 2.3.3, eerste lid, onder c, van toepassing is, of
e.   de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
2.   De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:
a.   naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door de aanwezigheid van de openbare inrichting nadelig wordt beïnvloed,
b.   de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt,
c.   aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting,
d.   de exploitant of de beheerder strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd,
e.   de exploitant of de beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid,
f.   zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting,
g.   er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een wijziging in de exploitant, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd, of
h.   er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
3.   Bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde gronden houdt de burgemeester rekening met:
a.   het karakter van de straat en van de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen;
b.   de aard van de openbare inrichting;
c.   de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting;
d.   de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de openbare inrichting in deze of in andere openbare inrichtingen.


Artikel 2.3.7  Sluiting van openbare inrichtingen
1.   De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien:
a.   die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;
b.   die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;
c.   een van de in artikel 2.3.6, tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.
2.   Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de openbare inrichting aangebracht.
3.   Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
4.   Het is de exploitant of de beheerder van de openbare inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.
5.   Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting als bezoeker te verblijven.

Artikel 2.3.8  Terrassen
1.   Ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester - gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse - tevens omtrent de ingebruikneming van de openbare weg.
2.   Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de   openbare weg weigeren indien het de verwachting is dat het gebruik:
a.  schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b.   een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
c.   afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
3.   Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, is de exploitant van de openbare inrichting verplicht dit binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.
4.   Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken:
a.   buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het eerste lid is toegestaan, of
b.   aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige zitplaatsen.
5.   De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare inrichting, doch in ieder geval onverwijld op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd.

Artikel 2.3.9   Openings- en sluitingstijden
1.   Het is de exploitant of de beheerder verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan van 7 uur tot 1 uur.
2.   In het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) wordt het in het eerste lid genoemde nachtelijke tijdstip met één uur verlengd.
3.   De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden:
a.   voor een openbare inrichting die behoort tot een nader door de burgemeester aan te wijzen categorie;
b.   voor een openbare inrichting, waarvan de exploitant ten genoegen van de burgemeester heeft aangetoond, dat de exploitatie van die openbare inrichting geen nadelige invloed heeft op de openbare orde of op het woon- of leefklimaat in de naaste omgeving van die openbare inrichting (nachtontheffing).
4.  De ontheffingen bedoeld in het derde lid, onder a en b, sluiten elkaar wederzijds uit.
5.   De burgemeester kan de ontheffing bedoeld in het derde lid weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien een van de in artikel 2.3.6, eerste en tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.
6.   De exploitant van een openbare inrichting kan maximaal tien incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4.1.1, onder e, houden, waarbij het de exploitant of beheerder is toegestaan de openbare inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten van 7 uur tot 6 uur, mits de exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22 uur, de burgemeester van de festiviteit kennis heeft gegeven.
7.   De kennisgeving wordt gedaan volgens de procedure die op het daartoe door de burgemeester vastgestelde formulier is voorgeschreven.
8.   De kennisgeving kan alleen worden gedaan in combinatie met de kennisgevingen als bedoeld in artikel 4.1.3.
9.   De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor een of meer openbare inrichtingen of voor de tot de openbare inrichting behorende terrassen de in het eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden - al dan niet tijdelijk - beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen.
10.   De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het eerste en tweede lid geldende openings- en sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer bepaalde openbare inrichtingen.
11.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.
 
Artikel 2.3.10  Raamkaart
1.   Met de exploitatievergunning worden één of meer door of namens de burgemeester gewaarmerkte raamkaarten afgegeven, waarop staat aangegeven:
a.  de naam van de exploitant,
b.   de openings- en sluitingstijden van de openbare inrichting, inclusief eventuele ontheffingen daarvan,
c.   de aanwezigheid van een eventueel terras,
d.   de ingangsdatum van de exploitatievergunning, en
e.   de oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke ruimtes van de openbare inrichting, alsmede van een eventueel terras.
2.   De burgemeester kan bepalen welke andere gegevens op een raamkaart moeten zijn vermeld en op welke wijze een raamkaart wordt ingericht.
3.   De raamkaart wordt zichtbaar bij de ingang aangebracht.

Artikel 2.3.11 Beëindiging exploitatie
1.   De exploitatievergunning vervalt zodra de exploitant dan wel de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft dan wel hebben beëindigd.
2.   Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel een van de exploitanten, geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

Artikel 2.3.12 Wijziging beheer
1.   Indien een beheerder het beheer in de openbare inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.   Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de burgemeester op aanvraag van de exploitant, met inachtneming van artikel 2.3.6, de verleende exploitatievergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer heeft gewijzigd.

Artikel 2.3.13 Schakelbepaling
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw is als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1 tot en met 2.3.12 en de daarop berustende bepalingen.


§ 2.3a     SEKSINRICHTINGEN EN ESCORTBEDRIJVEN

Artikel 2.3a.1 Begripsomschrijvingen [vervallen]

Artikel 2.3a.2 Nadere regels
Het college kan nadere regels stellen omtrent de inrichting en bedrijfsvoering van seksinrichtingen en escortbedrijven.

Artikel 2.3a.3  Vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf
1.   Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
2.   Per seksinrichting of escortbedrijf wordt één aanvraag tegelijk in behandeling genomen.
3   De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant en op diens naam gesteld.
4.  De vergunning is in de seksinrichting aanwezig.

Artikel 2.3a.4  Eisen exploitant en beheerder [vervallen]

Artikel 2.3a.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
1.   Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.
2.   De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting:
a.  geen strafbare feiten plaatsvinden;
b.   geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
3.   Het is de exploitant en de beheerder verboden personen jonger dan 18 jaar toegang te verlenen tot de seksinrichting.
4.   De exploitant en beheerder van een escortbedrijf treft maatregelen ter waarborging van de veiligheid van de prostituee en ter voorkoming van gedragingen als bedoeld in het tweede lid.
 
Artikel 2.3a.6 Sluitingstijden
1.   Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te staan of te laten verblijven tussen 1 en 7 uur en in het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) tussen 2 en 7 uur.
2.   Het bevoegde bestuursorgaan kan bij voorschrift van de vergunning, bedoeld in artikel 2.3a.3, eerste lid, afwijken van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden voor een seksinrichting, waarvan de exploitant ten genoegen van het bevoegde bestuursorgaan heeft aangetoond, dat de exploitatie van die seksinrichting geen nadelige invloed heeft op de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de naaste omgeving van die seksinrichting.
3.   Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor een bepaald gebied voor een of meer seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel andere sluitingstijden vaststellen.
4.   Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 2.3a.11, gesloten moet zijn.
5.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer .

Artikel 2.3a.7 Beslistermijn [vervallen]

Artikel 2.3a.8 Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden
1.  Het bevoegde bestuursorgaan weigert of trekt de vergunning in, indien:
a.   de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing;
b.   de vestiging of de exploitatie in strijd is met de krachtens artikel 2.3a.2 gestelde regels omtrent inrichting en bedrijfsvoering;
c.   de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
d.   de exploitant of de beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
e.   de exploitant of de beheerder niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt;
f.   de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
2.   Het bevoegde bestuursorgaan kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:
a.   naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting nadelig wordt beïnvloed;
b.   dit in het belang van de veiligheid van personen of goederen is;
c.  dit in het belang van de gezondheid of zedelijkheid is;
d.   dit in het belang van de arbeidsomstandigheden van de in de seksinrichting werkzame prostituees is;
e.     er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting of voor het escortbedrijf werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid;
f.     in de seksinrichting een minderjarige prostituee wordt aangetroffen dan wel indien een escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostituee;
g.   de exploitant of beheerder de bepalingen in deze paragraaf dan wel de krachtens artikel 2.3a.2 gestelde regels overtreedt;
h.   aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat;
i.     de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de seksinrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd;
j.   zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening van het escortbedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf;
k.   er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een wijziging in de exploitant, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;
l.   er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of voor het escortbureau personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
3.   Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt het bevoegde bestuursorgaan rekening met:
a.   het karakter van de straat en de wijk waarin de seksinrichting is gelegen of zal komen te liggen;
b.  de aard van de seksinrichting;
c.   de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de seksinrichting;
d.  de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de seksinrichting in deze of in andere seksinrichtingen.
 
Artikel 2.3a.9  Geldigheid vergunning [vervallen]

Artikel 2.3a.10 Intrekkingsgronden vergunning [vervallen]

Artikel 2.3a.11 Sluiting van de seksinrichting
1.   Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien:
a.   de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;
b.   de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
c.   een van de in artikel 2.3a.8, tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.
2.   Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
3.   Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
4.   Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.
5.   Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.
6.   Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van belanghebbende(n) door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2.3a.12 Beëindiging exploitatie
1.   De vergunning vervalt zodra de exploitant dan wel de exploitanten de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf heeft dan wel hebben beëindigd.
2.   Binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant, de exploitanten dan wel een van de exploitanten, geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.

Artikel 2.3a.13 Wijziging beheer
1.   Indien een beheerder als bedoeld in artikel 2.3a.3, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.
2.   Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant, met in achtneming van artikel 2.3a.8, de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer heeft gewijzigd.

Artikel 2.3a.14 Overgangsbepaling
Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2.3a.3, eerste lid, van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 2.3a.8, eerste lid, onder a, niet van toepassing.

Artikel 2.3a.15 Schakelbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.


§ 2.3b    VOOR PUBLIEK OPENSTAANDE GEBOUWEN

Artikel 2.3b.1  Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen
1.   De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf.
2.   De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
3.   Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
4.   Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of erf waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.
5.   Het is verboden een gebouw of erf waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.
6.   Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

§ 2.4   MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID

Artikel 2.4.1  Betreden gesloten woning of voor publiek toegankelijk lokaal
1 .   Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.   Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.   Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of in het voor publiek toegankelijk lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.
4.   De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden.

Artikel 2.4.2  Plakken en kladden
1.   Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.   Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg, op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is of op een op de weg staande roerende zaak:
a.   een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of aan te doen plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.   op een andere wijze enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.   Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor degene die krachtens wettelijk voorschrift bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
4.   Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5.   Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6.   Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
7.   De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering onverwijld ter inzage af te geven.

Artikel 2.4.3   Vervoer plakgereedschap e.d.
1.   Het is verboden tussen 22 uur en 6 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, lijm, plakmiddel, kleur- of verfstof, verfspuitbus of verfgereedschap.
2.   Het verbod geldt niet, indien de materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2.

Artikel 2.4.4  Hinderlijk gedrag op of aan de weg
1.  Het is verboden:
a.   op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich anderszins te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.   zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;
c.   zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug te openen.
2.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor degene die bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.4.5  Openlijk drankgebruik
1.   Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.
2.   Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
3.  Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor:
a.   een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b.   de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2.4.6   Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in voor publiek toegankelijke ruimten
1.   Het is verboden hinder of overlast te veroorzaken, dan wel zich zonder redelijk doel op te houden:
a.   in een portiek, bordes, poort, nis of op een trap;
b.   in, op of tegen een raamkozijn, gevel of drempel van een gebouw;
c.   in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling, winkelcentrum, abri of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte.
2.  Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien door artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.4.7   Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten [vervallen]

Artikel 2.4.8  Messen en andere voorwerpen als wapen
1.   Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben.
2.   Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2.4.9   Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterreinen e.d.
Het is verboden op de door het college aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
 
Artikel 2.4.10  Overlast door honden
1.   Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.   binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is met een lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot halsband, niet meer dan 5 meter bedraagt;
b.   op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
c.   op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2.   Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid onder, a, gestelde verbod niet geldt.
3.   De in het eerste lid, onder a en b, gestelde verboden gelden niet voor degene die zich vanwege zijn handicap laat begeleiden door een geleidehond die aantoonbaar als zodanig gekwalificeerd is, of degene die aantoonbaar gekwalificeerd is voor het opleiden van de hond tot geleidehond.
4.   De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

Artikel 2.4.10a Opruimplicht hondenuitwerpselen
1.   De eigenaar of houder van een hond is verplicht de uitwerpselen van de hond onverwijld op te ruimen.
2.   Het college kan plaatsen aanwijzen waar de uitwerpselen van die hond niet hoeven worden opgeruimd.
3.   Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.
4.   De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet voor degene die zich vanwege zijn handicap laat begeleiden door een geleidehond die aantoonbaar als zodanig gekwalificeerd is, of degene die aantoonbaar gekwalificeerd is voor het opleiden van de hond tot geleidehond.

Artikel 2.4.10b Gevaarlijke honden
1.   Het college kan de eigenaar of houder van een hond die naar het oordeel van het college hinderlijk of gevaarlijk is, een verbod opleggen die hond op of aan de weg te laten verblijven of te laten lopen, anders dan:
a.   aangelijnd aan een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van niet meer dan 1,50 meter, of
b.   voorzien van een muilkorf, als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren.
2.   Het is de eigenaar of houder van een hond ten aanzien waarvan een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven, verboden die hond op of aan de weg te laten verblijven of te laten lopen indien de hond niet is voorzien van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand, dat voldoet aan door het college te stellen regels.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Regeling agressieve dieren.

Artikel 2.4.11  Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
1.   Het college kan gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de volksgezondheid verboden is dieren van een daarbij aangewezen soort:
a.   aanwezig te hebben,
b.   aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de volksgezondheid gestelde regels, of
c.   aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
2.   Het is verboden in of op een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente of plaats een dier of dieren van de daarbij aangewezen soort aanwezig te hebben in strijd met hetgeen het college daaromtrent heeft bepaald.
3.   Het college kan de rechthebbende op een onroerend goed, gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente, ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
4.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.

Artikel 2.4.12  Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

 

Artikel 2.4.13 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen winkeldiefstal
1.   Het is verboden tussen 22 uur en 6 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen bij zulke handelingen te voorkomen.
2.   Het is verboden op de weg een voorwerp of ander hulpmiddel dat er kennelijk toe is uitgerust om winkeldiefstal mee te plegen, te vervoeren of bij zich te hebben.
3.   De verboden gelden niet indien de bedoelde gereedschappen, voorwerpen, hulpmiddelen of middelen niet zijn bestemd voor de in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid bedoelde handelingen.

§ 2.5   BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN

Artikel 2.5.1  Begripsomschrijvingen [vervallen]

Artikel 2.5.2  Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1.   Een handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, waarin hij onverwijld vermeldt:
a.   het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.   de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.   een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d.   de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
e.  de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2.   De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorieën van goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

Artikel 2.5.3   Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Een handelaar is verplicht:
a.   wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van kennis geeft dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;
b.   de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk kennis te geven van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
c.   aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld;
d.   indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;
e.   zijn registers op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of aan een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;
f.   wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk kennis te geven.

Artikel 2.5.4   Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Het is een handelaar verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging niet van invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2.5.5   Handel in openbare inrichtingen
Het is de exploitant of beheerder van een openbare inrichting verboden toe te laten dat in die openbare inrichting roerende zaken die daar aanwezig zijn, worden aangeboden of geleverd.

§ 2.6 [vervallen]


§ 2.7    VUURWERK

Artikel 2.7.1  Begripsomschrijving [vervallen]

Artikel 2.7.2   Afleveren van vuurwerk ten behoeve van Oud en Nieuw [vervallen]

Artikel 2.7.3   Afsteken van consumentenvuurwerk ter gelegenheid van Oud en Nieuw
1.   Het is verboden consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen op door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaatsen.
2.   Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een andere voor publiek toegankelijke plaats tot ontbranding te brengen indien dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.


§ 2.8 BESTUURLIJKE OPHOUDING

Artikel 2.8.1  Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a van de Gemeentewet, besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2.1.1, 2.1.9, 2.1.11, 2.1.15, 2.1.17, 2.1.21, 2.1.23, 2.2.4, tiende, elfde en twaalfde lid, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.6, 2.4.8, 2.7.3.

§ 2.9     VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN

Artikel 2.9.1   Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

§ 2.9a     CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN

Artikel 2.9a.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen
1.   De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2.   De burgemeester heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van voor een ieder toegankelijke parkeerterreinen.

§ 2.10     GEBIEDSONTZEGGINGEN

Artikel 2.10.1   Gebiedsontzeggingen
1.   De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad.
2.   Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste acht weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad.
3.   Een verbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.
4.   De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede gestelde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
5.   Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.

§ 2.11    ZAKKENROLLEN [vervallen]

Artikel 2.11.1  (Voorbereidingshandelingen) zakkenrollen [vervallen]



§ 2.12     STADIONOMGEVINGSVERBODEN


Artikel 2.12.1 Begripsomschrijving [vervallen]

Artikel 2.12.2  Omgevingsverbod
1.   De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of de bescherming van het woon- of leefklimaat aan een persoon een verbod opleggen om zich op te houden in de omgeving en nabijheid van het Feyenoordstadion “de Kuip”, het Spartastadion “het Kasteel” of het Excelsiorstadion “Woudestein” gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 4 uur voor de vastgestelde aanvangstijdstippen tot 4 uur na de afloop van een voetbalwedstrijd georganiseerd door de betaaldvoetbalorganisatie Feyenoord, Sparta of Excelsior waarbij het eerste elftal een thuiswedstrijd speelt, of een evenement.
2.   Het verbod geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan 2 jaar.
3.   De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
4.   Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.


HOOFDSTUK 3 PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS

§ 3.1    STRAAT- EN RAAMPROSTITUTIE

Artikel 3.1.1  Prostitutie


Het is verboden:
a.   door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen, op of aan de weg, op of in voor het publiek toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel binnenshuis zichtbaar voor het publiek, iemand tot prostitutie uit te nodigen of uit te lokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan;
b.   op de weg ontuchtige handelingen te verrichten, indien dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

Artikel 3.1.2   Ontucht op de weg [vervallen]

§ 3.2    KANSSPELEN

Artikel 3.2.1  Begripsomschrijvingen [vervallen]

Artikel 3.2.1a   Maximaal aantal automaten in hoog- en laagdrempelige inrichtingen
1.   In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
2.   In laagdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Artikel 3.2.1b  Aanwezigheidsvergunning en tenaamstelling
1.   De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam worden gesteld van de ondernemer.
2.   In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de inrichting waar de speelautomaten worden geplaatst, vermeld.
3.   De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de plaatsing van speelautomaten die in eigendom toebehoren aan personen die in het bezit zijn van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de Wet op de kansspelen en die voorzien zijn van een merkteken als bedoeld in artikel 30r van de Wet op de kansspelen.
4.   De naam van de exploitant van de speelautomaten wordt in de aanwezigheidsvergunning vermeld. De ondernemer is verplicht van wijziging onverwijld kennis te geven, waarna de aanwezigheidsvergunning wordt aangepast.

Artikel 3.2.1c  Overname
Indien de inrichting waarvoor de aanwezigheidsvergunning is verleend, wordt overgenomen door een nieuwe ondernemer, vervalt de aan de vorige ondernemer verleende aanwezigheidsvergunning van rechtswege.

Artikel 3.2.1d   Geldigheidsduur van de aanwezigheidsvergunning [vervallen]

Artikel 3.2.2  Vergunningplicht speelautomatenhal
1.   Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.
2.   De burgemeester is bevoegd maximaal twaalf speelautomatenhalvergunningen te verlenen voor speelautomatenhallen, waarvan de ondernemingsnamen limitatief vermeld staan in de bij deze paragraaf behorende bijlage.
3.   De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het tweede lid verlenen voor ten hoogste het maximale aantal speelautomaten per speelautomatenhal als vermeld in de bij deze paragraaf behorende bijlage.

Artikel 3.2.3  Aanvraag vergunning
1.   De ondernemer vraagt de vergunning aan onder overlegging van:
a.   een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld;
b.   een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;
c.  een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken;
d.   een verklaring omtrent gedrag van de ondernemer en de beheerder van de speelautomatenhal;
e.   bewijsstukken als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Speelautomatenbesluit (kennis gokverslaving).
2.   Het college kan nadere regels stellen omtrent de inhoud, de inrichting, vorm en wijze van indiening van de aanvraag.
3.   De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer.
4.  In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld.
 
Artikel 3.2.4 Beslistermijn [vervallen]

Artikel 3.2.5  Andere beheerder
1.   Indien een overeenkomstig artikel 3.2.3, vierde lid, in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de ondernemer onder overlegging van de in artikel 3.2.3, eerste lid, onder d, genoemde bescheiden een nieuwe vergunning aan te vragen binnen veertien dagen nadat de in artikel 3.2.3 bedoelde verklaring omtrent het gedrag aan hem is verzonden.
2.   De vergunning vervalt indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand in werking is getreden dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen acht weken na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.2.6  Beëindiging exploitatie
1.   Indien een ondernemer komt te overlijden danwel indien een ondernemer de exploitatie van zijn speelautomatenhal beëindigt, wordt de vergunning door de burgemeester ingetrokken.
2.   De burgemeester doet van de intrekking van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, mededeling aan de raad. Tevens doet het college in dat geval de raad een voorstel omtrent het al dan niet aanpassen van artikel 3.2.2 van deze verordening.
3.   Op de aanvraag om een nieuwe vergunning wordt door de burgemeester pas beslist, nadat de raad omtrent het voorstel tot aanpassing van artikel 3.2.2 heeft besloten.

Artikel 3.2.7  Voorschriften
De door de burgemeester aan de vergunning te verbinden voorschriften hebben in elk geval betrekking op:
a.   de sluitingstijden van de speelautomatenhal;
b.   het toezicht in de speelautomatenhal;
c.   het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal spelers bij volledige bezetting van de speelautomaten;
d.   de exploitatie van de hal.

Artikel 3.2.8   Weigering vergunning
1.  De vergunning wordt geweigerd, indien:
a.   het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;
b.   de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;
c.   de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;
d.   de ondernemer of de beheerder van de speelautomatenhal niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit;
e.   door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester het woon- of leefklimaat in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt nadelig wordt beïnvloed;
f.   de speelautomatenhal is gelegen in de nabijheid van scholen, jeugd-/buurt-/clubhuizen;
g.   de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel met een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.
2.   De burgemeester kan afwijken van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid, onder c.

Artikel 3.2.9  Intrekking vergunning
De burgemeester kan de vergunning intrekken:
a.   indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 3.2.8, onder e;
b.   indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken;
c.   indien aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen van het woon- of leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal;
d.   indien de ondernemer of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
e.   indien de ondernemer of de beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;
f.   indien zich in de speelautomatenhal anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal ernstig gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde.

Artikel 3.2.10  Geldigheidsduur vergunning [vervallen]

Artikel 3.2.11  Gokken op de weg
Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of geldswaarde spelen.

Artikel 3.2.12   Sluiting overlastgevende gokpanden
1.   Indien de rechthebbende op of de beheerder van een openbare inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, waarover hij de beschikking heeft, toestaat of gedoogt, dat daarin een kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de Wet op de kansspelen van toepassing is en waarvoor op grond van die wet geen vergunning is verleend, kan de burgemeester, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de sluiting van die inrichting, dat perceel of perceelsgedeelte of die ruimte bevelen.
2.   De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang of toegangen van de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
3.   Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
4.   Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.
5.   Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten inrichting, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.
6.   De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Bijlage

1.   Fair Play Centers Rotterdam B.V.: maximaal 200 speelautomaten, waarvan ten hoogste 176 kansspelautomaten.
2.   V.O.F. Amusementcenter Binnenweg, Amusementscenter “Roman Palace”: maximaal 230 speelautomaten, waarvan ten hoogste 225 kansspelautomaten.
3.   Amusementshal "City Hall" B.V.: maximaal 150 speelautomaten, waarvan ten hoogste 85 kansspelautomaten.
4.   Amusementcenter Botersloot B.V.: maximaal 185 speelautomaten, waarvan ten hoogste 170 kansspelautomaten.
5.   Amusement Mariniersweg: maximaal 180 speelautomaten, waarvan ten hoogste 165 kansspelautomaten.
6.   Waterwegcentrum (deelgemeente Hoek van Holland): nader te bepalen.
7.   JVH amusementcentra B.V.: maximaal 15 speelautomaten, waarvan ten hoogste 12 kansspelautomaten.
8.   Speelautomatenexploitatie Topa B.V.: maximaal 75 speelautomaten, waarvan ten hoogste 75 kansspelautomaten.
9.   Toy Toy: maximaal 85 speelautomaten, waarvan ten hoogste 75 kansspelautomaten.
10.   Krijco Amusement B.V.: maximaal 300 speelautomaten, waarvan ten hoogste 220 kansspelautomaten.
11.   Highlight Rotterdam B.V.: maximaal 60 speelautomaten, waarvan ten hoogste 60 kansspelautomaten.
12.   Toy Toy: maximaal 112 speelautomaten, waarvan ten hoogste 98 kansspelautomaten.

§ 3.3       DRUGS

Artikel 3.3.1   Sluiting overlastgevende drugspanden [vervallen]

Artikel 3.3.2  Verkoop van drugs op of aan de weg
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 3.3.3   Verzamelingen van personen in verband met drugs
1.   Het is verboden op of aan de weg aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar.
2.   Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 3.3.4  Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 3.3.5  Weggooien van spuiten e.d.
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

§ 3.4    VERBLIJFSONTZEGGINGEN [vervallen]


HOOFDSTUK 4   BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

§ 4.1     GELUID- EN LICHTHINDER

Artikel 4.1.1   Begripsomschrijvingen [vervallen]

Artikel 4.1.2   Aanwijzing collectieve festiviteiten
1.   De artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gelden niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de door hem aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.   Artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer geldt niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3.   In een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.
4.   Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
5.   Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onverwijld als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4.1.3   Kennisgeving incidentele festiviteiten
1.   De exploitant van een openbare inrichting kan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden waarbij de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22 uur, het college kennis heeft gegeven van de festiviteit.
2.   De exploitant van een openbare inrichting kan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer niet van toepassing is, mits de exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22 uur, het college kennis heeft gegeven van de festiviteit.
3.   De kennisgeving wordt gedaan volgens de procedure die op het daartoe door het college vastgestelde formulier is voorgeschreven.
4.   De kennisgeving kan alleen worden gedaan in combinatie met een kennisgeving als bedoeld in artikel 2.3.9, zesde lid.

Artikel 4.1.3a  Geluidsplafond
Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten.

Artikel 4.1.4  Verboden incidentele festiviteiten
De burgemeester kan een verbod opleggen een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 4.1.5  Geluidhinder algemeen
1.   Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen, al dan niet met een voer- of vaartuig, te verrichten of te laten verrichten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt.
2.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit.

Artikel 4.1.5a   (Geluid)hinder door bromfietsen e.d. [vervallen]
 
Artikel 4.1.5b   (Geluid)hinder door onversterkte muziek vanuit inrichtingen
In afwijking van artikel 2.18, eerste lid, onder f, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt onversterkte muziek tussen 23 uur en 7 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een openbare inrichting.

Artikel 4.1.6   Aanwijzen concentratiegebied voor horeca-inrichtingen
Het college kan delen van de gemeente aanwijzen als concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 6.16 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

§ 4.2    AFVALSTOFFEN [vervallen]

§ 4.3     BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING

Artikel 4.3.1   Verontreiniging van de weg en van terreinen [vervallen]

Artikel 4.3.2  Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg [vervallen]

Artikel 4.3.3   Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruik van eet- en drinkwaren [vervallen]

Artikel 4.3.4   Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten [vervallen]

Artikel 4.3.5  Straatvegen
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4.3.6   Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg of in openbaar water zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4.3.7   Afval in en nabij op de weg geplaatste containers [vervallen]

Artikel 4.3.8   Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
De beheerder van een sloot, ander water, niet-openbaar riool of put buiten een gebouw zorgt dat deze zich niet bevinden in een toestand die gevaar kan veroorzaken voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van dat gebouw of voor anderen.

§ 4.4   HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN/ NATUURBESCHERMING

Artikel 4.4.1  Begripsomschrijvingen
1.   In afwijking van artikel 1.1 wordt in deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen onder bebouwde kom verstaan het grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de gebieden met CBS-aanduiding 06-Botlek, 07-Europoort en 08-Maasvlakte.
2.   Deze bebouwde kom wordt tevens aangewezen als bebouwde kom voor de toepassing van de Boswet. 

Artikel 4.4.2  Kapverbod
1.   Het is verboden zonder kapvergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.
2.   Van een kapvergunning mag pas gebruik worden gemaakt:
a.   nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken zonder dat een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van die wet is ingediend, of
b.   nadat binnen de onder a bedoelde termijn op een verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.
3.   Het college kan, indien er sprake is van een spoedeisend belang, op verzoek van de aanvrager of ambtshalve, in de vergunning bepalen dat zij in afwijking van het bepaalde in het tweede lid in werking treedt op een eerder daarbij aan te geven tijdstip.
4.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
a.   bomen die behoren tot het populieren- of wilgengeslacht,als wegbeplantingen en éénrijige wegbeplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;
b.  fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
c.   fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
d.  kweekgoed;
e.   houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:
1°   geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, of
2°   bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.
5.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor:
a.   houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.4.9 en 4.4.12;
b.   het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;
c.  het dunnen van een bosplantsoen.
6.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor knotten, indien:
a.   eerder een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor het knotten of kandelaberen is verleend,
b.   het een periodieke handeling betreft die voortvloeit uit of samenhangt met de eerder verleende vergunning, en
c.   de handeling wordt uitgevoerd met het doel de boom in een bestaande, specifieke cultuurvorm te handhaven.

Artikel 4.4.3   Aanvraag kapvergunning
1.   De vergunning wordt aangevraagd door degene, die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
2.   Wanneer het agentschap Landelijke Service bij Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (het bureau LASER) aan het college een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.
 
Artikel 4.4.3a Beslistermijn [vervallen]

Artikel 4.4.4  Weigering/verlening vergunning
1.     Het college verleent de vergunning, indien deze wordt gevraagd teneinde te voldoen:
a.   aan de verplichting ingevolge het bepaalde in Boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek;
b.   aan de wettelijke zorgplicht van de aanvrager;
c.   aan de op grond van de artikelen 37 en 38 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) vastgestelde en voor Nederland geldende eisen.
2.   Het college betrekt bij zijn besluit de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.
3.   Het college kan bij zijn besluit tevens de overeenkomstig artikel 4.4.11 vastgestelde waarde van de betrokken boom of bomen betrekken.
4.   Het college kan de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van:
a.  natuur- en milieuwaarden;
b.   landschappelijke waarden;
c.  cultuurhistorische waarden;
d.  waarden van stads- en dorpsschoon;
e.   waarden voor recreatie en leefbaarheid.
5.   Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. De voorschriften kunnen inhouden dat binnen een daarbij aangegeven termijn en overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen vervangende beplanting moet worden aangebracht. Daarbij kan tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
6.   Indien in een gemeentelijke bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan is aangegeven dat de te vellen houtopstand als waardevol moet worden beschouwd, wordt aan de vergunning een voorschrift verbonden als bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin.



Artikel 4.4.5  Afstand van de erfgrenslijn
De afstand bedoeld in boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4.4.6  Openbaarmaking
Het college draagt zo spoedig mogelijk zorg voor publicatie van vergunningaanvragen en van door hem verleende vergunningen bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid, in een lokaal dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

Artikel 4.4.7  Intrekken vergunning
Het college kan de kapvergunning intrekken indien blijkt dat daarvan binnen één jaar na afgifte geen gebruik is gemaakt.

Artikel 4.4.8  Bijzondere vergunningsvoorwaarden [vervallen]

Artikel 4.4.9  Herplant-/instandhoudingsplicht
1.   Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4.2.2 gestelde kapverbod geldt zonder kapvergunning is geveld, of op andere wijze is tenietgegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen vervangende houtopstand op eigen terrein aan te brengen overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn.
2.   Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
3.   Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4.2.2 gestelde kapverbod geldt in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
4.   Ook de rechtsopvolger van degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd is verplicht daaraan te voldoen.
5.   Een verplichting krachtens dit artikel kan voorschriften inhouden met betrekking tot bomen met een geringere stamomvang dan in artikel 1.1 is aangegeven.

Artikel 4.4.10  Schadevergoeding
Voor zover een zakelijk gerechtigde of degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is om over de houtopstand te beschikken, door de toepassing van artikel 4.4.2 of artikel 4.4.9 schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.


Artikel 4.4.11  Waarde- en schadebepaling aan bomen
1.   De bepaling van de waarde van bomen en de schade aan bomen vindt plaats volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen.
2.   Het college kan regels stellen waarbij van deze richtlijnen wordt afgeweken.

Artikel 4.4.12  Bestrijding iepziekte
1.   Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar kunnen veroorzaken voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:
a.   indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
b.   de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;
c.   de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
2.   Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.
3.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 4.4.13  Bescherming groenvoorzieningen
1.   Het is, behoudens op door het college aan te wijzen plaatsen, verboden in een voor publiek toegankelijk gemeentelijk bos, park, plantsoen, groenstrook of duin:
a.   zich buiten de paden te bevinden, met uitzondering van de grasperken;
b.  zich met een rij- of trekdier buiten een ruiterpad te bevinden.
2.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 4.4.14  Voorwerpen aan/in houtopstand
Het is verboden zonder vergunning van het college aan of in houtopstand voorwerpen aan te brengen.

§ 4.5  MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST

Artikel 4.5.1   Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.
1.   Het is verboden op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen plaats die is gelegen buiten een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer in de openlucht en buiten de weg, een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels:
a.   onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.   bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.   kampeermiddelen, vaartuigen, of andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebruikte voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
d.   mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, verzamelingen ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2.     Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland of de Grondwaterbeschermingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 4.5.2  Handelsreclame op onroerende zaken
1.   Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is, indien:
a.   de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht;
b.   de constructieve - of brandveiligheid in gevaar wordt gebracht;
c.  hinder, overlast of gevaar voor de omgeving wordt veroorzaakt;
d.   de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving in strijd is met redelijke eisen van welstand;
e.   overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak ontstaat; of
f.   de handelsreclame in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.
2.  Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor onverlichte:
a.   opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;
b.   opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;
c.   opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en waarvan de langste zijde korter dan 1 meter is, die betrekking hebben op een openbare verkoping of een aanbieding ten verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en voor zover zij geplaatst zijn op, aan of bij de onroerende zaak; of
d.   opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden, met dien verstande dat indien de onroerende zaak die gelegen is in:
1?   een door de raad aangewezen reclame-arme zone: de opschriften, aankondigingen of naamborden gez amenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m² en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;
2?   een door de raad aangewezen reclamezone: de opschriften, aankondigingen of naamborden tezamen niet groter dan 1,0 m² zijn en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 2,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;
e.   opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden op de bouwplaats, kleiner dan 6,0 m² en waarvan de langste zijde korter is dan 3,0 m, bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
f.   opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.
3.  Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels geven omtrent:
a.  de veiligheid van het verkeer, bedoeld in het eerste lid;
b.   de constructieve - en brandveiligheid, bedoeld in het eerste lid;
c.   hinder, overlast of gevaar voor de omgeving als bedoeld in het eerste lid;
d.  redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid; of
e.  overlast voor gebruikers als bedoeld in het eerste lid.
4.   Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
5.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Provinciale landschapsverordening.
6.   Het eerste lid, onder c en e, is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.
7.   De in het eerste lid, onder b en d, gestelde verboden gelden niet voor bouwwerken.
 
 
 
Artikel 4.5.3  Fietswrakken
Het is verboden op of aan de weg een bromfiets of fiets te plaatsen of te hebben, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

§ 4.6     KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

Artikel 4.6.1   Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1.   Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf een kampeermiddel te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.   Het verbod geldt niet voor het plaatsen van een kampeermiddel voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4.   Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a.  de bescherming van natuur en landschap;
b.  de bescherming van een stadsgezicht.

HOOFDSTUK 5   ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

§ 5.1    PARKEEREXCESSEN

Artikel 5.1.1  Begripsomschrijvingen
In afwijking van artikel 1.1 wordt in deze paragraaf verstaan onder:
-  voertuig: motorvoertuig;
-   weg: weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5.1.2  Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
1.   Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden binnen een door het college aangewezen gebied of periode:
a.   drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, of
b.   de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
2.   Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:
a.  het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b.   het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
3.   Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:
a.   voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet langer dan een half uur duren, gedurende die werkzaamheden;
b.   voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.
4.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5.1.3  Te koop aanbieden van voertuigen
1.   Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.
 
Artikel 5.1.4  Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig:
a.   waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, of
b.   dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,
langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.1.5  Voertuigwrakken
1.   Het is verboden een voertuig of chassis dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te plaatsen of te hebben.
2.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.

Artikel 5.1.6  Caravans, aanhangwagens e.d.
1.   Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, te parkeren:
a.   op door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen wegen of weggedeelten, of;
b.   langer dan drie achtereenvolgende dagen op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.
2.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod.
3.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wegenverordening Zuid-Holland of de Verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland.

Artikel 5.1.7  Parkeren van reclamevoertuigen
1.   Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5.1.8  Parkeren van grote voertuigen
1.   Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:
a.   op een door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaats;
b.   op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.   Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.
3.   De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor een voertuig waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5.2.12.
4.   Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet gedurende het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
5.   Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8 uur tot 18 uur.
6.   Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder a, en tweede lid gestelde verboden.

Artikel 5.1.9   Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen [vervallen]

Artikel 5.1.10  Overlastgevend parkeren van voertuigen
1.   Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan geluidshinder of stankoverlast ondervinden.
2.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.

Artikel 5.1.11  Overlastgevend stallen van (brom)fietsen
Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen:
a.   onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, of
b.  langer dan vier weken onbeheerd te laten staan.

Artikel 5.1.12 Hinderlijk (brom)fietsparkeren
Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen te parkeren:
a. op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd,
b. op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd,
c. op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten,
d. op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt,
e. op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt, of
f. tegen monumenten of gedenktekens.
 
Artikel 5.1.13 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1.   Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2.  Het verbod geldt niet:
a.  op de wegen;
b.   voor voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;
c.   voor voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
3.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
§ 2     COLLECTEREN, VENTEN EN STANDPLAATSEN

Artikel 5.2.1   Inzameling van geld of goed
1.   Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
2.   Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe tevens geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
4.   Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.

Artikel 5.2.2  Venten
1.   Het is verboden in de uitoefening van de ambulante handel op of aan de weg, op of aan een openbaar water, of aan een huis goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te bieden:
a. indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de verkeersvrijheid of verkeersveiligheid in gevaar komt;
b. tussen 21 en 9 uur.
2.  Het verbod geldt niet voor:
a.   het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;
b.   het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
c.   het te koop aanbieden, afleveren of verkopen van goederen op een door het college ingestelde markt, op een evenement waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 2.2.2, of op een standplaats waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5.2.4.
3.   Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op nader door het college aan te wijzen wegen, dagen of uren.
4.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel 5.2.3  Begripsomschrijving [vervallen]

Artikel 5.2.4  Standplaatsen
1.   Het is verboden zonder standplaatsvergunning van het college in de uitoefening van de ambulante handel een standplaats in te nemen met een mobiele verkoopinrichting, een kraam, een tafel of enig ander middel op of aan de weg of een openbaar water voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten.
2.   Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke personen.
3.   Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één vergunning verleend.
4.   Het verbod geldt niet voor handelingen als bedoeld in het eerste lid:
a.  op een door het college ingestelde markt ;
b.   op een evenement waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 2.2.2.
5.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zuid-Holland, de Wet milieubeheer of de Woningwet.
 
Artikel 5.2.5  Weigerings- en intrekkingsgronden
Het college kan een vergunning weigeren of intrekken:
a.   in het belang van de openbare orde;
b.   in het belang van de brandveiligheid;
c.   in het belang van de verkeersvrijheid of verkeersveiligheid;
d.   wegens strijd met een geldend bestemmingsplan;
e.   in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente;
f.  gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse;
g.  gelet op de grootte of het uiterlijk van de verkoopinrichting;
h.   wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 5.2.6   Standplaatsencommissie [vervallen]
 
Artikel 5.2.6a Beslistermijn [vervallen]

Artikel 5.2.7  Standplaatsvrije gebieden
1.   Het college kan standplaatsvrije gebieden aanwijzen waar geen standplaatsvergunning wordt verleend.
2.   Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats op een oppervlakte van niet meer dan 2 m² in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied met een mobiele verkoopinrichting met een inhoud van niet meer dan 2 m² voor de verkoop van goederen.
3.   Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied voor de verkoop van:
a.  oliebollen van 1 november tot en met 31 januari,
b.   kerstbomen van 6 december tot en met 24 december,
c.   haring vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober,
d.   ijs van 1 april tot en met 30 september, of
e.   sinaasappelsap van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 5.2.7a  Overgangsrecht standplaatsvrije gebieden
1.   Indien krachtens artikel 5.2.7, eerste lid, een standplaatsvrij gebied wordt aangewezen, blijven de rechten van de houder van een eerder verleende standplaatsvergunning gedurende twee jaar na die aanwijzing onverlet, tenzij de vergunning op de gronden genoemd in artikel 5.2.5 eerder wordt geweigerd of is ingetrokken.
2.   In een krachtens artikel 5.2.7, eerste lid, aangewezen standplaatsvrij gebied kunnen door het college locaties worden aangewezen waarbinnen voor de verkoop van goederen, aan de houder voor wie ten tijde van het nemen van een aanwijzingsbesluit een standplaatsvergunning gold, ontheffing kan worden verleend voor het innemen van een standplaats met een mobiele verkoopinrichting van niet meer dan 4 m², met dien verstande dat de inhoud niet meer dan 10 m³ mag bedragen.

Artikel 5.2.8   Inneming en ontruiming standplaats
1.   De vergunninghouder kan de standplaats uiterlijk een uur voor aanvang van de verkooptijd innemen en is verplicht de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop is beëindigd.
2.   Het college kan voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen of kerstbomen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 5.2.9  Geldigheidsduur vergunning [vervallen]

Artikel 5.2.10  Bijzondere intrekkingsgrond [vervallen]

Artikel 5.2.11  Overgangsbepalingen [vervallen]

Artikel 5.2.12  Standplaatsen grote voertuigen
1.   Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig dat een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, standplaats op of aan de weg of op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats standplaats in te nemen, teneinde in of vanuit dat voertuig aan het publiek diensten te verlenen of te verstrekken, of van het publiek goederen in ontvangst te nemen.
2.   De artikelen 5.2.5 en 5.2.7 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.   Een vergunning krachtens het eerste lid kan betrekking hebben op het innemen van standplaats op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen gedurende een bepaalde periode.

Artikel 5.2.13   Snuffelmarkten en braderieën [vervallen]

§ 5.3     OPENBAAR WATER

Artikel 5.3.1   Gebruik van openbaar water
1.   Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.
2.   Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.
3.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.
4.   Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
5.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam of de Havenverordening Rotterdam 2004.

Artikel 5.3.1a Ligplaats vaartuigen
1.   Het is verboden in door het college aan te wijzen gebieden of perioden:
a.   met een vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats te hebben of te houden op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan,
b.   met een vaartuig binnen drie dagen nadat het is verplaatst, opnieuw ligplaats in te nemen op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan,
c.   met een vaartuig langer dan twee achtereenvolgende uren aan een winkelsteiger ligplaats te hebben of te houden tussen 9 uur en 20 uur,
d.   een vaartuig langer dan zes achtereenvolgende uren onbemand te laten,
e.   een vaartuig te verbouwen of onderhoud aan de buitenzijde van een vaartuig te verrichten, anders dan geringe herstel- of onderhoudswerkzaamheden, die redelijkerwijs niet langer dan een half uur duren,
f.   in vaartuigen te overnachten, of
g.   met een vaartuig ligplaats in te nemen.
2.   De verboden gelden niet voor vaartuigen die liggen:
a.   in een haven;
b.   op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien meter.
 
Artikel 5.3.1b Vaarverbod
1.   Het college kan openbaar water aanwijzen waar het verboden is zich met een vaartuig te bevinden.
2.   Het college kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5.3.2   Beschadigen van waterstaatswerken en oevers
1.   Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.

Artikel 5.3.3   Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5.3.4   Zwemmen en baden elders dan in zee
Het is, elders dan in zee, verboden in openbaar water te zwemmen of te baden, behalve op de plaatsen en onder de voorwaarden door het college aangegeven.

Artikel 5.3.5   Gevaar of hinder door baden of zwemmen
1.   Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.

Artikel 5.3.6   Overlast aan vaartuigen
1.   Het is niet-rechthebbenden verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
2.   Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5.3.7  Verzamelen van visvoer
Het is verboden zonder vergunning van het college vanuit een vaartuig in openbaar water wormen of insecten, wormachtige larven of insectenlarven dan wel ander natuurlijk visvoer te verzamelen.

§ 5.4     VERBOD AFVALSTOFFEN TE VERBRANDEN BUITEN INRICHTINGEN OF ANDERSZINS VUUR TE STOKEN

Artikel 5.4.1   Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1.   Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen als aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2.   Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
a.   verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke,
b.   sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven,
c.   vuur voor koken, bakken en braden,
voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving kan veroorzaken.
3.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4.   Het college kan bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod tevens geldt voor de in het tweede lid, onder c, bedoelde handelingen gedurende bij zijn besluit aangegeven perioden of tijden, of in daarbij aangewezen gebieden .
5.   Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of bij of krachtens Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.

§ 5.5     VERSTROOIING VAN AS

Artikel 5.5.1   Begripsomschrijving [vervallen]

 

 

 

Artikel 5.5.2  Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing


1.   Het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of diens nabestaanden gewenste plaats buiten een permanent daartoe bestemd terrein is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden, alsmede:
a.   op gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;
b.   op verharde delen van de weg;
c.   op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en spelterreinen;
d.  op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en remmingwerken;
e .  van 1 mei tot en met 30 september tussen 9 en 21 uur:
-   in openbaar water dat niet door de beroepsvaart wordt gebruikt;
-   in zee op een afstand van minder dan 300 meter van de laagwaterlijn;
-  op het strand.
2.   Het college kan regels stellen, inhoudende een verbod as te verstrooien gedurende een daarbij aangegeven termijn op daarbij aangegeven andere plaatsen dan bedoeld in het eerste lid.
3.   Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b tot en met e, gestelde verboden.

Artikel 5.5.3   Hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing [vervallen]



§ 5.6     NAAKTRECREATIE

Artikel 5.6.1   Aanwijzen gebieden naaktrecreatie
Als geschikt voor naaktrecreatie worden aangewezen:
a.   een strandgedeelte op de Maasvlakte, betreffende een strook Noordzeestrand van ca. 2500 meter aan het einde van de Noordzeeboulevard, gesitueerd op de Slufter, welke loopt vanaf de laatste strandtrap tot aan het strandgedeelte ter hoogte van de hoek Dardanellenstraat/Madoerastraat;
b.   een strandgedeelte te Hoek van Holland, gelegen tussen het verlengde van het slag Stuifkenszand en de gemeentegrens met 's-Gravenzande, gerekend 30 meter ten noorden vanaf het verlengde van het Stuifkenszand, 50 meter ten zuiden vanaf de gemeentegrens met 's-Gravenzande, terwijl de oostgrens van het desbetreffende strandgedeelte wordt aangegeven door een lijn die ligt op het pad op circa 43 meter afstand van de voet van het onmiddellijk ten oosten van het Noordzeestrand gelegen duingebied en die evenwijdig loopt aan de voet van dat duingebied;
c.   een met borden aangegeven gedeelte van het Strandbad aan de Kralingse Plas met een breedte van circa 100 meter en een diepte van circa 80 meter, gelegen aan de uiterste noordoostzijde van het Strandbad;
d.   een met borden aangeduid terrein aan de noord(oost)oever van de Zevenhuizerplas, voor de periode dat deze locatie deel uit maakt van het grondgebied van de gemeente Rotterdam.

§ 5.7    STRAND EN ZEE

Artikel 5.7.1  Orde op strandterreinen [vervallen]

 

 

 

Artikel 5.7.2   Motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen


1.   Het is verboden zich met motorvoertuigen, bromfietsen of fietsen op voor het publiek toegankelijke delen van het strand of van de duinen te bevinden. Het verbod geldt voor wat betreft bromfietsen en fietsen niet voor de als zodanig aangegeven fietspaden.
2.   Het verbod geldt niet voor fietsen gedurende door het college aangegeven perioden of tijden.
3.   Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5.7.3   Rij- en trekdieren op het strand


1.   Het is verboden is zich met rij- of trekdieren op het strand te bevinden gedurende de door het college daartoe aangegeven perioden of tijden.
2.   In bijzondere gevallen kan het college ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5.7.4   Vaartuigen op en bij het strand en in de zee


1.   Het is verboden:
a.   een vaartuig op het strand van Hoek van Holland of van het Noordzeestrand van de Maasvlakte te brengen of te hebben;
b.   zich met een vaartuig in de zee voor Hoek van Holland of voor het Noordzeestrand van de Maasvlakte te bevinden op een afstand van minder dan 150 meter van de laagwaterlijn.
2.   Het is verboden, met uitzondering van de door het college aangewezen perioden, tijden of gebieden, zich met een jetski, waterscooter of kite-surfuitrusting te bevinden op het strand van of in de zee voor Hoek van Holland en de Maasvlakte.
3.   Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het door het college aangewezen en met borden aangeduide voor het publiek toegankelijke strand- en zeegedeelte gelegen ter hoogte van de Rechtestraat.
4.   Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet gedurende de door het college aangegeven perioden of tijden of voor de door het college aangewezen gebieden.

Artikel 5.7.5  Zwemmen en baden in zee


Het is verboden in zee te zwemmen of te baden aan het gedeelte van het strand, strekkende over een afstand van 100 meter in noordelijke richting vanaf het Noorderhoofd van de Nieuwe Waterweg.

Artikel 5.7.5a  Verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam


Het is verboden zich te bevinden op de blokken van de blokkendam, welke gelegen is:
a.  tussen Slag Maasmond en Slag Dobbelsteen;
b.   in het verlengde van de Noorderpier.

Artikel 5.7.6   Gevaarlijke speelwerktuigen


Het is verboden op het strand, in zee of in de duinen speelwerktuigen zodanig te gebruiken, dat dit gevaar of hinder voor anderen oplevert of kan veroorzaken.

Artikel 5.7.7  Vrijstellingen
De in deze paragraaf gestelde verboden gelden niet met betrekking tot voertuigen, fietsen, dieren en vaartuigen, ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij en de Rotterdamse Vrijwillige Reddingsbrigade.
 

§ 5.8    DESTRUCTIE [vervallen]
 

HOOFDSTUK 6  HANDHAVING

Artikel 6.1  Strafbepaling
1.   Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de hieronder vermelde artikelen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak:
artikel 1.4     (voorschriften en beperkingen);
artikel 1.6b     (actualiseringsplicht gegevens);
artikel 2.1.1     (samenscholing en ongeregeldheden);
artikel 2.1.6a   (beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen);
artikel 2.1.8    (straatartiest);
artikel 2.1.9   (plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg);
artikel 2.1.11   (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);
artikel 2.1.12    (maken en veranderen van een uitweg);
artikel 2.1.13    (winkelwagentjes);
artikel 2.1.14    (hinderlijke beplanting of voorwerp);
artikel 2.1.15    (openen straatkolken e.d.);
artikel 2.1.16    (rookverbod in bossen en natuurgebieden);
artikel 2.1.17    (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp);
artikel 2.1.18    (vallende voorwerpen);
artikel 2.1.19    (voorzieningen voor verkeer en verlichting);
artikel 2.1.21    (veiligheid op het ijs);
artikel 2.1.23   (slaapverblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen);
artikel 2.2.2    (evenementenvergunning);
artikel 2.2.3    (grootschalig evenement);
artikel 2.2.5  (openbare orde en veiligheid grootschalig evenement);
artikel 2.3.2    (vergunningplicht);
artikel 2.3.2a   (aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder);
artikel 2.3.6  (weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden);
artikel 2.3.7    (sluiting van inrichtingen);
artikel 2.3.8    (terrassen);
artikel 2.3.9    (openings- en sluitingstijden);
artikel 2.3.10    (raamkaart);
artikel 2.3.11     (beëindiging exploitatie);
artikel 2.3.12     (wijziging beheer);
artikel 2.3a.2    (nadere regels);
artikel 2.3a.3  (vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf);
artikel 2.3a.5   (aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder);
artikel 2.3a.6    (sluitingstijden);
artikel 2.3a.11    (sluiting van de seksinrichting);
artikel 2.3a.12    (beëindiging exploitatie);
artikel 2.3a.13    (wijziging beheer);
artikel 2.3b.1   (sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen);
artikel 2.4.1   (betreden gesloten woning of voor publiek toegankelijk lokaal);
artikel 2.4.2    (plakken en kladden);
artikel 2.4.3    (vervoer plakgereedschap e.d.);
artikel 2.4.4    (hinderlijk gedrag op of aan de weg);
artikel 2.4.5    (openlijk drankgebruik);
artikel 2.4.6   (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in voor publiek toegankelijke ruimten);
artikel 2.4.8      (messen en andere voorwerpen als wapen);
artikel 2.4.9   (overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterreinen e.d.);
artikel 2.4.10     (overlast door honden);
artikel 2.4.10a    (opruimplicht hondenuitwerpselen);
artikel 2.4.10b    (gevaarlijke honden);
artikel 2.4.11     (houden van hinderlijke of schadelijke dieren);
artikel 2.4.12    (bedelarij);
artikel 2.4.13   (vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal);
artikel 2.5.5    (handel in horeca-inrichtingen);
artikel 2.7.3   (afsteken van consumentenvuurwerk ter gelegenheid van Oud en Nieuw);
artikel 2.10.1    (gebiedsontzeggingen);
artikel 2.12.2    (omgevingsverbod)
artikel 3.1.1    (prostitutie);
artikel 3.2.1a   (maximaal aantal automaten in hoog- en laagdrempelige inrichtingen);
artikel 3.2.1b  (aanwezigheidsvergunning en tenaamstelling);
artikel 3.2.2    (vergunningplicht speelautomatenhal);
artikel 3.2.3    (aanvraag vergunning);
artikel 3.2.5    (andere beheerder);
artikel 3.2.9     (intrekking vergunning);
artikel 3.2.11     (gokken op de weg);
artikel 3.2.12     (sluiting overlastgevende gokpanden);
artikel 3.3.2    (verkoop van drugs op of aan de weg);
artikel 3.3.3   (verzamelingen van personen in verband met drugs);
artikel 3.3.4    (openlijk drugsgebruik);
artikel 3.3.5    (weggooien van spuiten e.d.);
artikel 4.1.3a     (geluidsplafond)
artikel 4.1.4     (verboden incidentele festiviteiten);
artikel 4.1.5    (geluidhinder algemeen);
artikel 4.3.5     (straatvegen);
artikel 4.3.6     (natuurlijke behoefte doen);
artikel 4.3.8   (toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen);
artikel 4.4.2    (kapverbod);
artikel 4.4.9    (herplant-/instandhoudingsplicht);
artikel 4.4.12    (bestrijding iepziekte);
artikel 4.4.13    (bescherming groenvoorzieningen);
artikel 4.4.14    (voorwerpen aan/in houtopstand);
artikel 4.5.1   (opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.);
artikel 4.5.2  (handelsreclame op onroerende zaken);
artikel 4.5.3    (fietswrakken);
artikel 4.6.1   (recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen);
artikel 5.1.2    (parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.);
artikel 5.1.3    (te koop aanbieden van voertuigen);
artikel 5.1.4    (defecte voertuigen);
artikel 5.1.5    (voertuigwrakken);
artikel 5.1.6    (caravans, aanhangwagens e.d.);
artikel 5.1.7    (parkeren van reclamevoertuigen);
artikel 5.1.8    (parkeren van grote voertuigen);
artikel 5.1.10    (overlastgevend parkeren van voertuigen);
artikel 5.1.11    (overlastgevend stallen van (brom)fietsen);
artikel 5.1.12    (hinderlijk (brom)fietsparkeren);
artikel 5.1.13  (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen);
artikel 5.2.1    (inzameling van geld of goed);
artikel 5.2.2    (venten);
artikel 5.2.4    (standplaatsen);
artikel 5.2.7     (standplaatsvrije gebieden);
artikel 5.2.8     (inneming en ontruiming standplaatsen);
artikel 5.2.12    (standplaatsen grote voertuigen);
artikel 5.3.1    (gebruik van openbaar water);
artikel 5.3.1a     (ligplaats vaartuigen);
artikel 5.3.1b    (vaarverbod);
artikel 5.3.2  (beschadigen van waterstaatswerken en oevers);
artikel 5.3.3    (reddingsmiddelen);
artikel 5.3.4    (zwemmen en baden elders dan in zee);
artikel 5.3.5    (gevaar of hinder door baden of zwemmen);
artikel 5.3.6    (overlast aan vaartuigen);
artikel 5.3.7    (verzamelen van visvoer);
artikel 5.4.1   (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken);
artikel 5.5.2   (verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing);
artikel 5.7.2   (motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen);
artikel 5.7.3    (rij- en trekdieren op het strand);
artikel 5.7.4    (vaartuigen op en bij het strand en in de zee);
artikel 5.7.5    (zwemmen en baden in zee);
artikel 5.7.5a   (verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam);
artikel 5.7.6    (gevaarlijke speelwerktuigen).
2.   Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.5.2, 2.5.3 en 2.5.4 (heling) wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 6.2   Toezicht en opsporing
1.   Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren van:
a.  de dienst Stadstoezicht;
b.   de Dienst van Gemeentewerken.
2.   Tevens zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen andere ambtenaren.

Artikel 6.3   Binnentreden van woningen
De ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
 

HOOFDSTUK 7   OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 7.1   Intrekking APV Rotterdam
De Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam wordt ingetrokken, met uitzondering van de artikelen 5.1.2, 5.1.6 en 5.2.2 die tot 1 oktober 2008 gelden.

Artikel 7.1a   Intrekking Pleziervaartuigenverordening
De Pleziervaartuigenverordening wordt met ingang van 1 oktober 2008 ingetrokken.

Artikel 7.2   Overgangsbepalingen regelingen
Door het bevoegde bestuursorgaan ter uitvoering van de APV Rotterdam vastgestelde regelingen berusten na het in werking treden van deze verordening op de overeenkomstige bepalingen daarvan.

Artikel 7.3  Overgangsbepaling toestemmingen
1.   Op een aanvraag om een toestemming krachtens de APV Rotterdam, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende recht.
2.   Op een bezwaarschrift of beroep tegen een besluit, krachtens de APV Rotterdam genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van het nemen van dat besluit geldende recht.

Artikel 7.4  Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie daarvan in het gemeenteblad, met uitzondering van de artikelen 2.2.2a, 5.1.2, 5.1.6, 5.2.2 en 5.3.1a die in werking treden met ingang van 1 oktober 2008.

Artikel 7.5  Citeertitels
Deze verordening wordt aangehaald als "Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008" of "APV Rotterdam 2008".

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van17 juli 2008.

De griffier,  De voorzitter,

K.D. Handstede             M. Çelik, plv.




Dit gemeenteblad is uitgegeven op 1 augustus 2008 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.30 uur ter inzage bij het Kenniscentrum Bestuursdienst Rotterdam (KBR), Stadskantoor ingang Rodezand 18, begane grond.
(Zie ook: www.bds.rotterdam.nl – Gemeentebladen)



TOELICHTING HOOFDSTUK 1   ALGEMENE BEPALINGEN

Algemene toelichting hoofdstuk 1:
Hoofdstuk 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV) bevat een aantal procedurevoorschriften en algemene bepalingen.
Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) algemene regels geeft inzake de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing.
In deze toelichting wordt summier ingegaan op het stelsel van de Awb en op de mogelijkheden tot aanvulling of afwijking daarvan in de APV.
Daarop volgt een aantal algemene opmerkingen over het Red Tape-beleid (bestrijding van bureaucratie).
Ten slotte worden de algemene bepalingen van hoofdstuk 1 toegelicht.

Algemene wet bestuursrecht

De Awb bevat onder meer bepalingen, waarin algemene regels zijn geformuleerd omtrent de totstandkoming, vorm en inhoud van bestuurlijke beslissingen. De Awb regelt bijvoorbeeld hoe het bevoegde bestuursorgaan besluiten omtrent vergunningen of ontheffingen (beschikkingen) moet nemen en welke eisen aan deze beschikkingen moeten worden gesteld.
De bepalingen in de Awb hebben deels een dwingend karakter, zodat een regeling in de APV in dat geval niet meer nodig is. Soms echter geeft de Awb de mogelijkheid om af te wijken van de Awb-regels of om deze regels nader aan te vullen.
In de toelichting bij deze APV wordt telkens vermeld, wanneer en waarom van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt.

Aanvraag vergunning of ontheffing

De aanvraag voor een vergunning of ontheffing (beschikking) wordt in beginsel schriftelijk ingediend (artikel 4:1 Awb). Bij wettelijk voorschrift kan echter van het vereiste van "schriftelijk indienen" worden afgeweken. De APV kan derhalve regelen dat een bepaalde beschikking ook mondeling kan worden aangevraagd.

In sommige uitzonderlijke gevallen is in de APV van deze mogelijkheid gebruik gemaakt (zie hiervoor bijvoorbeeld artikel 2.1.5: mondelinge kennisgeving van openbare manifestatie).

De aanvraag bevat ten minste:
a.  de naam en het adres van de aanvrager;
b.  de dagtekening;
c.  een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

De aanvrager verschaft tevens de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2 Awb).
Het bevoegd bestuursorgaan kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier opstellen (artikel 4:4 Awb).
Indien de aanvrager de aanvraag onjuist heeft gedaan of onvoldoende gegevens of bescheiden heeft verstrekt, stelt het bevoegde bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid binnen een bepaalde termijn de aanvraag te herstellen of aan te vullen. Mocht de aanvrager binnen die tijd de aanvraag niet hersteld of aangevuld hebben, dan kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen (artikel 4:5 Awb).

Indien de aanvrager, wiens aanvraag is afgewezen, na enige tijd opnieuw een zelfde aanvraag indient, terwijl er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, kan het bevoegde bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzing (artikel 4:6 Awb).

Voorbereiding beschikking

Artikel 4:7 Awb regelt het horen van degene die de beschikking heeft aangevraagd. Indien het bestuursorgaan voornemens is de aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen in de gevallen genoemd in artikel 4:7 Awb.
Artikel 4:8 Awb geeft een regeling betreffende het horen van een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die tegen de te nemen beschikking naar verwachting bedenkingen zal hebben. Het artikel geeft aan in welke gevallen de belanghebbende de gelegenheid dient te krijgen zijn zienswijze naar voren te brengen.

De beslissing (beschikking)

Een vergunning of ontheffing (beschikking) wordt schriftelijk verleend (artikel 1:3 Awb). De beschikking berust op een deugdelijke motivering, die in beginsel bij de bekendmaking van de beschikking wordt vermeld.
Een beschikking wordt gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag (in beginsel acht weken) (artikel 4:13 Awb).
Artikel 1.2 APV sluit aan bij het in het kader van het Red Tape-beleid ontwikkelde stramien, zoals dat hieronder aan de orde komt.
Wanneer niet binnen de in artikel 1.2 APV genoemde termijn (eventueel na verdaging) een beslissing op de aanvraag is gegeven, wordt dit geacht een besluit te zijn, waartegen de aanvrager in bezwaar of beroep kan komen (artikel 6:2 Awb).

Bekendmaking en mededeling

Op de bekendmaking van de beschikking is afdeling 3.6 van de Awb van toepassing. Artikel 3:40 Awb bepaalt, dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager (artikel 3:41 Awb).

De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze (artikel 3:42 Awb). Hierbij kan worden gedacht aan de bekendmaking van nadere regels, krachtens deze APV gesteld door het college of de burgemeester.

Bezwaar of beroep

Indien de mogelijkheid bestaat om tegen een beschikking bezwaar of beroep in te stellen, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt. Hierbij wordt vermeld voor wie, binnen welke termijn en bij welke instantie de mogelijkheid van bezwaar of beroep open staat (artikel 3:45 Awb).

Red Tape

Rotterdam streeft - zowel voor zijn burgers als voor zijn ondernemers - naar minder en betere regelgeving. Overbodige, met name sterk bureaucratische, regels worden geschrapt en de resterende regelgeving is sober, duidelijk, zo uniform mogelijk én goed toegankelijk.
Voor de APV betekent dat het volgende:

In de eerste plaats zijn de beslistermijnen – de periode die de bevoegde organen gegund is voor het voorbereiden en afgeven van een vergunning of ontheffing - bekort en gestandaardiseerd. Het overschrijden van deze termijnen is overigens (zie hierna) niet zonder gevolgen.

In de tweede plaats is de geldigheidsduur van verleende vergunningen of ontheffingen verlengd en op basis van het volgende stramien gestandaardiseerd.
a.   Vier weken, met de mogelijkheid om éénmaal (in de derde week van de eerste periode) met vier weken te verlengen.
Deze standaardtermijn geldt voor relatief eenvoudige gevallen waarin de aanvraag door een (gemandateerde) dienst wordt afgehandeld, zonder dat externen daarbij een rol spelen.
b.   Acht weken, met de mogelijkheid om éénmaal (in de zesde week van de eerste periode) met acht weken te verlengen.
Deze termijn is aan de orde indien bij de afhandeling van de aanvraag meerdere gemeentelijke diensten een (bijv. adviserende) rol spelen.
c.   Twaalf weken, met de mogelijkheid om éénmaal (in de achtste week van de eerste periode) met twaalf weken te verlengen.
Deze termijn wordt gekozen indien het noodzakelijk is externe, niet-gemeentelijke adviseurs te raadplegen of als er sprake is van verplichte inspraak, alvorens een aanvraag kan worden afgehandeld.

Het spreekt voor zich dat het voor een vlotte afhandeling van belang is dat aanvragers hun aanvraag compleet, dat wil zeggen voorzien van de benodigde gegevens en bescheiden, indienen. Deze verantwoordelijkheid ligt ingevolge artikel 4:2 van de Awb bij de aanvrager.
Voor de goede orde wordt verder opgemerkt dat in gevallen waarin toepassing wordt gegeven aan de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (de wet Bibob) de van toepassing zijnde beslistermijn als gevolg van artikel 31 van die wet automatisch wordt verlengd.
Zoals hiervoor al opgemerkt, blijft het overschrijden van beslistermijnen niet zonder gevolgen. De gemeentelijke Legesverordening bepaalt dat bij overschrijding van beslistermijnen leges worden terugbetaald aan de aanvrager. Rotterdam laat daarmee zien dat beslistermijnen worden beschouwd als harde termijnen, waarop de gemeente kan worden aangesproken.

Ook ten aanzien van de geldigheidsduur van de APV-vergunningen en
-ontheffingen is gekozen voor een vast stramien.
Rotterdam wil ook op dit punt zoveel mogelijk duidelijkheid vóóraf geven: daarom werkt de gemeente in de APV met de volgende standaardtermijnen:

a.  Onbeperkte geldigheidsduur
Algemeen uitgangspunt is een onbeperkte geldigheidsduur.
b.   Geldigheidsduur bepaald door de aard van de vergunnings- of ontheffingsplichtige activiteit of situatie.
Een niet onaanzienlijk deel van de vergunningen of ontheffingen in de APV heeft betrekking op ‘per definitie’ tijdelijke situaties of omstandigheden (denk aan activiteiten als evenementen, snuffelmarkten of braderieën). Voor die gevallen kan geen standaardtermijn worden bepaald; de termijn is telkens afhankelijk van de aard van de activiteit.
c.   Geldigheidsduur vergunningen op het terrein van openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat.
De APV is een regeling die vooral in het teken staat van het borgen van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat. Bij dergelijke activiteiten is een regelmatige beoordeling - door middel van een nieuwe vergunningaanvraag - van die activiteiten door het bevoegde gemeentelijke orgaan noodzakelijk. Voor dit type activiteiten dient de vergunning derhalve aan een termijn te zijn gebonden. De wenselijke termijn verschilt per type activiteit.

Om te voorkomen dat bij langdurig geldende vergunningen (vijf jaar of onbeperkt) ongebreideld allerlei veranderingen in de activiteiten worden aangebracht, nadat de vergunning is verleend allerlei veranderingen worden aangebracht in de activiteit die wordt ondernomen zonder dat het bevoegd gezag daarvan op de hoogte is, schrijft het nieuw voorgestelde artikel 1.6b voor dat bij wijze van vergunningvoorschrift een actualiseringsverplichting aan de vergunninghouder wordt opgelegd.
 
Toelichting artikel 1.1:
In dit artikel worden bijna alle begrippen die in de APV worden gehanteerd, gedefinieerd. Van enkele specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende paragraaf definities opgenomen. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.

Aanvraag:
aanvraag om een toestemming – te weten een vergunning of ontheffing – krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008.

Aanwezigheidsvergunning:
vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de Kansspelen. Artikel 30 b luidt:
1.   Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben:
a.   op of aan de openbare weg;
b.   op voor het publiek toegankelijke plaatsen;
c.   in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen, waarvoor ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf is vereist of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca.
2.   Het eerste lid is niet van toepassing op het aanwezig hebben van:
a.   behendigheidsautomaten op kermissen, ook indien zij niet behoren tot ingevolge artikel 30a, tweede lid, aangewezen typen van speelautomaten;
b.   speelautomaten op voor het publiek toegankelijke plaatsen, uitsluitend ten behoeve van het verkopen daarvan of van het krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste lid, in gebruik geven daarvan aan anderen ten behoeve van de uitoefening van hun bedrijf.

Beheerder:
a.  De beheerder (of bedrijfsleider) van een openbare inrichting is degene die de inrichting in de praktijk in eigen persoon drijft. Er dient steeds een beheerder in de inrichting aanwezig te zijn als de exploitant afwezig is. Het is niet mogelijk dat rechtspersonen beheerders van inrichtingen zijn. Een inrichting kan meerdere beheerders hebben.
b.   De beheerder (of bedrijfsleider) van een seksinrichting is degene die inrichting in de praktijk in eigen persoon drijft. Er dient steeds een beheerder in de seksinrichting aanwezig te zijn als de exploitant afwezig is. Het is niet mogelijk dat rechtspersonen beheerders van seksinrichtingen zijn. Een seksinrichting kan meerdere beheerders hebben.

Behendigheidsautomaat:
speelautomaat waarvan:
a.   het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen; en
b.   het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen wordt.

Bevoegd bestuursorgaan:
Onder bevoegd bestuursorgaan wordt een krachtens de APV Rotterdam bevoegd bestuursorgaan verstaan.

Boom:
Onder het begrip “boom” valt de particuliere of de gemeente boom of allebei.

Bouwwerk:
Deze omschrijving komt overeen met die in de Rotterdamse Bouwverordening.

Collectieve en incidentele festiviteit:
Zie de toelichting bij de artikelen 4.1.2 en 4.1.3.

Consumentenvuurwerk:
Voor de omschrijving van het begrip "consumentenvuurwerk" is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit; het betreft hier het zogenaamde "consumentenvuurwerk".
De volgende soorten vuurwerk kunnen niet als consumentenvuurwerk als bedoeld in het Besluit worden aangemerkt:
-   het zogenaamde grote vuurwerk, dat door bedrijven bij bijvoorbeeld evenementen wordt afgestoken;
-   producten die reeds in de Schepenwet, Wet wapens en munitie, de Jachtwet of het Warenwetbesluit speelgoed zijn geregeld. Met name klappertjes van speelgoedpistolen en diverse seinhulpmiddelen worden niet als vuurwerk beschouwd;
-   tevens is een aantal artikelen uit het Besluit niet van toepassing op fop- en schertsvuurwerk, zoals knalbonbons en confettibommen. Dit vuurwerk is het hele jaar door verkrijgbaar en kan ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.

Escortbedrijf:
Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting, en derhalve niet locatiegebonden. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelfs een website op Internet. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een escortservice. In dat geval dient dit uitdrukkelijk op de aanvraag te zijn vermeld en zal de vergunning op beide activiteiten betrekking hebben.

Evenement:
Bij evenement kan in de praktijk worden gedacht aan voor het publiek toegankelijke verrichtingen van kunst, tentoonstellingen, feesten, weldadigheidsverkopingen, braderieën, kermissen, circussen, herdenkingsplechtigheden e.d. De omschrijving omvat alle activiteiten van vermaak, ongeacht of het publiek zelf deelneemt. Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt deze als enige expliciet als evenement genoemd. Opgemerkt zij dat een herdenkingsplechtigheid in sommige gevallen een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties (WOM) kan zijn, namelijk als de bijeenkomst tot doel heeft om gezamenlijk een mening te uiten in het openbaar. In sub e zijn samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties uitgezonderd van het evenementenbegrip. De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen.
Ingevolge het bepaalde onder d, is voor evenementen in inrichtingen als bedoeld in artikel 2.3.1 (openbare inrichtingen) geen evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund op grond van artikel 2.3.2, en voor zover die evenementen tot de toegestane exploitatievorm behoren. Een en ander doet niets af aan de voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en in hoofdstuk 4, paragraaf 1 van deze APV. Deze voorschriften blijven onverkort van toepassing.
Voor evenementen op het terras van een openbare inrichting zal veelal een evenementenvergunning nodig zijn, omdat de activiteiten niet meestal niet zullen vallen binnen de toegestane exploitatievorm. Het terras maakt onderdeel uit van de inrichting, waardoor er voor het terras in principe dezelfde geluidsnormen gelden als voor in de inrichting. Uiteraard veroorzaakt geluid op het terras meer geluidsoverlast dan geluid dat binnen wordt geproduceerd. Om meer geluid te mogen produceren op het terras dient er naast een evenementenvergunning tevens een kennisgeving worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer te krijgen. In de evenementenvergunning kunnen aanvullende geluidsvoorschriften worden gesteld.
Aangezien er per jaar maar tien incidentele festiviteiten mogen worden gehouden, is ook het aantal evenementen op het terras beperkt tot tien.

Zie tevens de toelichting bij het tweede lid.

Exploitant:
a.  Onder exploitant van een openbare inrichting wordt de ondernemer verstaan die de inrichting drijft. Het gaat hierbij in ieder geval om de persoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend. Naast natuurlijke personen kunnen ook rechtspersonen exploitant zijn. Om constructies van schijnbeheer tegen te gaan is het te allen tijde noodzakelijk om te weten tot welke natuurlijke personen de rechtspersoon herleidbaar is. Daarom worden de bestuurders van de rechtspersoon en hun gevolmachtigden eveneens aangemerkt als exploitant. Tevens is in 2008 de definitie van het begrip ‘exploitant’ aangepast en in overeenstemming gebracht met de Drank- en Horecawet. De bestuurders van rechtspersonen als bedoeld in artikel 4 Drank- en Horecawet (stichtingen en verenigingen die zich richten op recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard) worden niet meer aangemerkt als exploitant. Dit heeft tot gevolg dat bij de veelal jaarlijkse bestuurswisselingen niet steeds opnieuw een vergunning hoeft te worden aangevraagd. Wel moeten wijzigingen in het bestuur worden gemeld aan de gemeente.
b.  Onder exploitant van een seksinrichting wordt verstaan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, voor wiens rekening en risico een seksinrichting of escortbedrijf wordt gedreven, en de bestuurders van die rechtspersoon en hun gevolmachtigden;
Om constructies van schijnbeheer tegen te gaan is het te allen tijde noodzakelijk om te weten tot welke natuurlijke persoon of personen een rechtspersoon of -personen herleidbaar is/zijn.

Gemeentelijke of particuliere boom:
In artikel 1.1 is ook een definitie opgenomen van het begrip boom, omdat in de praktijk vaak discussie ontstond over de vraag wat wel en wat niet onder een boom dient te worden verstaan. Er wordt thans ook een onderscheid gemaakt naar particuliere bomen en gemeentelijke bomen. Een gemeentelijke boom is een boom waarvan de gemeente zakelijk gerechtigde is en als de gemeente niet zakelijk gerechtigd is, dan is een boom particulier.

Een kapvergunning voor een particuliere boom moet worden aangevraagd als de boom een omtrek heeft van meer dan 100 cm gemeten op 1,30 m hoogte. Een kapvergunning voor een gemeentelijke boom moet worden aangevraagd op het moment dat de omtrek meer is dan 50 cm gemeten op 1,30 meter hoogte. Dat wil zeggen, dat de gemeente ten aanzien van de eigen bomen zichzelf strengere regels oplegt voor wat betreft het aanvragen van een vergunning dan bij particuliere bomen. Deze verruiming voor particulieren betreft in het algemeen toch altijd bomen die vergund worden en reduceert het aantal vergunningaanvragen voor particuliere bomen met ongeveer 60 procent.

Het begrip boomwaarde - dat reeds in de voormalige kapparagraaf was opgenomen - is in deze paragraaf gehandhaafd. De boomwaarde is met name bedoeld voor het terugkrijgen van de gemeentelijke investeringen in stadsbomen. Veel minder toepasbaar is de boomwaarde op particuliere bomen of op schadeloosstellingen aan particulieren.

Grootschalige evenementen:
Grootschalige evenementen zijn voor het publiek kosteloos dan wel tegen betaling toegankelijke vermakelijkheden, zoals culturele en sportieve evenementen (bijvoorbeeld voetbalwedstrijden, popconcerten, de marathon, wielerronden, festivals, feesten), waarvan de aard of de publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid dusdanig grootschalig is, dat daarin zonder nadere ordening niet kan worden voorzien.
Aan de hand van een aantal – niet limitatief opgesomde – criteria wordt beoordeeld of er sprake is van een grootschalig evenement, te weten: ervaringsgegevens, aantal bezoekers, gekozen locatie, verkeerstechnische gegevens, gekozen tijdstip, politieke gevoeligheid, aard en karakter van het evenement en het bezoekersprofiel. Op basis van deze criteria wordt een indeling gemaakt in:
-   Kleine evenementen (minder dan 5000 bezoekers, weinig of geen geluidsoverlast voor omwonenden, (nagenoeg) geen politie-inzet);
-   Grootschalige evenementen (meer dan 5000 bezoekers, en/of met een geluidsniveau dat mogelijk overlast voor omwonenden veroorzaakt, en/of beperkte politie-inzet vereist);
-   Mega-evenementen (meer dan 50.000 bezoekers, en/of met een geluidsniveau dat vrijwel zeker geluidsoverlast voor omwonenden veroorzaakt, en/of omvangrijke politie-inzet vereist.
Het onderscheid tussen grootschalige evenementen en mega-evenementen is niet juridisch van aard. Beide evenementen vallen onder het begrip ‘grootschalig evenement’.

Handelaar:
Artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36) noemt als handelaren hier bedoeld: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Handelaren in antiek en curiosa zijn tevens handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, zodat zij niet apart behoeven te worden vermeld.


Handelsreclame:
In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.
Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid, van artikel 7 Grondwet, geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden.
Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even scherp zijn. Het vorenstaande betekent overigens niet dat handelsreclame niet beschermd wordt. Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.

Hoogdrempelige inrichting:
een hoogdrempelige inrichting is een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:
a.   waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en
b.   waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

Houtopstand:
Onder houtopstand valt: boom of bomen, hakhout, houtwal, lintbeplanting in de vorm van bosheesters, al dan niet met bomen, of beplanting van bosplantsoen. Aan de definitie van "houtopstand" is toegevoegd "lintbeplanting in de vorm van bosheesters", aangezien dergelijke beplantingen een grote ecologische waarde kunnen hebben (bijv. een meidoorn- of mispelhaag), die bescherming verdient. Ook is toegevoegd "een beplanting van bosplantsoen", om een beplanting van inheemse of reguliere bomen en struiken in een stedelijke omgeving te kunnen beschermen.

Kampeermiddel:
In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan. Onder nachtverblijf wordt verstaan verblijf tussen zonsondergang en zonsopkomst, tenzij anders is aangegeven.

Kansspelautomaat:
speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is.


Kapvergunning:
Een vergunning om een particuliere of gemeentelijke boom te kappen.

Laagdrempelige inrichting:
een laagdrempelige inrichting is een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

Ondernemer:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die een speelautomatenhal, een hoogdrempelige inrichting of een laagdrempelige inrichting exploiteert en de wettelijke vertegenwoordiger van die rechtspersoon.

Openbaar water:
Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’.

Openbare inrichting:
Onder de begripsbepaling "openbare inrichting" vallen de inrichtingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij horende terrassen en álle inrichtingen, waar anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaren kunnen worden afgehaald (afhaalcentra).

Openbare plaats:
In de WOM wordt “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid van artikel 1 WOM is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Godsdienstvrijheid).
Het betreft hier een algemene toegankelijkheid van de plaats zonder belemmeringen. Iedereen moet er zonder meer kunnen komen. In dit verband kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als "openbare plaatsen" worden aangemerkt. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip "openbare plaats".

Het openstaan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogd. Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en de voor een ieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.


Organisator:
Onder ‘plaatsvinden’ wordt in dit onderdeel mede verstaan de voorbereiding en de afbouw van het evenement.

Parkeren:
het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Prostitutie en prostituee:
Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid van de definitie in artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om taalkundige redenen zijn de termen 'derde' en 'betaling' uit de definitie in het Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk 'ander' en 'vergoeding'. Seksuele dienstverlening zoals in een erotische massagesalon wordt op grond van deze definitie aangemerkt als prostitutie.

Seksinrichting:
Het begrip seksinrichting is het centrale begrip in § 2.3a. Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd). De belangrijkste vereisten in deze definitie zijn de publieke toegankelijkheid, bedrijfsmatige exploitatie en de seksuele handelingen. Hierna zullen deze elementen nader worden toegelicht. Ook wordt ingegaan op de regelgeving die van toepassing is op seksbioscopen, -theaters en -winkels.

In de definitie is gekozen voor de term "besloten ruimte", omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord "besloten" duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.

De toevoeging van het begrip "voor publiek toegankelijk" is van belang, aangezien volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de gemeenteraad zijn bevoegdheid overschrijdt, wanneer hij handelingen verbiedt die in geen enkel opzicht een openbaar karakter hebben en in geen enkel opzicht betrekking hebben op de openbare orde. Kort samengevat luidt het standpunt van de Hoge Raad over het element van openbaarheid in de gemeentelijke verordeningen als volgt:
-   indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld, die zintuiglijk vanaf een openbare plaats waarneembaar is, dan is voldaan aan het vereiste van openbaarheid;
-   indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld, die voornamelijk van een ander erf of vanuit een ander goed waarneembaar is, dan wordt onder omstandigheden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van openbaarheid;
-   indien van het voorgaande geen sprake is, maar de aard en de omvang van de gevolgen van de handeling of toestand (mede gelet op de plaatselijke omstandigheden) zodanig kunnen zijn dat zij een gevaar betekenen voor de openbare orde, zedelijkheid of gezondheid, dan heeft de verboden handeling of toestand een terugslag hebben op openbare belangen en is mitsdien voldaan aan het vereiste van openbaarheid. In een arrest van 10 oktober 1975 overwoog de Hoge Raad dat een bepaling in de Rotterdamse APV inzake de sluiting van bordelen bleef binnen de grenzen van artikel 168 gemeentewet (oud) "daar met de sluiting van een perceel [...], ook in gevallen waarin [...] de verboden handelingen elk karakter van openbaarheid missen, de openbare orde kan zijn gediend".

Een aanzienlijk deel van de prostitutie in Rotterdam vindt plaats in woningen, de zogenaamde privé-huizen. Deze woningen worden niettemin als seksinrichting aangemerkt, indien het gaat om woningen die geen woonfunctie meer hebben. Dergelijke privé-huizen worden geacht "voor publiek toegankelijk" te zijn; klanten wordt immers toegang verschaft.

Om een duidelijk onderscheid te maken tussen het hiervoor genoemde publieke en private domein, is bovendien het vereiste van bedrijfsmatige - of daarop gelijke - wijze van exploitatie in de definitie opgenomen. De vraag of sprake is van bedrijfsmatige exploitatie is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de organisatiegraad van de inrichting, de omvang van het prostitutieaanbod (hoeveel prostituees zijn er werkzaam?), de wijze van klantenwerving (uithangborden, advertenties?) etc. Indien sprake is van slechts één prostituee, die in zijn of haar eigen woning werkt en er in deze woning slechts één werkplek is, wordt dit in beginsel niet als bedrijfsmatige exploitatie aangemerkt. Deze uitzondering voor thuiswerksters is echter geen automatisme en zal in elk geval niet worden gemaakt indien de thuiswerkster onderdeel uitmaakt van een (escort)organisatie of indien de woning door uithangborden en verlichting het karakter heeft van een seksinrichting.
Ten aanzien van thuisprostitutie (privéhuizen) speelt het probleem dat het recht op privacy (art. 10 Grondwet, art. 8 EVRM) het lastig maakt voor de gemeente om regulerend en handhavend op te treden als de woning (ook) nog als zodanig wordt gebruikt. Een woning die als zodanig in gebruik is, behoort naar haar aard tot de persoonlijke levenssfeer van de bewoner(s). Sluiting is dan bijvoorbeeld alleen mogelijk op basis van art. 174a Gemeentewet. De uitzondering voor “thuiswerk”, is om deze reden noodzakelijk. Eveneens is deze uitzondering noodzakelijk vanwege de ondergrens van de verordenende bevoegdheid, het privaat domein.

Door het gebruik van de term "seksuele handelingen" in de begripsomschrijving wordt enerzijds aangegeven dat inrichtingen waar geen sprake is van seksuele handelingen, maar uitsluitend van seksuele voorstellingen of vertoningen (seksbioscopen, sekstheaters of seksautomatenhallen) niet als seksinrichting worden aangemerkt, anderzijds komt hiermee tot uitdrukking dat niet per se sprake hoeft te zijn van prostitutie om als seksinrichting te worden aangemerkt. Ook een parenclub, (homo)sauna, darkroom en erotisch café, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt gegeven tot het verrichten van seksuele handelingen, zijn seksinrichtingen.

Exploitatievergunningen voor seksbioscopen, sekstheaters en seksautomatenhallen zijn geregeld in hoofdstuk 2 paragraaf 3 van de APV. Het betreft hier slechts inrichtingen waar voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven. Indien er in de praktijk ook sprake is van een seksinrichting (en er behalve voorstellingen of vertoningen dus ook sprake is van seksuele handelingen) dan is het bepaalde in deze paragraaf onverkort van toepassing. Een dergelijke inrichting dient dan tevens over een geldige exploitatievergunning voor een seksinrichting te beschikken.

Zolang in sekswinkels geen seksuele handelingen worden verricht, is geen sprake van een seksinrichting. Voor sekswinkels geldt dan geen bijzonder regime. In principe worden deze winkels via het bestemmingsplan geregeld. Voor de openingstijden is de Winkeltijdenwet van toepassing. Indien echter sprake is van vertoningen of voorstelling van pornografische aard, dan is de exploitatievergunning vereist en als het een sekswinkel betreft waar seksuele handelingen worden verricht dient er een vergunning voor een seksinrichting, ingevolge het bepaalde in deze paragraaf, te worden aangevraagd.

Speelautomaat:
een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen.

Speelautomatenhal:
inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen;

Standplaats:
De gemeentelijke standplaatsbepalingen hebben tot doel het innemen van een standplaats op de openbare weg met een mobiele verkoopinrichting te reguleren.
Kernbegrip in deze verordening vormt de mobiliteit van de verkoopinrichting, met dien verstande dat de vergunninghouder verplicht is om iedere dag na sluitingstijd zijn verkoopinrichting te verwijderen van de standplaats. Bij de APV-herziening in 2003 is aan de definitie toegevoegd dat onder een mobiele verkoopinrichting mede een grondplaats, een kraam, een tafel of enig ander daarmee te vergelijken middel wordt verstaan.
Voorts strekken de bepalingen in deze verordening - zoals in de algemene toelichting bij § 5.2 reeds opgemerkt - ter bescherming van meerdere belangen. De aangevraagde locatie op de openbare weg wordt onder meer getoetst aan de openbare orde, waaronder begrepen het tegengaan van verkapte marktvorming, aan de verkeersvrijheid en de -veiligheid alsmede aan het uiterlijk aanzien der gemeente.

Verkoopregister:
Artikel 437, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) verplicht de handelaar in dat artikel bedoeld, tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In artikel 2 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36) worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Omdat de wet en het besluit hiermee reeds voorzien in de regeling betreffende een zogenaamd inkoopregister, kan hierover niets meer door de gemeentelijke wetgever worden geregeld. Artikel 437ter Sr. biedt de raad uitdrukkelijk wel de mogelijkheid om in een verordening regels te stellen met betrekking tot het opstellen van een verkoopregister.

Voertuigen:
De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a, worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al, worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.
Onder categorie 2 vallen in deze definitie speelgoedauto's, zoals skelters en trapauto's, maar ook winkelwagentjes en rolstoelen.

Weg:
 
Onderdeel 1
Hier worden wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Dit is de letterlijke tekst van artikel 1, eerste lid, onder B, van de Wegenverkeerswet 1994. Tevens worden daaronder begrepen de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. Om dit duidelijk te maken is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen opgenomen. Het gaat hier om alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die – al dan niet tegen betaling – toegankelijk zijn voor het publiek.
 
Onderdeel 2
Door opneming van de woorden “al dan niet met enige beperking” is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van “weg”, indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.

Onderdelen 3 en 4
In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken etc., welke "uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven" (vgl. onder 3) en andere stoepen en trappen etc. (vgl. onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip "weg" indien zij niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen etc. uitgezonderd gehouden van het begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is afgesloten ("afsluitbaar"). In veel galerij- en portiekflats bestaat er wel een mogelijkheid van afsluiting, maar is van afsluiting in de praktijk geen sprake (bijvoorbeeld geen slot op de deur). In dergelijke gevallen is dus géén sprake van een "weg" in de zin van de APV. Ter plekke gelden dan de "regels van het huis".
Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine - veelal overdekte - straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen of "passages" worden gedurende de avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht alsdan onmogelijk is. Het is wenselijk dat op deze veelal druk bezochte passages van politiezijde toezicht kan worden uitgeoefend. Alsdan bestaat de mogelijkheid in voorkomende gevallen verbaliserend op te treden tegen overtredingen als het bekladden van percelen en het verontreinigen van de weg.
 
Op of aan de weg
Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.  Daaronder valt echter niet hetgeen zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Gedragingen die op privé-terreinen plaatsvinden met een zekere uitstraling naar of relatie met de weg, kunnen zo ook door een APV-bepaling worden bestreken.

Tweede lid
Het tweede lid regelt dat onder de volgende activiteiten tevens onder de bepalingen van de evenementen (§ 2.2) vallen. Dit zijn:
-   braderieën op of aan de weg;
-   feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
-   herdenkingsplechtigheid op of aan de weg;
-   optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.4, op of aan de weg;
-  snuffelmarkt.

Derde lid
Onder vaartuigen worden ook baggerwerktuigen, bokken, kranen, elevators, surfplanken en jetski’s verstaan.

Vierde lid
"Vellen" is volgens Van Dale: "door hakken doen vallen". Teneinde elk misverstand hieromtrent uit te sluiten, is in een ruime definitie van "vellen" gegeven. Het omzagen van bomen, alsmede het verplanten. Ook het verbranden van houtopstand, wordt eveneens onder het begrip "vellen" gebracht. Bij ernstige beschadiging of ontsiering moet onder meer gedacht worden aan het op enkele meters boven de grond doorzagen van de stam of het decimeren van een volgroeide boom tot een stam met uitsteeksels door middel van knotten of kandelaberen. Onder het lichten of laten zakken van bomen worden alle handelingen bedoeld die ten doel hebben de boom aan te passen aan de wijzigingen van het maaiveld ten gevolge van ophoging of afgraving, waarbij de boom nagenoeg dezelfde standplaats behoudt.
 
Vijfde lid
Onder bezoeker wordt in de APV niet verstaan de levenspartner en kinderen van de exploitant.
Ook personen die in een openbare inrichting nachtverblijf houden en als zodanig voorkomen op het hiertoe bestemde register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, worden van het bezoekersbegrip uitgezonderd.
Tot slot zijn geen bezoeker personen wier tegenwoordigheid in de inrichting wegens dringende omstandigheden vereist wordt, hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan politiepersoneel en andere ambtenaren in functie, aan artsen, aan personen die de inrichting direct moeten kunnen betreden voor het uitvoeren van noodzakelijke reparatie- of onderhoudswerkzaamheden, e.d.

Toelichting artikel 1.1a:
Artikel 1.1a regelt de verhouding van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 in relatie tot de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Toelichting artikel 1.1b:
Het college kan – op grond van dit artikel – regels stellen omtrent de regels en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning of ontheffing moeten worden overlegd.
 
Toelichting artikel 1.2:
Conform de algemene uitgangspunten van het (anti-) Red Tape-beleid stelt artikel 1.2 de standaardbeslistermijn op vier weken, éénmaal (in de derde week van de eerste periode) - uiteraard met berichtgeving aan de aanvrager - met vier weken te verlengen.
In afwijking van het eerste lid is de beslistermijn acht weken bij de aanvragen op grond van een toestemming bedoeld in de artikelen 2.2.3, 2.3.2, 2.3a.3 3.2.2, 4.4.3 of 5.2.4. Deze termijn is éénmaal (in de zesde week van de eerste periode) - uiteraard met berichtgeving aan de aanvrager - met acht weken te verlengen.

Toelichting artikel 1.3:
Hoewel het publiek zoveel mogelijk service moet worden geboden, zijn de mogelijkheden van het ambtelijk apparaat niet onbeperkt. In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning, ontheffing, etc. tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van vier weken (en acht weken voor zover het betreft aanvragen waarvoor een beslistermijn van acht weken geldt, zie artikel 1.2, tweede lid) aangehouden. Veel verzoeken kunnen overigens binnen deze termijn worden afgewikkeld. De bewoordingen van het onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat het indienen van verzoeken binnen die termijn bepaald niet per definitie tot een niet-ontvankelijkverklaring behoeft te leiden.
 
Toelichting artikel 1.3a:
Uitgangspunt is dat een toestemming in beginsel onbeperkt geldt. Er zijn echter uitzonderingen op deze regel, zoals de in het eerste lid bedoelde, qua duur beperkte, activiteiten.

Het tweede lid, onder a, bepaalt dat in het belang van de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat voor een aantal toestemming wordt afgeweken van de algemene geldigheidsduur.
Dit betreft allereerst de exploitatievergunning voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onder b. De exploitatievergunning en de seksinrichtingvergunning kent een geldigheidsduur van vijf jaar. Het periodiek ‘verversen’ van deze vergunning verschaft de burgemeester de mogelijkheid - alleen al in administratief opzicht - orde op zaken te stellen. Ook beleidsinhoudelijk kan er reden zijn om voor bepaalde bedrijven, waarover gedurende de looptijd van de vergunning veel gegronde klachten zijn binnengekomen, geen nieuwe vergunning meer te geven.

Ten aanzien van de aanwezigheidsvergunning, bedoeld in artikel 3.2.1b, en de vergunning voor een speelautomatenhal, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, geldt een geldigheidsduur van vijf jaar. Voor deze vergunningen geldt wel dat de langere looptijd is gekoppeld aan de plicht, zoals omschreven in artikel 1.6b, om eens per drie jaar het door het bevoegde gezag verstrekte gegevensoverzicht op juistheid te controleren, en om wijzigingen te melden.

Ten slotte is in artikel 1.3a, derde lid, bepaald dat de burgemeester kan afwijken van dit artikel. De burgemeester heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt voor een categorie van vergunningsplichtige inrichtingen waarvoor een meer frequente toetsing van de vergunning (en de naleving van de voorschriften) wenselijk wordt geacht, namelijk de coffeeshops. De exploitatievergunning van dit type inrichting kent een looptijd van één jaar. Dit is opgenomen in het Rotterdams coffeeshopbeleid.

Voorts maakt de burgemeester gebruik van de mogelijkheid af te wijken van artikel 1.3a bij het verlenen van de voorlopige vergunning. De voorlopige vergunning vervalt zodra een beslissing is genomen op de aanvraag van de reguliere exploitatievergunning (zie toelichting artikel 2.3.2).

Toelichting artikel 1.4:
In de strafbepalingen in het laatste hoofdstuk van deze APV wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Dat geldt dus ook voor overtreding van de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen.

Toelichting artikel 1.5:
Het persoonlijke karakter van een toestemming komt tot uiting in artikel 1.5, de toestemming geldt alleen voor degene aan wie zij is verleend.
 
Toelichting artikel 1.6:
Onder het bepaalde in het eerste lid, aanhef en sub b, worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen tot intrekking of wijziging van de t leiden. Daarbij moeten vanzelfsprekend door het bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen.
Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking dan wel wijziging van de vergunning of ontheffing wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.


Het tweede lid regelt de weigering van een vergunning of ontheffing.
In sommige gevallen is er sprake van regelmatig terugkerende vergunningen- of ontheffingsaanvragen, denk aan jaarlijkse evenementen zoals kermissen of collectes. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om de vergunning of ontheffing te weigeren indien het college op grond van een eerder (ten dele) niet naleven van voorschriften en beperkingen mag vermoeden dat ook nu de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zullen worden nagekomen.
Het is van belang dat voldoende gegevens van de aanvrager worden opgevraagd om zo te kunnen beoordelen of de gestelde voorschriften en beperkingen nu wel door de aanvrager voldoende kunnen worden nageleefd. Bijvoorbeeld als bij een evenement veel vuil is achtergebleven, zullen er voldoende waarborgen moeten zijn dat het evenementterrein schoon wordt achtergelaten.

Toelichting artikel 1.6a:
Dit artikel bepaalt dat een ontheffing als bedoeld in deze verordening slechts kan worden verleend, indien het belang dat door het betrokken verbod wordt beschermd, zich daartegen niet verzet.

Toelichting artikel 1.6b:
Het tot voor kort vigerende stelsel met relatief korte geldigheidstermijnen van vergunningen of ontheffingen leidde regelmatig, dan wel periodiek, tot contact tussen de aanvrager en de met de (voorbereiding van de) besluitvorming belaste dienst, waarbij, met name bij 'verlengingsverzoeken', gegevens en documenten werden geactualiseerd en - waar nodig, opnieuw – afgewogen.
Met de in artikel 1.6b opgenomen actualiseringsverplichting blijft het bevoegd gezag met enige regelmaat op de hoogte van eventuele veranderingen, hetgeen relevant is gezien de structurele verlenging van de geldigheidsduur van veel vergunningen en ontheffingen als gevolg van het Red Tape-beleid. Het bevoegd gezag moet hiertoe zelf de eerste stap zetten, namelijk door eenmaal in de drie jaar een actualiseringsoverzicht naar de vergunninghouder te sturen.
De in het kader van het Red Tape-beleid gekozen verlenging van de geldigheidsduur zou immers (zeker waar het de categorie 'onbeperkt' betreft) kunnen leiden tot discrepantie tussen de ten tijde van de aanvraag beschikbare gegevens en een later gewijzigde situatie. Met het oog daarop schrijft de APV (thans) voor dat in de vergunning of ontheffing wordt bepaald dat wijzigingen moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag. Het spreekt voor zich dat het moet gaan om relevante wijzigingen. Om die reden zal in het voorschrift zelf worden aangegeven welk type wijzigingen moet worden gemeld.
Het tweede lid regelt dat degene aan wie het verzoek is voldaan, ook aan het verzoek moet meewerken.

Toelichting artikel 1.7:
In artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat  de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Voor zover de APV termijnen bevat die in uren worden uitgedrukt of door terugrekening worden bepaald, is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Artikel 1.7 bevat daartoe een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.

TOELICHTING HOOFDSTUK 2   OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

Algemene toelichting Hoofdstuk 2:

Afbakeningsbepalingen
Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november, 200200616/1, en 4 december 2002, 200202921 ( www.rechtspraak.nl , LJNnrs. AF0310 en AF1480), gepubliceerd in De Gemeentestem 2003, 7180, 34 en 35 met noten van J.M.H.F. Teunissen, en in samenvatting in JG 03.0105 met noot van B. Rademaker, blijkt dat een groot aantal afbakeningsbepalingen in de APV niet gehandhaafd kan worden. Het gaat in deze uitspraken om de uitleg van een in de APV veelgebruikte afbakeningsbepaling: ‘Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover (bijv.) de Woningwet, op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, van toepassing is.’

De Afdeling heeft in genoemde uitspraken deze afbakeningsbepaling zo uitgelegd dat als een andere hogere regeling (bijv. de Woningwet) van toepassing is, er geen plaats meer is voor toepasselijkheid van de APV. Uit de woorden ‘voor zover’ wordt afgeleid dat als er bijvoorbeeld een bouwvergunning is vereist op grond van de Woningwet, men aan de reclamevergunning op grond van de APV niet meer toekomt. Het gevolg daarvan is dat de beoogde werking van de APV, namelijk het aanvullen van hogere regelgeving, teniet wordt gedaan.
Echter op 28 april 2004 is door de Afdeling bestuursrechtspraak een uitspraak gedaan die in tegenstelling tot de vorige uitspraken wel de aanvullende werking van de APV erkent, indien hogere regelgeving van toepassing is ( www.rechtspraak.nl , LJN-nr. AO8510, rolnr. 200305663/1), gepubliceerd in De Gemeentestem 2004, 7210, 109 met noot van J.M.H.F. Teunissen.

In een recente uitspraak van 02-06-2004, 200400083/2, LJN-nr. AP0370 legde de Afdeling de afbakeningsbepaling zo uit dat als een andere hogere regeling (bijv. de Woningwet) van toepassing is, er geen plaats meer is voor toepasselijkheid van de APV.

Op voorstel van de VNG is er medio 2005 voor gekozen om alle afbakeningsbepalingen te herformuleren, omdat het niet zeker is hoe de Afdeling over een specifiek artikel in de toekomst zal oordelen. Hieronder wordt eerst de methodiek van afbakening uiteengezet.

Methodiek van afbakening
Er zijn drie noodzaken tot afbakening:
1.   de ondergrens van de gemeentelijke bevoegdheid: strikte privésfeer van burgers/geen uitstraling vanuit de particuliere sfeer op het openbare leven;
2.   de bovengrens: hogere regelgeving (zoals wetten of provinciale verordeningen);
3.   op hetzelfde niveau: de overige bepalingen van de APV of andere gemeentelijke verordeningen.

Er zijn twee manieren om af te bakenen:
a.   door precieze(re) formulering, door het omschrijven van de activiteit of de gedragingen die men wil reguleren of door de definities aan te passen aan andere wetgeving, bijvoorbeeld: ‘weg’ in de zin van de APV zou kunnen worden ‘weg’ in de zin van de Wegenverkeerswet;
b.   door middel van afbakeningsbepalingen. Als precieze formulering niet lukt, dan moet men afbakenen.

Immers, als dat niet gedaan wordt, bestaat het risico op onverbindendverklaring van een verordeningsbepaling op grond van de leer van de onsplitsbare wilsverklaring. Afbakening kan echter wel aangescherpt worden.

Dit houdt het volgende in:
1.   Bekijken of de hogere regelgeving wel relevant is voor het in de APV geregelde onderwerp. Met andere woorden kunnen de regelingen elkaar eigenlijk wel overlappen? Als dit niet het geval is, hoeft geen afbakening naar de hogere regelgeving plaats te vinden.
2.   In artikel 2.1.9 wordt de afbakeningsbepaling niet meer gekoppeld aan de algemene verbodsbepaling, maar aan een specifieke weigeringsgrond.
3.   In de andere bepalingen wordt ‘voor zover’ vervangen door ‘voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door’ (volgt hogere regelgeving). De term ‘onderwerp’ wordt namelijk ook gebruikt in artikel 122 van de Gemeentewet en ziet blijkens de jurisprudentie, zowel op (a) de feiten (de gedragingen) die worden geregeld door hogere regelgeving als - tegelijkertijd – op (b) de belangen (de motieven) die met de regeling worden gediend. Met deze redactie wordt meer dan met de oude redactie het volgende duidelijk:
a.   de enkele omstandigheid dat een bepaald feit (gedraging) ook wordt bestreken door een 'hogere' regeling betekent niet dat de desbetreffende APV-bepaling niet toepasselijk is. Dit laatste is slechts het geval voor zover er tevens sprake is van een overlapping van motieven;
b.   de omstandigheid dat een bepaald belang wordt behartigd door een 'hogere' regeling betekent niet dat de desbetreffende APV-bepaling niet toepasselijk is. Dit is slechts het geval voor zover beide regelingen betrekking hebben op eenzelfde feit (gedraging).


§ 2.1 Orde en veiligheid op en aan de weg

Algemene toelichting § 2.1:
In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden. De diverse functies van de straat, onder andere voor betogingen, optochten en evenementenfeesten e.d. wordt door weinigen nog aangemerkt als gebruik dat daar absoluut onverenigbaar mee is.
Wel houdt dit in, dat deze diverse functies vragen om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.
Het gebruik van de weg is geregeld in de artikelen 2.1.1 tot en met 2.1.8, terwijl de bruikbaarheid van de weg wordt geregeld in de artikelen 2.1.9 tot en met 2.1.12. De artikelen 2.1.13 tot en met 2.1.23 regelen de veiligheid op de weg. De laatstgenoemde artikelen zijn bepalingen die ieder op zich de veiligheid van het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving aangemerkt kunnen worden.

Toelichting artikel 2.1.1:
In het eerste lid van artikel 2.1.1 zijn gedragingen aangegeven die door hun dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde.
Onder "samenscholing" verstaat Van Dale: "het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben". Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 Wetboek van Strafrecht (Sr.): “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties (WOM) moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.
In het tweede lid van artikel 2.1.1 is het verwijderingsbevel - gegeven door een politieambtenaar - opgenomen. Volgens de jurisprudentie impliceert de in de artikelen 2 en 12 van de Politiewet omschreven taak van de politie de bevoegdheid tot het geven van bevelen ter handhaving van de openbare orde c.a. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een bevel van een politieambtenaar een element vormt. Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV-bepaling gegeven politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 Sr. dan wel op grond van artikel 154 van de Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 Sr. op en bij samenscholingen van artikel 186 Sr.

Toelichting artikel 2.1.2: [vervallen]
In 2008 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen onder de evenementenbepaling (artikelen 2.2.1 en 2.2.2).

Toelichting artikel 2.1.3: [vervallen]



Toelichting artikelen 2.1.4 t/m 2.1.6:
Deze artikelen vormen een uitwerking van enkele artikelen uit de WOM. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten voor zover die op "openbare plaatsen" gehouden worden. Kortom, bijeenkomsten waarbij het uiten van meningen, gedachten of gevoelens als bedoeld in de Grondwet centraal staat.

Collectieve uitingen
De WOM heeft betrekking op "collectieve uitingen". Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 van de Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever achtte daartoe geen behoefte aanwezig. Overigens genieten deze individuele uitingen wel de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).
Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.

Betoging
Het begrip betoging behoeft enige nadere toelichting. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een "betoging" worden gesproken als:
-   een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en
-  de groep er op uit is een mening uit te dragen.
De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij een betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijke beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting, openheid en groepsverband.

Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 van de Grondwet heeft de regering erop gewezen, dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip "betoging" meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen.

De burgemeester blijft bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet. Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175, of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval dus zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Daarnaast kan de burgemeester naar aanleiding van de kennisgeving op grond van artikel 5 Wet openbare manifestaties voorschriften of beperkingen stellen.
Een voorschrift, beperking of verbod kan geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.

Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n beperking van het recht van demonstraties kan in beginsel niet gelegen zijn in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben.

Een kennisgeving kan in principe elke dag worden gedaan. Echter het sturen van bijvoorbeeld een fax op zaterdagochtend, wanneer het gemeentehuis gesloten is, is niet voldoende. Artikel 2.1.6, tweede lid, geeft immers aan dat er vanwege de burgemeester een bewijs van kennisgeving verstrekt moet worden, waarmee de organisator (bijvoorbeeld ten opzichte van de politie) kan aantonen, dat kennisgeving is gedaan. Bovendien moet de burgemeester in de gelegenheid zijn om de kennisgeving te beoordelen. Hij zal bijvoorbeeld overleg moeten kunnen plegen met de politie.

Toelichting artikel 2.1.7: [vervallen]
Artikel 2.1.7 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening. Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep, de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan besteldiensten van pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. In 2008 is het dienstverleningsartikel geschrapt vanwege het streven naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering). De deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling niet (meer) voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese Dienstenrichtlijn. Het risico van overlast of verstoring van de openbare orde en zedelijkheid is immers niet groot bij deze vormen van dienstverlening. Dit bleek al uit het optionele karakter van het oude artikel. Voorts geldt voor wat betreft de verkeersveiligheid artikel 5, van de Wegenverkeerswet 1994, dat bepaalt dat ieder zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd.

Toelichting artikel 2.1.8:
De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. De betekenis van het begrip 'openbaren van gedachten of gevoelens' moet
blijkens jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd.
Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding.

Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2.1.6a, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2.1.8 is dezelfde redactie gevolgd.

Op grond van het tweede lid kan de burgemeester vrijstelling of ontheffing van het verbod verlenen.

De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.

Toelichting artikel 2.1.9:
Artikel 2.1.9 geeft de burgemeester of het college de mogelijkheid greep te houden op situaties welke hinder of gevaar op kunnen leveren dan wel ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit artikel moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen op de openbare weg van, zuilen, containers, terrasmeubilair, billboards, reclame-uitingen,e.d., maar ook aan materialen, machines en afzettingen ten behoeve van bouw-, verbouw-, onderhouds-, reinigings- en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in gebouwen.

Het tweede lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende categorieën van gevallen.

Onder a: evenementen
Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2.2.2, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 2.1.9. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.

Onder b: terrassen horecabedrijf
Het in artikel 2.1.9 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2.3.2. Zo’n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2.3.1 deel uit van die inrichting. Daarom is hier een afbakeningsbepaling opgenomen. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw.
In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw of een in artikel 2.3.1 bedoelde inrichting en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2.1.9 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag.

Onder c: standplaatsen
Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5.2.3 van toepassing is.

Onder d: winkeluitstallingen
Met deze bepaling krijgen ondernemers enerzijds de gelegenheid geboden om uitstallingen en reclame-uitingen bij hun bedrijf te plaatsen, maar worden tegelijkertijd kaders aangegeven om een wildgroei van winkeluitstallingen te voorkomen en terug te dringen. Deze wildgroei is niet alleen uiterst publiekonvriendelijk is, maar doet ook afbreuk aan de gewenste kwaliteitsverbetering van de buitenruimte en het openbare gebied. Motieven achter dit artikellid zijn:
-   het waarborgen van de verkeersvrijheid in de meest ruime zin van het woord; met name het voetgangersverkeer moet onbelemmerd kunnen plaatsvinden, alsook de doorgang van de verzorgende diensten (politie, brandweer en GGD);
-  handhaving van de openbare orde;
-   beperken of voorkomen van overlast.
In dit artikellid is vastgelegd dat reclameborden en andere reclameobjecten bij winkels eveneens onder het begrip 'winkeluitstalling' worden begrepen. Een winkeluitstalling kan dus bestaan uit goederen en één reclame-uiting.

Onder f: andere categorieën
Op grond van dit onderdeel kan het college of de burgemeester categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2.1.9 niet geldt. Hierbij kan worden gedacht aan het uitsteken van vlaggen, voor zonneschermen, van voorwerpen of stoffen die kortstondig op de weg worden geplaatst in verband met laden of lossen of voor het verrichten van kleinschalige onderhoudswerkzaamheden op de weg. Ook het plaatsen van verhuiscontainers en kleine containers ten behoeve van sloopafval gedurende een korte periode van maximaal 5 dagen valt onder deze vrijstelling, mits deze plaatsing het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet belemmert en niet in strijd is met de Wegenverkeerswet.

De exacte categorieën staan in het Aanwijzingsbesluit dat terug te vinden is op www.bds.rotterdam.nl .

Derde lid
Met het derde lid heeft het college de mogelijkheid om in te spelen op afwijkende situaties waarbij een andere situering van de uitstallingszone wenselijk is (bijvoorbeeld in het midden van een straat in een winkelcentrum in plaats van langs de gevels) of grotere formaten of aantallen toe te staan.

Vierde lid
Het verbod van artikel 2.1.9 is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting).
Het is op grond van artikel 2.1.1 wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.

Vijfde lid
Het vijfde lid regelt dat wanneer het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak handelt, zij geen vergunning op grond van artikel 2.1.9 nodig heeft. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Zesde lid
Regelt de afbakening met landelijke verkeerswetgeving:

Toelichting artikel 2.1.9a:
Een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.9 kan worden geweigerd of ingetrokken:
a.   indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;
b.   indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c.   in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.
 
Toelichting artikel 2.1.10: [vervallen]
Dit artikel is opgenomen in artikel 2.1.9.

Toelichting artikel 2.1.11:
Algemeen
In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bezien of de vergunningplicht in deze bepaling eventueel zou kunnen worden opgeheven. Er is voor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderingen hierin aanbrengen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.
Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) van belang. Op grond van de WRO mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van bepaalde werken of werkzaamheden bij een bestemmingsplan alleen verplicht worden gesteld om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving van een verwerkelijkte bestemming. Ingevolge artikel 14 WRO mag een vergunning alleen en moet zij worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Aan artikel 2.1.11 ligt evenwel een ander motief ten grondslag, namelijk de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Het gaat hier om het aanleggen van een weg of een weg of de wijze van aanleg ervan te veranderen. Te denken valt hierbij o.a. ook aan het opbreken van de verharding, in een weg te graven of te spitten, of de aard of breedte van de wegverharding te veranderen.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Voorkomen kan dan worden dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.



Tweede lid
Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip ‘weg’ uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.
Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging ‘alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen’ opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.

Derde lid
Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
 
Toelichting artikel 2.1.12:
Om reden van orde en veiligheid is het van belang dat het college regulerend kan optreden bij voornemens tot veranderingen aan de weg. Het maken van een uitweg behoort daar zeker toe. Uit de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State is duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop dient te gedogen. Artikel 14 van de Wegenwet wordt althans door de Afdeling rechtspraak op deze manier uitgelegd. Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het echter toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgewe(e)gd te regelen. In de praktijk is gebleken, dat de weigeringsgronden gevaar voor de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik van de weg, zoals deze tot voor kort in artikel 2.1.12 stonden, als te beperkt worden ervaren. De bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente en ook natuurwaarden blijken hierbij vaak een rol te spelen, maar waren tot nu toe geen reden om de vergunning te weigeren. Daartoe is artikel 2.1.12 in het derde lid aangevuld. Ook nu deze gronden wel genoemd worden in artikel 2.1.12 zal de vergunning niet altijd geweigerd kunnen worden wanneer bijvoorbeeld het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is. Daarnaast speelt immers het belang van het recht op het hebben van een uitweg. Veelal zal de oplossing kunnen worden gezocht in het verbinden van voorschriften aan de vergunning.

Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden. Aan een uitwegvergunning kan desgewenst ook een financiële voorwaarde worden verbonden.
Het tweede lid van artikel 2.1.12 verwijst naar artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

Toelichting artikel 2.1.13:
Deze bepaling tracht het "zwerfkarrenprobleem" enigszins te verkleinen door de winkelbedrijven te verplichten de gebruikte en achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Indien het desbetreffende winkelbedrijf vergunningsplichtig is krachtens de Wet milieubeheer, kunnen de voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes worden verbonden aan de milieuvergunning.

Toelichting artikel 2.1.14:
Dit artikel is bedoeld om de veiligheid van met name fietsers en voetgangers te vergroten. Deze bepaling kan tevens worden gehanteerd ter voorkoming van "enge plekken" in bepaalde wijken of straten. De praktijk heeft uitgewezen dat op plaatsen waar men vrij uitzicht heeft, minder criminaliteit voorkomt.

Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.

Toelichting artikel 2.1.15:
Dit artikel ziet er op toe dat ten alle tijde gebruik van de openbare nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij calamiteiten snel opgetreden kan worden. Tevens kan met deze bepaling vandalistisch gedrag worden bestreden.

Het verbod geldt – vanzelfsprekend – niet voor degene die handelingen verricht aan de nutsvoorzieningen in opdracht van de beheerder.

Toelichting artikel 2.1.16:
De in artikel 2.1.16 opgenomen verboden hebben tot doel bosbranden e.d. te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod om te roken kan evenwel niet zover strekken, dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in of nabij een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. Dat zou teveel ingrijpen in de particuliere sfeer van de burgers. Het college kan een periode aanwijzen gedurende welke het rookverbod van kracht is. Desgewenst kan het college op ad-hocbasis (bijvoorbeeld bij grote droogte) een periode aanwijzen.
In het derde lid van artikel 2.1.16 wordt verwezen naar een onderdeel van artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht, luidende:
"Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan." Deze bepaling verbiedt het roken niet, mits dat maar met de nodige omzichtigheid en voorzorg geschiedt. Aangezien een dergelijke regeling niet of nauwelijks handhaafbaar is, is gekozen voor een stringent rookverbod als aanvulling op artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde geldt min of meer voor het tweede lid van artikel 2.1.16. Het enkele wegwerpen van bijvoorbeeld een brandende peuk is ingevolge dit tweede lid reeds strafbaar. Het is daarbij niet van belang of zulks al dan niet "met de nodige omzichtigheid en voorzorg" geschiedde. Was de nodige omzichtigheid en voorzorg i.c. niet aanwezig, dan is niet de APV, maar het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Toelichting artikel 2.1.17:
Elektrische schrikdraadinstallaties worden niet meer uitsluitend in de agrarische sector gebruikt; ook particulieren blijken er toe over te gaan ter bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen dieven schrikdraadinstallaties aan te leggen. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn in het kader van deze verordening geen eisen gesteld.

Toelichting artikel 2.1.18:
Voor de toepassing van dit artikel kan worden gedacht aan bloempotten in geopende vensters, losse dakpannen etc.

Toelichting artikel 2.1.19:
De in het derde lid van artikel 2.1.19 genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifiek belang - waterstaatswerken, verkeersinstallaties, trafohuisjes en dergelijke - zich verzet tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.
In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van het desbetreffende onroerend goed al dan niet tijdelijk beperkt wordt.
Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van artikel 2.1.19 geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.

Toelichting artikel 2.1.20: [vervallen]
Het verwijderen van voorzieningen voor verkeer en verlichting is reeds in de artikelen 161bis, 161ter en 162 van het Wetboek van Strafrecht geregeld. Dit APV-artikel kan komen te vervallen, aangezien het geen meerwaarde ten opzichte van het Wetboek van Strafrecht biedt.
 
Toelichting artikel 2.1.21:
Het bepaalde in artikel 2.1.21 geldt voor alle in de gemeente aanwezige voor het publiek toegankelijke ijsvlakten. Het is daarbij niet relevant onder wiens beheer (provincie, waterschap, gemeente) de desbetreffende ijsvlakte valt.

Toelichting artikel 2.1.22: [vervallen]

Toelichting artikel 2.1.23:
Het slapen op de openbare weg wordt als hinder beschouwd en draagt bij aan de verloedering van de stad. De onderhavige bepaling is echter niet alleen bedoeld om het slapen op de openbare weg tegen te gaan, maar ook het zogenaamde "wildkamperen". Onder meer in de deelgemeente Hoek van Holland heeft men vooral in de zomermaanden te kampen met de nodige overlast van toeristen die langs de weg in auto's, caravans, kampeerauto's e.d. overnachten. Aldus ontstaan al snel "informele campings". Ook het gebrek aan sanitaire voorzieningen draagt bij aan de verloedering ter plekke. Bij de handhaving van dit artikel staat voorop dat de eisen van proportionaliteit in acht worden genomen. Zo valt onder andere het slapen op de openbare weg door kinderen in een kinderwagen niet onder de reikwijdte van dit artikel.
Het verblijf met auto's, caravans e.d. op openbare groenstroken, in parken e.d. is reeds verboden op grond van artikel 5.1.12, van deze verordening.

Toelichting artikel 2.1.24: [vervallen]
De meldingsplicht bij voorvallen met gevaarlijke stoffen is komen te vervallen.
§ 2.2     TOEZICHT OP EVENEMENTEN

Algemene toelichting § 2.2:
Het is gewenst in de APV een regeling op te nemen die het houden van evenementen tot onderwerp heeft. De laatste decennia worden op grote schaal openbare vermakelijkheden georganiseerd, die een uitstraling (kunnen) hebben op de openbare orde en als zodanig onderwerp van gemeentelijke regelgeving kunnen zijn. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen twee categorieën evenementen: gewone evenementen (artikelen 2.2.1 en 2.2.2) en grootschalige evenementen (artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.5).

Juist vanwege het feit dat wij hier te maken hebben met een verschijnsel dat in maatschappelijk opzicht geaccepteerd is en in de meeste gevallen zelfs gewaardeerd wordt, is - althans voor de "gewone evenementen" - in het verleden gekozen voor de kennisgeving in plaats van de vergunning als het minst zware en bezwarende gemeentelijke controlemiddel.

De inwerkingtreding van de Awb leverde echter de vraag op hoe een kennisgevingsstelsel zich verhoudt tot deze wet. Het kernbegrip in de Awb is het woord “besluit”. Omdat een kennisgevingsstelsel het bestuursorgaan niet verplicht tot het nemen van een schriftelijk besluit, is het risico aanwezig dat bij de toepassing van een kennisgevingsstelsel de belangen van derden niet meegenomen worden, terwijl deze zeker bij grootschalige evenementen van groot belang kunnen zijn. Het bestuursorgaan kan bijvoorbeeld mondeling toestemming verlenen voor het organiseren van de activiteiten waarvan kennisgeving is gedaan.

Voor de zogenaamde grootschalige evenementen, waarbij - in Rotterdam - vooral kan worden gedacht aan evenementen als voetbalwedstrijden van de Rotterdamse betaalde voetbalclubs, de marathon e.d., bestond reeds een vergunningsstelsel. De handhaving van de openbare orde rond dergelijke evenementen vereist - zo heeft de praktijk geleerd - een intensieve overheidsbemoeienis.

Toelichting artikel 2.2.1: [vervallen]
Dit artikel is naar hoofdstuk 1 verplaatst.

Toelichting artikel 2.2.2:
Voor de procedurele aspecten van de vergunningaanvraag en de beslissing op deze aanvraag zij verwezen naar de artikelen 1.2 (beslistermijn) en 1.3 (te late indiening aanvraag) van de APV.

De term “organiseren” uit het eerste lid heeft niet alleen betrekking op het houden van een evenement, maar ziet tevens op de voorbereiding en de afbouw van het evenement.

De aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op de plaats, het tijdstip en de "inrichting" van het evenement, het maximaal toe te laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator zelf te nemen maatregelen ter waarborging van orde en veiligheid, de verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven etc. Met de “inrichting” wordt bedoeld de indeling van het evenemententerrein en de opstelling van de diverse voorzieningen ten behoeve van het evenement, zoals toiletten, (drang)hekken, podia en tribunes.

Toelichting artikel 2.2.2a:
Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een barbecue, straatfeesten of feest op eigen terrein in de open lucht is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor het toepassen van een algemene regel.

Het moet gaan om kleinschalige eendaagse activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.
 
Een eendaags evenement kan met een melding worden afgedaan, indien aan alle hieronder genoemde vereisten wordt voldaan:
a.   het evenement een feest op eigen terrein, barbecue of straatfeest in de openlucht betreft;
b.   het aantal bezoekers in zijn totaliteit (en dus niet op enig moment) niet meer bedraagt dan 249 personen;
c.   het evenement op doordeweekse dagen en de zaterdag tussen 9 en 23 uur of op de zondag tussen 13 en 23 uur plaatsvindt;
d.   het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A). Uitgangspunt is dat evenementen die met een kennisgeving afgedaan worden nauwelijks geluidsoverlast bij omwonenden mogen veroorzaken. Hierbij wordt het ten gehore brengen van onversterkte levende muziek en versterkte achtergrond muziek nog acceptabel geacht. Omdat het slechts achtergrond muziek betreft is versterkte levende muziek niet mogelijk;
e.  het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, fiets-, bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
f.   slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 2 m 2 per object;
g.   er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;
h.   er een organisator is;
i.   de organisator de burgemeester ten minste 4 weken voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier; en
j.   indien binnen 1 week na ontvangst van het meldingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden.

In onderdeel k staat ten slotte nog genoemd dat de organisator een ontvangstbevestiging van zijn melding moet kunnen tonen. Met deze ontvangstbevestiging wordt aangetoond dat de melding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan een meldingsplichtig evenement geen doorgang vinden.
 
 
Toelichting artikel 2.2.3:
Bezien moet worden of en, zo ja, in hoeverre de wenselijk geachte inzet van politie, GHOR, brandweer en gemeentelijke diensten in de planning van de totaal beschikbare formatie kan worden ingepast. Voor de politieformatie geldt de voor de "resterende" reguliere politietaken minimaal noodzakelijke sterkte als belangrijkste criterium.

In 2001 is een notitie verschenen over verantwoordelijkheidstoedeling tussen vergunningverlener, organisator en overheidsdiensten en het alcoholbeleid rond evenementen. Daarbij zijn de uitgangspunten dat de organisator primair verantwoordelijk is voor een ordelijk en veilig verloop van zijn evenement en dat het nuttigen van alcohol in het publieke domein niet is toegestaan.
In 2003 is de handreiking fysieke veiligheid ten behoeve van de beheersing van evenementen in Rotterdam vastgesteld. Daarin wordt een model voor de ontwikkeling van veiligheidsplannen voor evenementen beschreven. De handreiking bevat uitgangspunten voor de bereikbaarheid en een checklist met veiligheidsmaatregelen. De plannen van organisatoren van grootschalige evenementen dienen te passen binnen de kaders die de handreiking schetst.

In het uiterste geval - indien en voor zover de organisatoren niet bereid of in staat zijn om zélf genoegzaam in het treffen van noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en tevens onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is - opent het artikel de mogelijkheid het evenement geheel, dan wel op een bepaalde plaats of tijd te verbieden.

Toelichting artikel 2.2.4: [vervallen]

Toelichting artikel 2.2.5:
Het derde en het vierde lid van artikel 2.2.5 zijn ontleend aan de inhoud van noodverordeningen van de burgemeester, die in het verleden bij gelegenheid van sommige grootschalige evenementen zijn uitgevaardigd. De in deze leden strafbaar gestelde gedragingen komen vooral bij grootschalige evenementen voor, zowel op het evenemententerrein als daarbuiten. De raad is bevoegd dergelijke gedragingen strafbaar te stellen, aangezien hij daardoor geen inbreuk maakt op wettelijke regelingen (de burgemeester is tot het maken van een dergelijke inbreuk wél bevoegd op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet). Het voordeel van regeling door de raad is, dat de burgemeester in voorkomende gevallen minder frequent behoeft te grijpen naar de noodmaatregelen als bedoeld in de voornoemde artikelen van de Gemeentewet.


§ 2.3    TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN

Algemene toelichting § 3.3:
Sinds maart 1993 valt de gehele horecabranche onder de werking van de Wet milieubeheer. Onder horecabranche wordt in dit verband verstaan: hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria's, snackbars en discotheken, alsmede aanverwante inrichtingen waar logies wordt verstrekt, tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Deze inrichtingen zijn ondergebracht in bijlage I, categorie 18 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb, Stb. 1993, 50).

Meer in het bijzonder gelden voor horeca-inrichtingen de regels van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Dit besluit heeft per 1 januari 2008 het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer vervangen. Inrichtingen die in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) worden genoemd zijn niet milieuvergunningsplichtig, maar dienen te voldoen aan de algemene regels die het Besluit stelt. Het Besluit heeft betrekking op hetgeen plaatsvindt binnen het horecabedrijf, daartoe behorende terrassen en de directe omgeving.

Bij de opzet van het Besluit is getracht geen aspecten te regelen die reeds in andere kaders worden gereguleerd. Vanuit dit gezichtspunt wordt in het Besluit expliciet vermeld dat het voor de gemeenten ruimte overlaat om overlast betreffende de openbare orde tegen te gaan met behulp van een gemeentelijke verordening. In het Besluit wordt aangegeven dat daarbij gedacht wordt aan overlast door bezoekers van horecabedrijven, de gebruikers en bezoekers van recreatie-inrichtingen, geluidhinder door vrachtwagens, bromfietsen etc.
Door de gekozen opzet is de afbakening tussen enerzijds de Wet milieubeheer en anderzijds plaatselijke verordeningen duidelijker geworden. De direct aan de inrichting gerelateerde vormen van verstoring van het milieu vallen onder het toepassingsgebied van de Wet milieubeheer. De voorschriften van het Besluit richten zich in beginsel ook op de indirecte gevolgen, die de inrichting kan veroorzaken, voor zover deze liggen in de macht van de exploitant van de inrichting. De andere gevolgen die een bedrijf of een collectief van bedrijven direct of indirect met zich mee kan brengen en die een aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat mogelijk maken, kunnen in de APV worden gereguleerd.

Voor wat betreft de horeca-inrichtingen die op grond van de bepalingen van de Wet milieubeheer een milieuvergunning van het college nodig hebben kan het volgende worden opgemerkt. De raad kan niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder ten gevolge van een milieuvergunningsplichtige inrichting tegengaan. Dat kan slechts door middel van de beslissing omtrent verlening van deze milieuvergunning. Het college is op grond van de jurisprudentie gehouden (ter bestrijding van hinder door komende en gaande bezoekers) aan die milieuvergunning een voorschrift met betrekking tot de openings- en sluitingstijden van de betreffende inrichting verbinden. Het college mag daarbij - blijkens de jurisprudentie - slechts rekening houden met "normale" hinder in de nabije omgeving van de inrichting. Alleen deze soort overlast is namelijk te beschouwen als hinder in de zin van de Wet milieubeheer. Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast op een of meer straten van de inrichting vandaan, vallen niet onder "hinder" in de zin van de Wet milieubeheer, maar kunnen worden bestreden via de APV. Dit heeft tot consequentie, dat de in artikel 2.3.9 van deze verordening geregelde openings- en sluitingstijden ook van toepassing zijn op inrichtingen, die milieuvergunningsplichtig zijn. Deze bepaling is (anders dan een sluitingsuurvoorschrift verbonden aan een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer) immers niet toegespitst op de specifieke situatie in en rond een bepaalde inrichting, maar richt zich tegen de negatieve invloed van de aanwezigheid van de inrichting als zodanig op de openbare orde en het woon- en leefklimaat ter plaatse: het karakter van de straat en de wijk, de gevolgen voor het woonmilieu.
Aangezien de Wet milieubeheer en de APV van verschillende motieven uitgaan hebben inrichtingen die vallen onder de milieuvergunningsplicht van de Wet milieubeheer evenzeer een exploitatievergunning op grond van de APV nodig. Het ligt daarbij voor de hand, dat de opening- en sluitingstijden in de milieuvergunning door het college worden afgestemd op de APV-openings- en sluitingstijden.

Naast een exploitatievergunning op grond van de APV of een milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer kan degene die een inrichting als bedoeld in deze paragraaf wil gaan drijven nog andere vergunningen nodig hebben. Met name worden hier genoemd de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (voor het schenken van alcoholhoudende drank), alsmede de gebruiksvergunning, gebaseerd op hoofdstuk 6 van de Bouwverordening. Deze laatste vergunning betreft het brandveilig gebruik van de betreffende inrichting.

Coffeeshops

Op 1 oktober 2007 is ‘Het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2007’ in werking getreden. Centraal in het coffeeshopbeleid staat de ontmoediging van het softdrugsgebruik door strikte handhaving en actieve voorlichting en ook door substantiële beperking van het softdrugsaanbod via de coffeeshops en vanuit het illegale circuit.
 
Een Rotterdamse coffeeshop is een alcoholvrije horeca-inrichting, die zich aan de landelijke justitiële gedoogcriteria houdt, die beschikt over een exploitatievergunning met een beperkte geldigheidsduur (voor maximaal één jaar) op grond van de APV en die op basis van artikel 13b Opiumwet voldoet aan de aanvullende bestuursrechtelijke voorschriften.

De coffeeshop dient zich bij de exploitatie te houden aan de landelijke justitiële gedoogcriteria oftewel de AHOJG-plus criteria. Die houden in:
A:   geen Affichering; coffeeshops mogen geen reclame maken voor hun handelswaar, anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;
H.   geen verkoop van Harddrugs; coffeeshops mogen geen harddrugs verkopen en/of voorhanden hebben;
O:   geen Overlast; coffeeshops mogen geen overlast veroorzaken (onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten);
J:   geen toegang en geen verkoop aan Jeugdigen; coffeeshops mogen geen bezoekers onder de 18 jaar toelaten;
G:   geen verkoop Grote hoeveelheden; coffeeshops mogen niet meer dan 5 gram cannabis per transactie verkopen en niet meer dan 500 gram cannabis in voorraad hebben;
plus:   geen verkoop in combinatie met alcohol; coffeeshops mogen geen alcoholische dranken schenken (het ‘plus-criterium’).

Onder de lokale, aanvullende bestuursrechtelijke criteria vallen onder meer de sobere vergunning, het verbod op loketverkoop aan de straat en de uniformiteit in openings- en sluitingstijden. Sinds 1 oktober 2007 behoren hiertoe ook het open karakter van coffeeshops, afschrift van goed betalingsgedrag Belastingdienst, verplichte voorlichting in de coffeeshops ingegeven door preventie-certificering en de afstandscriteria tot scholen voor voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en speciaal basisonderwijs.

Wet BIBOB

Vanaf 1 juni 2003 is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB) van kracht. Op basis van deze wet beschikken gemeenten, naast de weigerings- en intrekkingsgronden genoemd in de APV, over een nieuwe mogelijkheid om de vergunning voor een horeca-inrichting, coffeeshop, seksinrichting of speelautomatenhal te weigeren of in te trekken op grond van het vermoeden van een ernstig gevaar dat door middel van de vergunning voordelen uit strafbare feiten worden verkregen of strafbare feiten worden gepleegd. Ook Rotterdam zal deze zelfstandige weigerings- en intrekkingsgrond gaan gebruiken als instrument bij de belemmering van criminele activiteiten in de stad. Voor de toepassing van deze wet in Rotterdam wordt verwezen naar de “Rotterdamse beleidslijn Wet BIBOB met betrekking tot horeca-inrichtingen, seksinrichtingen en coffeeshops”.

Toelichting artikel 2.3.1:


De begripsartikelen van dit artikel zijn naar artikel 1.1 verplaatst.

Toelichting artikel 2.3.2:
In artikel 2.3.2, eerste lid, is het exploiteren van een inrichting zonder exploitatievergunning expliciet strafbaar gesteld.
Voorheen stond in artikel 2.3.2 de voorlopige vergunning als aparte vergunning genoemd. De voorlopige vergunning is een reguliere exploitatievergunning bedoeld voor overnames van bestaande inrichtingen en voor het te laat aanvragen van de verlenging van de bestaande vergunning. Daar de voorlopige vergunning een bijzondere vorm is van de reguliere exploitatievergunning en daarop in principe dezelfde bepalingen uit de APV van toepassing zijn, is in het kader van deregulering besloten de voorlopige vergunning uit de APV te halen. De voorlopige vergunning blijft echter wel bestaan. Het beleid omtrent de voorlopige vergunning is neergelegd in de horecanota 2007-2011.

Het tweede lid van artikel 2.3.2 bepaalt dat een oude vergunning vervalt bij de inwerkingtreding van de nieuwe vergunning. Op deze wijze wordt voorkomen dat er twee vergunningen tegelijkertijd naast elkaar bestaan.

Het derde lid van artikel 2.3.2 bepaalt dat de vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Op de vergunning worden zowel de exploitant(en) als de beheerder(s) van de inrichting vermeld, zodat bekend is wie als zodanig in de inrichting mag optreden.
Uit artikel 1.5 van de APV vloeit voort dat de vergunning uitsluitend wordt verleend aan de exploitant. De exploitant is de vergunninghouder. De exploitatievergunning heeft een persoonsgebonden karakter, d.w.z. dat de exploitatievergunning niet overdraagbaar is. In het concreet betekent dit dat bij een eventuele overname de rechtsopvolger van de vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode dat de vergunningaanvraag behandeld wordt, moet de inrichting gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende exploitant de exploitatie pas beëindigt nadat op de nieuwe aanvraag is beslist.

Toelichting artikel 2.3.2a:
De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de openingsuren van de inrichting. De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de inrichting afspeelt. Deze bepaling is tevens opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te kunnen treden.
Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, kan de inrichting door de burgemeester gesloten worden of kan de verleende exploitatievergunning ingetrokken worden (zie artikelen 2.3.6 en 2.3.7). Onder strafbare feiten wordt in ieder geval begrepen, de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.
Op grond van het derde lid kan de burgemeester categorieën van inrichtingen of specifieke inrichtingen aanwijzen die uitgezonderd zijn van de verplichte aanwezigheidseis. De regels van de Awb zijn van toepassing op de wijze van bekendmaking. De in deze bepaling bedoelde aanwijzing zal worden vastgelegd in de "Nadere regels voor openbare inrichtingen”.

Toelichting artikel 2.3.3:
Onder de hier bedoelde categorieën kunnen bijvoorbeeld worden begrepen: kantines, inrichtingen in winkels (koffiehoeken e.d.), inrichtingen in musea, crematoria, rouwcentra. Het in deze bepaling bedoelde besluit van de burgemeester is vastgelegd in de “Nadere regels voor openbare inrichtingen”. Door het opheffen van de vergunningplicht kunnen de inrichtingen die van de vergunningplicht worden vrijgesteld zonder voorafgaande toestemming een inrichting exploiteren. Artikel 2.3.3, tweede lid, geeft als rechtstreekse norm dat de exploitatie van de inrichting echter ook dan de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig mag beïnvloeden. Indien nodig kan met het oog op de naleving met de in lid twee genoemde norm bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom worden opgelegd. Een vergunningvrije inrichting is nog steeds een inrichting op grond van de APV. Dit betekent dat de regels in de APV, o.a. de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester, onverkort van toepassing zijn op deze inrichtingen.
Een exploitant en beheerder dienen de leeftijd van 21 jaar te hebben. Op grond van het eerste lid, sub c, kan de burgemeester categorieën van inrichtingen of specifieke inrichtingen aanwijzen waarbij de leeftijdsgrens van de exploitant op 18 jaar wordt gesteld. De in deze bepaling bedoelde aanwijzing zal worden vastgelegd in de "Nadere regels voor openbare inrichtingen”. De regels van de Awb zijn van toepassing op de bekendmaking van deze nadere regels.

Toelichting artikel 2.3.4:
Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Een aanvraag voor een exploitatievergunning dient schriftelijk te worden ingediend bij de burgemeester. De aanvraag moet worden ondertekend en tenminste de naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de gevraagde beslissing bevatten. Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan van alle gegevens die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen.

Bij de toepassing van artikel 2.3.4 geldt als uitgangspunt, dat de in de tijd eerst ingediende vergunningaanvraag in behandeling wordt genomen. Tweede en opvolgende vergunningaanvragers voor één inrichting worden in hun aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

Toelichting artikel 2.3.5: [vervallen]
Dit artikel is naar hoofdstuk 1 verplaatst.
 
Toelichting artikel 2.3.6:
De algemene weigerings- en intrekkingsgronden staan vermeld in artikel 1.6. In artikel 2.3.6 staan daarnaast de meer specifieke weigerings- en intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen. In het eerste lid staan de imperatieve weigerings- en intrekkingsgronden genoemd. Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen planologische en openbare orde-eisen die aan de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in het eerste lid van artikel 2.3.6 "strijd met een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing" opgenomen als imperatieve weigeringsgrond voor een exploitatievergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare orde is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie terzake. Bij het oordeel of in casu sprake is van "strijd met een geldend bestemmingsplan of met een st adsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing" zal de burgemeester zich verlaten op het oordeel van het college (in de praktijk de portefeuillehouder ruimtelijke ordening en zijn ambtenaren).
In het eerste lid, onder d, staat dat de exploitant of beheerder de leeftijd van eenentwintig jaar dient te hebben. Deze eis geldt niet indien sprake is van een categorie van een inrichting of inrichtingen waarvan de leeftijdseis op 18 jaar is gesteld (artikel 2.3.3, eerste lid, onder c).
Voor een goede regulering van het horecabeleid is het noodzakelijk dat er een aantal kwaliteitseisen aan de exploitant en de beheerders worden gesteld. Zo mogen zij niet onder curatele staan, niet ontzet zijn uit de ouderlijke macht of de voogdij, dienen zij de leeftijd van eenentwintig jaar te hebben bereikt en mag er geen sprake zijn van slecht levensgedrag. Indien niet aan deze eisen wordt voldaan, wordt de exploitatievergunning geweigerd dan wel ingetrokken.

Naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in de Drank- en Horecawet, vindt altijd een antecedententoets van de exploitant en beheerder plaats. Voor de reikwijdte van het begrip “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag” moet aansluiting worden gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002, 200106008/1). Op basis van de huidige jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2).

Artikel 15 van de Wet politieregisters biedt de bevoegdheid om bij het verstrekken van exploitatievergunningen over politiegegevens te beschikken en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing. De burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid kunnen beschikken over alle relevante informatie over eventuele onveiligheid in voor publiek toegankelijke ruimten. Op basis van artikel 15 kan deze informatie ter kennisneming aan de burgemeester worden gegeven. Het initiatief van deze informatie-uitwisseling kan zowel bij de gemeente als bij de politie liggen. Op grond van de verstrekte politiegegevens kan een exploitatievergunning voor het exploiteren van een inrichting worden geweigerd dan wel worden ingetrokken of een inrichting worden gesloten.

De in het tweede lid van artikel 2.3.6 opgenomen weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden spreken grotendeels voor zichzelf en komen tegemoet aan de eisen van de praktijk. Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of beheerder meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Aan de exploitanten of beheerder als bedoeld in deze paragraaf dienen hoge eisen te worden gesteld voor wat betreft hun levenswandel. Ook dienen zij te beschikken over het nodige "gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In die zin begrepen mag de klant geen koning zijn. Exploitanten of beheerders die terzake in gebreke blijven, lopen het ernstige risico, dat hun exploitatievergunning door de burgemeester wordt ingetrokken.
In het tweede lid van artikel 2.3.6, onder a, wordt in het kader van de openbare orde een ruimer omgevingsbegrip gehanteerd. De burgemeester heeft daardoor een lichtere bewijslast. Overigens leert de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, dat de burgemeester op zich aannemelijk kan maken, dat aantasting van de woon- of leefsituatie in een gemeente wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen in zijn gemeente. Volgens de Afdeling ontslaat dat de burgemeester evenwel niet van de verplichting per inrichting aan te tonen of aannemelijk te maken, dat en in hoeverre door de aanwezigheid van die inrichting, dan wel door de manier van exploiteren ervan, de woon- of leefsituatie in de omgeving nadelig wordt beïnvloed. Een belangrijk hulpmiddel bij het motiveren van het gevoerde beleid kan een horecanota of een vergelijkbaar beleidsstuk zijn. Desgewenst kunnen hierin met opgave van redenen een maximumaantal te verlenen vergunningen worden vermeld alsmede horecaconcentratie- en horecastiltegebieden worden aangewezen.
Een nieuwe exploitatievergunning moet worden aangevraagd bij een wijziging in de exploitant (ook rechtsvorm) en bij een wijziging in de exploitatie (o.a. wijziging van activiteiten). Dit betekent o.a. dat voor het bijschrijven van een exploitant en voor een wijziging in de ondernemersvorm een nieuwe exploitatievergunning vereist is. Een uitzondering hierop vormt het geval dat slechts een van de exploitanten ophoudt met exploiteren. In dat geval is een melding aan de burgemeester als bedoeld in artikel 2.3.11a, tweede lid, voldoende. Naast wijzigingen in de exploitant dient ook bij een wijziging in de activiteiten van de inrichting (exploitatievorm) een nieuwe exploitatievergunning te worden aangevraagd. Indien geen nieuwe exploitatievergunning wordt aangevraagd, kan de burgemeester deze op grond van het tweede lid, onder g, intrekken. Hieruit volgt impliciet dat naast wijzigingen in de exploitant ook een gewijzigde exploitatie te allen tijde moet worden gemeld aan vergunningverlener.
Artikel 2.3.6, tweede lid, onder h: sinds 1 januari 2005 wordt een aantal overtredingen uit de Wet arbeid vreemdelingen aangemerkt als een beboetbaar feit in plaats van een strafbaar feit. Het is wenselijk om eveneens tegen deze beboetbare feiten te kunnen optreden, omdat een gezonde en goed functionerende horeca vooropstaat. Hierbij is er geen plaats voor exploitanten die (herhaaldelijk) een wettelijk voorschrift overtreden.
In het derde lid van artikel 2.3.6, onder d, staat het toetsingscriterium inzake de bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen. In de praktijk is gebleken, dat "slechte exploitanten", die bijvoorbeeld elders in een andere inrichting door eigen schuld getroffen zijn door bestuurlijke strafmaatregelen als bestuursdwang (sluiting van een inrichting), vrij gemakkelijk weer ergens anders kunnen beginnen. De burgemeester moest dan maar aantonen, dat de exploitatie van de nieuwe inrichting waarschijnlijk ook fout zou gaan lopen. Teneinde meer grip te krijgen op de persoon van de exploitant of beheerder (en dus op de exploitatievergunning), is "het verleden" van de betreffende exploitant of beheerder in de horecabranche voor de burgemeester een extra toetsingscriterium.

Toelichting artikel 2.3.7:
De in het eerste lid van artikel 2.3.7, onder c, genoemde sluitingsgrond verschaft de burgemeester de mogelijkheid een inrichting (tijdelijk) te sluiten, zónder dat hij vooraf dient over te gaan tot tijdelijke of voor onbepaalde tijd bedoelde gehele of gedeeltelijke intrekking van de exploitatievergunning. In een dergelijke situatie zouden dan theoretisch twee beroepsprocedures in dezelfde zaak naast elkaar kunnen worden aangespannen, hetgeen zo mogelijk vermeden dient te worden. Het kan daarnaast zo zijn, dat de burgemeester het om redenen van openbare orde nodig oordeelt een bepaalde inrichting tijdelijk te sluiten, zonder dat dit hoeft te leiden tot (tijdelijke) intrekking van de exploitatievergunning.
In het geval dat de exploitant de exploitatie van een inrichting heeft beëindigd vervalt de verleende exploitatievergunning van rechtswege (artikel 2.3.11a). De burgemeester kan de betreffende inrichting dan sluiten op grond van onderdeel a: er wordt geëxploiteerd zonder exploitatievergunning.
In het derde lid van artikel 2.3.7 wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting op verzoek van belanghebbende(n) opheft. In de praktijk sluit de burgemeester een inrichting meestal voor een bepaalde duur. Artikel 2.3.7 voorziet ook in de mogelijkheid voor belanghebbende(n) om aan de burgemeester tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen.

Toelichting artikel 2.3.8:
De belangen, genoemd in artikel 2.3.8, tweede lid, zijn aanvullend ten opzichte van voorschrift 4.1.4, aanhef en onder c, van de bijlage onder B van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, waarin met zoveel woorden is bepaald dat het bevoegd gezag - in relatie met milieuhinder - een nadere eis kan stellen ten aanzien van de situering van een terras. Deze bepaling geldt dus in zijn algemeenheid voor alle terrassen. Bij de vergunningverlening zal de burgemeester hiermee uitdrukkelijk rekening moeten houden.
Artikel 2.3.8, vierde lid, is opgenomen teneinde verkapte uitbreiding van terrassen met vergunning en de daarmee samenhangende overlast tegen te gaan.

Toelichting artikel 2.3.9:
De openings- en sluitingstijden van exploitatievergunningsplichtige inrichtingen worden in deze verordening door de raad vastgesteld. De burgemeester kan op verschillende manieren ontheffing verlenen.
Op de consequenties van de invoering van de Wet milieubeheer voor de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen - met name voor wat betreft de regeling van openings- en sluitingstijden - is in de algemene toelichting bij deze paragraaf reeds ingegaan. Hier zij daarnaar verwezen.

Teneinde de zogenaamde horecaoverlast effectief te kunnen bestrijden, zal een stringent ontheffingenbeleid moeten worden gevoerd. Uitzonderingen op de regel moeten mogelijk zijn, maar het moet niet zo ver komen, dat uitzondering de regel is.
Met de ontheffingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2.3.9, derde lid, aanhef en onder a, is bedoeld ruimte te bieden voor ontheffingen voor speciale categorieën van inrichtingen. Het gaat daarbij om nader door de burgemeester aan te wijzen categorieën van inrichtingen, waarin de horeca een ondersteunende functie heeft ten opzichte van maatschappelijke activiteiten buiten de uniforme openings- en sluitingstijden. Gedacht kan worden aan typische chauffeurscafés, bars in hotels e.d. In de exploitatievergunning voor dergelijke inrichtingen kan de burgemeester op de concrete situatie aangepaste openings- en sluitingstijden vastleggen.
De ontheffingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2.3.9, derde lid, aanhef en onder b, biedt de burgemeester de mogelijkheid voor individuele inrichtingen een zogenaamde "nachtontheffing" af te geven. De exploitant zal dan eerst concreet moeten aangeven hoe hij zal voorkomen dat zijn exploitatie een nadelige invloed heeft op de openbare orde of op de woon- of leefsituatie in de naaste omgeving van die inrichting. Een en ander zal door de burgemeester per locatie en per inrichting worden getoetst.
In het vierde lid is bepaald dat het niet mogelijk is om tegelijkertijd een ontheffing als bedoeld in sub a en sub b van het derde lid te hebben. Dit betekent in de praktijk dat de ochtendontheffing en de nachtontheffing elkaar wederzijds uitsluiten.
In lid vijf is bepaald dat de burgemeester de nacht- of ochtendontheffing tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk kan intrekken of wijzigen in dezelfde situaties als wanneer de exploitatievergunning kan worden ingetrokken. Hetzelfde geldt ten aanzien van de mogelijkheid tot weigeren.
De kennisgevingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2.3.9, zesde lid, is ervoor bedoeld om ondernemers in zeer incidentele gevallen een ontheffing van de uniforme openings- en sluitingstijden te geven (in de praktijk ook wel "Verlaatje" genoemd). Een exploitant van een inrichting kan door middel van een kennisgeving -met een maximum van tien maal per jaar- ontheffing krijgen van de uniforme openings- en sluitingstijden ten behoeve van incidentele festiviteiten in zijn inrichting. Dat kan een zelf georganiseerde festiviteit of bijzondere gebeurtenis zijn; het kan ook een door anderen georganiseerde festiviteit zijn. Een openbare inrichting mag dan tot 6 uur open zijn.
De incidentele festiviteiten moeten plaatsvinden in de inrichting. Voor incidentele en collectieve festiviteiten op het terras moet naast de kennisgeving, vanwege de invloed op het woon- en leefklimaat, ook altijd een evenementenvergunning worden aangevraagd.

Indien de kennisgeving niet op de juiste wijze geschiedt, mag er geen gebruik worden gemaakt van de vrijstelling. Voorheen diende voor een Verlaatje een ontheffing te worden aangevraagd. Dit diende twee weken van tevoren te geschieden. Dit zorgde voor weinig mogelijkheden tot spontaniteit. Omdat hier in de horeca wel vraag naar was, is de ontheffing gewijzigd in een kennisgeving. De kennisgeving moet voortaan vóór aanvang en op de dag van de incidentele festiviteit worden gedaan en uiterlijk voor tien uur ’s avonds. Het achtste lid bepaalt dat een vrijstelling van de openings- en sluitingstijden altijd gepaard gaat met een vrijstelling van de geluid- en lichtvoorschriften als bedoeld in artikel 4.1.3. Deze koppeling is gemaakt omdat een Verlaatje in de regel gepaard gaat met meer geluid en licht. Indien een bepaalde (aangemelde) incidentele festiviteit of toekomstige incidentele festiviteiten in het concrete geval ongewenste cumulatie van hinder met zich meebrengen, dan kan de burgemeester het organiseren van die festiviteit en toekomstige festiviteiten verbieden op grond van artikel 4.1.4.
De burgemeester kan op grond van artikel 2.3.9, negende lid, desgewenst overgaan tot beperking en verbreding van openings- en sluitingstijden, niet alleen voor een individuele inrichting, maar ook voor meer inrichtingen tegelijk (die al dan niet in één gebied liggen). Zo maakt dit artikel het onder andere mogelijk om een afkoelperiode in te voeren voor bepaalde inrichtingen.
De burgemeester zal van de bevoegdheid in artikel 2.3.9, negende lid, gebruik maken, indien de handhaving van de openbare orde en de bescherming van het woon- of leefklimaat dat op enigerlei moment ergens in de stad vergen. Deze bepaling kan door de burgemeester dus ook worden gehanteerd in het kader van een "bestuurlijke maatregel": Een exploitant, die zich niet aan de in deze paragraaf en in zijn exploitatievergunning gestelde regels houdt, loopt de kans (tijdelijk) met een vroeger sluitingsuur te worden geconfronteerd.
Daarnaast biedt artikel 2.3.9, negende lid, de burgemeester ook de mogelijkheid om voor een bepaald gebied in de gemeente andere openings- en sluitingstijden vast te stellen. Deze mogelijkheid is geschapen meer in het bijzonder voor de deelgemeente Hoek van Holland, teneinde te bewerkstelligen, dat het horecabeleid in die deelgemeente aan kan sluiten op het horecabeleid in het Westland.
Voor wat betreft de toepassing van artikel 2.3.9, zesde lid, en van artikel 2.3.9, tiende lid, dient verwezen te worden naar hoofdstuk 4, paragraaf 1, van deze verordening, waarin - ter nadere uitwerking van het bepaalde in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer - is geregeld, dat de (geluid- en lichthinder-) voorschriften niet gelden op een nader door het college te bepalen aantal dagen ten behoeve van "collectieve festiviteiten" en "incidentele festiviteiten". Het zal duidelijk zijn, dat het beleid terzake van het aanwijzen van deze dagen afgestemd moet worden op het beleid van de burgemeester inzake de kennisgeving voor vrijstelling van de openings- en sluitingstijden.
Een algemene ontheffingsmogelijkheid voor bijzondere festiviteiten, als vervat in het tiende lid van artikel 2.3.9, kan in de praktijk niet worden gemist. Gedacht kan worden aan festiviteiten met een nationaal of stedelijk karakter, zoals bijvoorbeeld Koninginnedag of het kampioenschap van een voetbalclub.
In het elfde lid van artikel 2.3.9 wordt duidelijk gemaakt, dat artikel 2.3.9 niet van toepassing is, als de Wet milieubeheer of de op die wet gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Dit is bij dit artikel zeker van belang, omdat in milieuvergunningen voor horecabedrijven veelal een sluitingsuurbepaling is opgenomen, dan wel moet zijn opgenomen. Hiermee wordt beoogd de hinder die veroorzaakt wordt door komende en gaande bezoekers van de inrichting, zoveel mogelijk te beperken. De Wet milieubeheer beoogt slechts rekening te houden met "normale" hinder in de nabije omgeving van de inrichting. Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast op een of meer straten van de inrichting vandaan, valt niet onder de Wet milieubeheer. Deze vormen van overlast kunnen gereguleerd worden door middel van een algemene sluitingsuurregeling in de APV.

Toelichting artikel 2.3.11:
De exploitatievergunning vervalt zodra alle exploitanten de exploitatie hebben beëindigd. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan echter niet.
Voorheen was in dit artikel het woord ‘feitelijk’ opgenomen. Dit woord is echter geschrapt om bij overnames schijnconstructies tegen te gaan.

Toelichting artikel 2.3.12:
Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende exploitatievergunning te wijzigen overeenkomstig de wijziging in het beheer. De burgemeester kan de verzochte bijschrijving weigeren als de nieuwe beheerder niet voldoet aan de voor beheerders geldende criteria (artikel 2.3.6).


Toelichting artikel 2.3.13:
Het begrip 'openbare inrichting' als omschreven in artikel 1.1 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.


§ 2.3a  SEKSINRICHTINGEN EN ESCORTBEDRIJVEN

Algemene toelichting:
Als gevolg van de Wet van 28 oktober 1999 (Staatsblad 1999, 464) is op 1 oktober 2000 artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen, en is artikel 250ter gewijzigd en vernummerd tot artikel 250a. Artikel 250a Sr. luidt als volgt:

1.   Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
a.   degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt;
b.   degene die een persoon aanwerft, meeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon in een andere land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling;
c.  degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is;
d.   degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder a genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen;
e.   degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, indien die ander minderjarig is;
f.   degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksueel handelingen met een derde te bevoordelen.
2.   De schuldige wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien:
a.   de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;
b.   de minderjarige de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;
c.  geweld of een andere feitelijkheid als bedoeld in het eerste lid zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
3.   De feiten, omschreven in het eerste lid, gepleegd door twee of meer verenigde personen onder de omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

De wetswijziging wordt veelal aangeduid als de opheffing van het algemeen bordeelverbod. Strikt bezien zou de aanduiding (algemeen) 'souteneurverbod' daarop beter van toepassing zijn: strafbaar - volgens artikel 250bis als misdrijf, en volgens artikel 432, onder 3o, als overtreding - was namelijk het exploiteren van prostitutie als zodanig, waaronder prostitutie die werd uitgeoefend in een inrichting (bordeel). Gelet op de gangbaarheid van de aanduiding, wordt de wetswijziging hieronder evenwel aangeduid als 'opheffing algemeen bordeelverbod'.

De wetswijziging heeft bovendien tot gevolg dat een nieuw artikel wordt toegevoegd aan de Gemeentewet, artikel 151a:
"De raad kan een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling".

Met de opheffing van dit verbod streeft de wetgever de volgende zes hoofddoelstellingen na:
1.   Beheersen en regulering van exploitatie van prostitutie;
2.   Verbetering van de bestrijding van exploitatie van onvrijwillige prostitutie;
3.  Bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik;
4.  Bescherming van de positie van prostituees;
5.   Ontvlechting van criminaliteit en seksindustrie;
6.   Terugdringing van (de exploitatie van) prostitutie door personen zonder geldige verblijfstitel.

Gevolg van de wetswijziging is dat, uit hoofde van het Wetboek van Strafrecht, niet langer het exploiteren van prostitutie in algemene zin strafbaar is, maar nog slechts het exploiteren van onvrijwillige prostitutie (door geweld, bedreiging met geweld, misbruik van overwicht, of misleiding) en van prostitutie door minderjarigen. Voor zover dat bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) dan wel bij of krachtens gemeentelijk verordening is bepaald, is verder het exploiteren van prostitutie door personen zonder een geldige verblijfstitel verboden.

Anders gezegd, is het exploiteren van prostitutie die vrijwillig wordt uitgeoefend door meerderjarigen met een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel voortaan dus een legale beroepsuitoefening en inkomensverwerving. De gemeente kan daarover bij verordening voorschriften vaststellen. Deze bevoegdheid is gebaseerd op het bepaalde in de artikelen 149 en 151a van de Gemeentewet.

In Rotterdam is gekozen om qua systematiek aan te sluiten bij de bestaande exploitatievergunningen voor horeca-inrichtingen. Gelet op de uitzonderlijke situatie in deze branche en de zes hoofddoelstellingen, zoals deze door de wetgever zijn geformuleerd, zijn de regels specifiek op de prostitutiebranche toegespitst en voor zover nodig aangescherpt.


Artikelsgewijze toelichting § 2.3a

Toelichting artikel 2.3a.1: [vervallen]
De begripsartikelen van dit artikel zijn naar artikel 1.1 verplaatst.

Toelichting artikel 2.3a.2:
De doelstellingen van de wetgever, zoals deze in de gemeentelijke beleidsnota “Het Rotterdamse prostitutiebeleid van juni 2000” verder vorm zijn gegeven, hebben geresulteerd in een aantal nadere regels, die op alle seksinrichtingen en escortbedrijven van toepassing zijn.

Toelichting artikel 2.3a.3:
Een vergunning is vereist als een seksinrichting wordt geëxploiteerd, of als de seksinrichting, dan wel de wijze van exploitatie wordt gewijzigd. Als de exploitant veranderingen aanbrengt aan de inrichting, in zowel de ondernemersvorm als de exploitatievorm (activiteiten), dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.

Bij de wijziging van de exploitant dient eveneens een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. Een uitzondering hierop vormt het geval dat slechts een van de exploitanten ophoudt met exploiteren. In dat geval is een melding aan de burgemeester als bedoeld in artikel 2.3a.12 voldoende. Net als bij de exploitatievergunning voor horecabedrijven (zie toelichting artikel 2.3.2) dient de beslissing op deze aanvraag door de nieuwe exploitant te worden afgewacht. Exploitatie vooruitlopend op het besluit van het bevoegde bestuursorgaan is niet toegestaan.

Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Een aanvraag voor een exploitatievergunning dient schriftelijk bij de directeur van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting (Team Horeca en Evenementen) ingediend te worden.
De vergunningvoorwaarden voor een escortbedrijf zijn anders en voor een deel minder omvattend dan de vergunning voor de overige seksinrichtingen. Reden is dat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. Dit is natuurlijk anders indien het escortbedrijf vanuit een kantoor of seksinrichting wordt uitgeoefend. De toetsing van de vergunningaanvraag zal voornamelijk bestaan uit de toetsing van de antecedenten van de exploitant en de beheerder. Aan de vergunning zullen tevens ook een aantal specifieke voorschriften worden verbonden die verband houden met de exploitatie van een escortbedrijf. Zo dienen de exploitant en de beheerders voor het bevoegde bestuursorgaan aanspreekbaar te zijn (adres en telefoonnummer moet worden doorgegeven) en mogen de escortbedrijven bij de werving van klanten alleen gebruik maken van de op de vergunning vermelde telefoonnummers.

In tegenstelling tot de exploitatievergunningen bedoeld in paragraaf 2.3 van de APV, bestaat voor de onderhavige inrichtingen geen mogelijkheid om een voorlopige vergunning aan te vragen.

Met de "aard van de seksinrichting of escortbedrijf" in het tweede lid, onder c, wordt bedoeld dat duidelijk moet worden aangegeven of de aanvraag betrekking heeft op een seksinrichting dan wel een escortbedrijf. Ook moet aan de hand van de voorgenomen activiteiten en inrichting duidelijk worden beschreven wat voor een soort seksinrichting of escortbedrijf het betreft (Wel of geen prostitutie? Betreft het een parenclub? Is sprake van een horecagedeelte? Is tevens sprake van een sekstheater of -bioscoop? etc.).

Bij toepassing van het derde lid geldt als uitgangspunt, dat de in de tijd eerst ingediende vergunningaanvraag in behandeling wordt genomen. Een aanvraag is in behandeling totdat het besluit onherroepelijk is geworden. Tweede en opvolgende vergunningaanvragers voor dezelfde inrichting worden in hun aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, tenzij uiteraard de eerste aanvraag wordt ingetrokken.

Toelichting artikel 2.3a.4: [vervallen]
Dit artikel is vervallen. De inhoud van dit artikel is opgenomen in artikel 2.3a.8 APV.

Toelichting artikel 2.3a.5:
De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de openingsuren van de seksinrichting. Deze bepaling is opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te kunnen treden. De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de inrichting afspeelt.
Er voortdurend op te worden toegezien dat er geen strafbare feiten in de inrichting plaatsvinden. Het gaat daarbij in ieder geval om de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie. Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen kan de inrichting door het bevoegde bestuursorgaan gesloten worden, dan wel kan de verleende vergunning ingetrokken worden (zie ook artikel 2.3a.8). De exploitant en beheerder dienen er tevens op toe te zien dat er geen personen beneden de 18 jaar in de inrichting aanwezig zijn. Voor seksinrichtingen geldt daarmee dezelfde leeftijdsgrens als voor coffeeshops en speelautomatenhallen. Dit voorschrift vergemakkelijkt de handhaafbaarheid van het wettelijke verbod van prostitutie door minderjarigen.
Ook bij escortbedrijven hebben de exploitant en beheerder een belangrijke verantwoordelijkheid. Op grond van het bepaalde in het derde lid dienen zij de veiligheid van de prostituees te waarborgen en strafbare feiten in het kader van de uitoefening van het escortbedrijf te voorkomen. Omdat bij escortbedrijven doorgaans geen sprake is van een inrichting is louter toezicht door aanwezigheid niet mogelijk. Dat betekent dat aan andere vormen van bescherming moet worden gedacht, zoals bijvoorbeeld een (telefonisch) alarmeersysteem voor de prostituee.

Toelichting artikel 2.3a.6:
Voor seksinrichtingen gelden dezelfde sluitingstijden als voor horeca-inrichtingen. De ontheffingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2.3a.6, tweede lid, biedt het bevoegde bestuursorgaan, analoog aan artikel 2.3.9, derde lid, aanhef en onder b, de mogelijkheid om individuele seksinrichtingen bij vergunningvoorschrift ontheffing van de standaardsluitingstijd te verlenen. De exploitant dient daartoe een exploitatieplan te overleggen, zoals dat ook voor horeca-inrichtingen is voorgeschreven. De exploitant dient concreet aan te geven hoe hij zal voorkomen dat zijn exploitatie een nadelige invloed heeft op de openbare orde of de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving van zijn inrichting. Een en ander zal door het bevoegde bestuursorgaan per locatie en per inrichting worden getoetst. Het bevoegde bestuursorgaan kan ter zake een eigen beleid ontwikkelen.

Toelichting artikel 2.3a.7: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in Hoofdstuk 1 opgenomen.

Toelichting artikel 2.3a.8:
De toelichting bij artikel 2.3.6 APV is overeenkomstig van toepassing. Met betrekking tot de leeftijdseis uit het eerste lid, onder e, bestaat er echter een verschil. Voor seksinrichtingen bestaat er niet, zoals voor exploitatievergunningen het geval is, een mogelijkheid om door categorale vrijstelling af te wijken van deze eis.

Het vierde lid bevat specifieke gronden voor seksinrichtingen en escortbedrijven.

2.3a.8, vierde lid, onder a: veiligheid van personen of goederen
Bij de exploitatie van seksinrichtingen, is het van groot belang de (brand)veiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:
-   is het Bouwbesluit van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de seksinrichting zelf;
-   is de Bouwverordening van toepassing waar het gaat om het gebruik van de seksinrichting zelf.

Voor seksinrichtingen gelden - naar analogie van de verblijfinrichtingen - bovendien inrichtingseisen die bij nadere regels zijn gesteld.

2.3a.8, vierde lid, onder b: gezondheid en zedelijkheid
Gezondheid: hier gaat het met name om de behartiging van de positie van de prostituee, voor wat betreft het voorkomen en tegengaan van zogenaamde seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder aids. Het betreft voorlichtingsactiviteiten, laagdrempelige faciliteiten voor wat betreft de toegankelijkheid van de gezondheidszorg en periodiek medische controles voor de prostituees.

2.3a.8, vierde lid, onder c: arbeidsomstandigheden
Door opheffing van het bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing op delen van de prostitutiebranche. Uitgangspunt voor de toepasselijkheid van de Arbo-wet is namelijk het bestaan van een gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer. Op zelfstandig werkende prostituees, de freelancers, is de Arbo-wet derhalve niet van toepassing. Wel is ook voor deze groep van gemeentewege een aantal basisnormen opgesteld (met betrekking tot de inrichting en de bedrijfsvoering) ter bevordering van de arbeidsomstandigheden Deze normen zijn gesteld in het kader van de nadere regels, bedoeld in artikel 2.3a.2.
Deze weigeringsgrond heeft voornamelijk tot doel om bij de vergunningverlening rekening te kunnen houden met misstanden die door de Arbeidsinspectie zijn gesignaleerd en de vergunning zonodig te weigeren.

Toelichting artikel 2.3a.9: [vervallen]

Toelichting artikel 2.3a.10: [vervallen]
Dit artikel is vervallen. De inhoud van dit artikel is opgenomen in artikel 2.3a.8 APV.

Toelichting artikel 2.3a.11:
De toelichting bij artikel 2.3.7 is overeenkomstig van toepassing.

Toelichting artikel 2.3a.12:
De vergunning vervalt zodra alle exploitanten de exploitatie hebben beëindigd. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De vergunning vervalt dan echter niet.
Voorheen was in dit artikel het woord ‘feitelijk’ opgenomen. Dit woord is echter geschrapt om bij overnames schijnconstructie tegen te gaan.
 
Toelichting artikel 2.3a.13:
Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning te wijzigen overeenkomstig de wijziging in het beheer. Het bevoegde bestuursorgaan kan de verzochte bijschrijving weigeren als de nieuwe beheerder niet voldoet aan de voor beheerders geldende criteria (artikel 2.3a.8).

Toelichting artikel 2.3a.14:
De opheffing van het bordeelverbod en de introductie van de vergunningplicht voor seksinrichtingen heeft ook gevolgen voor de Rotterdamse bestemmingsplannen. In verband met het wettelijk bordeelverbod, kennen niet alle bestemmingsplannen een bestemming die de vestiging van een prostitutiebedrijf toelaat. Voor een aantal bestaande seksinrichtingen, dat wil zeggen inrichtingen waarvan exploitanten kunnen aantonen dat die al vóór 1 februari 2000 werden geëxploiteerd, geldt dat deze onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen en dus in planologische zin “legaal” zijn gevestigd. Voor de overige bestaande seksinrichtingen geldt dat zij, overeenkomstig het in dit artikel opgenomen overgangsrecht, gevestigd mogen zijn in strijd met het bestemmingsplan. Voor deze bestaande inrichtingen geldt, met andere woorden, de strijdigheid met het bestemmingsplan niet als weigeringgrond.
 
Toelichting artikel 2.3a.15:
Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als de APV) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met 'het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven' (eerste lid) en met 'de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht' (derde lid).
In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip 'ruimte' opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid). Het college kan zijn bevoegdheid ter zake mandateren aan de burgemeester.


§ 2.3b   SLUITING OVERLASTGEVENDE VOOR HET PUBLIEK OPENSTAANDE GEBOUWEN

Toelichting artikel 2.3b.1:
Artikel 2.3b.1 kan worden gezien als een welkome aanvulling op de artikelen 2.3.7 (sluiting van vergunningplichtige inrichtingen), 2.3a.11 (sluiting overlastgevende bordelen), 3.2.12 (sluiting overlastgevende gokpanden), 174a Gemeentewet (sluiting woningen) en artikel 13b Opiumwet (sluiting in verband met drugs).

De burgemeester kan met behulp van dit artikel gericht optreden wanneer ondernemers van dienstverlenende bedrijven zoals avondkappers, uitzendbureaus en belwinkels of winkeliers overlast (blijven) veroorzaken. De burgemeester zal o.a. tot het oordeel kunnen komen dat sluiting noodzakelijk is indien een van de volgende situaties zich voordoet:
a.   indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw;
b.   indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten worden gepleegd;
c.   indien zich in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het voor het publiek openstaand gebouw gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor publiek openstaand gebouw.

Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting indien sprake is van een ordeverstoring die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De sluiting kan dan slechts van korte duur zijn.

In het zesde lid van artikel 2.3b.1 wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting voor onbepaalde duur op verzoek van een belanghebbende opheft. In de praktijk sluit de burgemeester een inrichting meestal voor een bepaalde duur. Artikel 2.3b.1 voorziet niet in de mogelijkheid voor een belanghebbende om tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen. Een dergelijk verzoek aan de burgemeester is dus niet-ontvankelijk. In zeer bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij wijziging van de bestemming van het pand, waarin de inrichting is gevestigd) kan de burgemeester ambtshalve een tijdelijke sluiting opheffen.

§ 2.4  MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID

Algemene toelichting § 2.4:
In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die een bijdrage moeten leveren aan de bestrijding van overlast, hinder en baldadig gedrag - in de meest ruime zin begrepen - in de gemeente. De in paragraaf 4 opgenomen bepalingen volgen echter in beginsel de modelbepalingen van de VNG op dit punt. De bepalingen kunnen - mits goed toegepast - een bijdrage leveren aan het tegengaan van de verloedering van de stad. In dit verband kan worden opgemerkt, dat sommige van de in deze paragraaf strafbaar gestelde gedragingen op zichzelf als "weinig betekenend" zouden kunnen worden beschouwd. Indien het in samenhang bestrijden van deze gedragingen evenwel onderdeel zou kunnen gaan vormen van een gericht beleid ter voorkoming en bestrijding van overlast, hinder en baldadigheid in de stad, zijn de betreffende strafbepalingen goed bruikbaar.

Toelichting artikel 2.4.1:
Eerste lid
Artikel 2.4.1 betreft een verbod om een door de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord. Dit artikel is in eerste instantie in de Gemeentewet opgenomen om drugsoverlast vanuit woningen tegen te gaan, maar kan ook worden gehanteerd bij andere vormen van niet aanvaardbare overlast.
In dit verband is er voor gekozen om - voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken - een strafbepaling op te stellen die het verbiedt om een gesloten pand te betreden. Artikel 174a gemeentewet kan worden gezien als een welkome aanvulling op de artikelen 2.3.7 (sluiting van vergunningplichtige inrichtingen), 2.3a.11 (sluiting van seksinrichtingen) en 3.2.12 (sluiting overlastgevende gokpanden) die betrekking hebben op panden, die geen woning zijn.

Tweede lid
Het tweede lid van artikel 2.4.1 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang indien in woningen en lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Zie verder onder de toelichting van het eerste lid.

Toelichting artikel 2.4.2:
Het eerste lid van dit artikel bevat een absoluut verbod om te krassen of te kladden. Juridisch is dit geen probleem, daar in deze terminologie reeds besloten ligt, dat het bij krassen of kladden niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IV (vgl. de toelichting bij hoofdstuk 1, artikel 1.1). Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen het helaas wijd verbreide euvel van graffiti.
Ingevolge het tweede lid van artikel 2.4.2 is het plakverbod van toepassing niet alleen op onroerende, maar ook op roerende zaken (te denken valt onder meer aan bloembakken, glas- en papierbakken, containers van de ROTEB). Strafbaar zijn niet alleen de feitelijke plakkers, maar ook hun opdrachtgevers.
Het is de gemeentelijke wetgever niet toegestaan het aanplakken van biljetten e.d. geheel te verbieden. Wel mag de gemeentelijke wetgever het plakken zonder toestemming van de rechthebbende (dat kan ook de gemeente zijn als privaatrechtelijk rechtspersoon) strafbaar stellen. Dat is in artikel 2.4.2 gebeurd.
De gemeente dient in het kader van de waarborging van de vrijheid van meningsuiting te zorgen voor voldoende "vrije plakmogelijkheden" in de gemeente - bezien naar aantal, oppervlakte en plaats - opdat van “gebruik van enige betekenis” van het onderhavige middel van bekendmaking van meningsuitingen sprake kan zijn. Het hangt af van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken kan worden van gebruik van enige betekenis.

Toelichting artikel 2.4.3:
Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen plak- en kladverbod vergroot. De Hoge Raad heeft een dergelijke zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen geaccepteerd. Het onderhavige artikel verbiedt het vervoer van allerlei plak- en kladgereedschappen en -attributen (waaronder verfspuitbussen e.d., in gebruik bij graffiti-"kunstenaars") tussen 22 en 6 uur. De ervaring leert, dat juist tussen de genoemde uren het meest wordt geplakt en gekladderd. Iemand die 's nachts met de genoemde voorwerpen over straat gaat, is in beginsel in overtreding, tenzij hij aannemelijk kan maken, dat de betreffende voorwerpen niet zijn/worden meegenomen om zich schuldig te maken aan het plakken en kladden als bedoeld in artikel 2.4.2. Een en ander verlicht de bewijslast voor de politie.

Toelichting artikel 2.4.4:
In een samenleving waarin een groot aantal mensen op een relatief klein grondgebied woont, zal men elkaar hinderen en overlast aandoen. Op basis van artikel 2.4.4 (en ook 2.4.6) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Tevens kan op deze wijze worden opgetreden tegen zwervers die op bankjes liggen.
Artikel 424 Wetboek van Strafrecht stelt reeds "straatschenderij" strafbaar: "Hij die op of aan de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats tegen personen of goederen enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht, wordt als schuldig aan straatschenderij, gestraft met geldboete van de eerste categorie (max. 225 euro)". Artikel 426bis van dat Wetboek verklaart strafbaar het belemmeren van anderen op de openbare weg: "Hij die wederrechtelijk op de openbare weg een ander in zijn vrijheid van beweging belemmert of met een of meer anderen zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft volgen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie (max. 2250 euro)". Artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht tenslotte stelt nachtelijk burengerucht strafbaar: "Met geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan worden verstoord". Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.

Toelichting artikel 2.4.5:
Grote delen van de stad worden regelmatig geconfronteerd met overlast door personen die zich op de openbare weg - al dan niet in combinatie met drugs - te goed doen aan diverse soorten alcoholica en vervolgens passanten lastig vallen of andere met het gebruik van alcohol samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, onderling ruzie maken en vechten, vervuiling van de omgeving, wildplassen etc.
Wat de mogelijkheden tot optreden betreft zij vermeld, dat de politie - als daadwerkelijke verstoring van de openbare orde zich voordoet - op grond van de artikelen 2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering kan geven. Niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn op grond van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid; vgl. ook de toelichting bij artikel 2.4.4). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Om deze reden is behoefte aan aanvullende rechtsgronden.

In 2003 is een nieuw eerste lid toegevoegd. Voorheen bestond alleen de mogelijkheid om door het college gebieden aan te laten wijzen waar het verboden is om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zicht te hebben. Deze mogelijkheid staat nu in het tweede lid en geeft het college de mogelijkheid om bijvoorbeeld het gebied rondom het Feyenoordstadion aan te wijzen als gebied, waar het verboden is op straat alcoholhoudende drank te nuttigen. Ook andere gebieden kunnen worden aangewezen, zoals winkelcentra of stations. Sinds december 1994 heeft het college jaarlijks gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Op grond van de ervaringen van de diverse districten en deelgemeenten blijkt dat de gebiedsaanwijzing beschouwd kan worden als een effectief middel ter bestrijding van overlast in gebieden waar zich regelmatig groepen ophouden, maar dat daarnaast behoefte bestaat aan een verbodsbepaling die zich richt tegen hinderlijk drankgebruik in het algemeen in de openbare ruimte. Hiermee kunnen overlastverschijnselen worden bestreden die niet tot bepaalde plaatsen beperkt zijn of waarvoor het instellen van een totaal verbod op het gebruik of bezit van alcohol vooralsnog als een te zwaar middel moet worden beschouwd. Hierbij kan gedacht worden aan gevallen van excessieve hinder van op straat drinkende personen tijdens een evenement of aan overlast door verspreidingseffecten uit gebieden waar wel een alcoholverbod in ingesteld. Om deze reden is in een nieuw eerste lid een generiek verbod opgenomen op grond waarvan kan worden opgetreden in geval van overlast.
Toepassing van het tweede lid blijft beperkt tot door het college aangewezen gebieden.

Artikel 35 van de Drank- en Horecawet bepaalt, dat de burgemeester een ondernemer ontheffing kan verlenen van het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatig alcoholische drank te verstrekken, ten aanzien van het verstrekken van zwakalcoholische drank bij in het besluit aangewezen bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard.

Toelichting artikel 2.4.6:
Dit artikel heeft als doel de overlast te bestrijden, die voortkomt uit het oneigenlijk gebruik van portieken, poorten en gemeenschappelijke ruimtes in particuliere en voor het publiek toegankelijke gebouwen door randfiguren, baldadige jongelui e.d. Over dergelijke vormen van overlast wordt vaak geklaagd. In de praktijk blijkt de verstrekking respectievelijk de verlening van (bepaalde) goederen en diensten in de openbare sfeer nogal eens te worden bemoeilijkt doordat ter plekke geregeld sprake is van baldadigheden en van andere vormen van overlast. Een voorbeeld daarvan is de dienstverlening in postkantoren. Het komt geregeld voor dat de zogenaamde zelfbedieningsruimten in postkantoren (ruimten die in beginsel dag en nacht geopend zijn voor het verrichten van eenvoudige postale handelingen door het publiek) door jongeren, zwervers en junks als verblijfplaats worden gekozen. Dit heeft dan vaak vervuiling en vernieling van het gebouw tot gevolg, terwijl bezoekers worden verhinderd ongestoord gebruik te maken van de diensten. Vele andere voorbeelden kunnen worden gegeven.
In artikel 2.4.6 is het woord "ruimte" gebruikt ter onderscheiding van het over het algemeen in de APV gehanteerde begrip "weg". Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede "hinder of overlast veroorzaken dan wel zich zonder redelijk doel op te houden" in de bepaling tot uitdrukking gebracht. Voor een toelichting wordt verder verwezen naar de toelichting bij artikel 2.4.4 "Hinderlijk gedrag op of aan de weg".

Toelichting artikel 2.4.7: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is ondergebracht in artikel 2.4.6.

Toelichting artikel 2.4.8:
Deze bepaling is van toepassing op messen en andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt. Het artikel heeft ten doel de bescherming van de openbare orde en veiligheid in heel Rotterdam. Het openlijk bezit van dergelijke wapens dient daarom op alle wegen in de gemeente verboden te worden. Om deze reden is gekozen voor het niet langer door het college laten aanwijzen van wegen.

Het tweede lid grenst het verbod af van de op 1 september 1989 in werking getreden Wet wapens en munitie. Deze wet verbiedt onder meer het dragen van steekwapens op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen, anders dan vervoer (dat wil zeggen: zodanig verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend).
Afhankelijk van de omstandigheden vallen hieronder voorwerpen zoals dolkmessen, knuppels, flessen en tafelpoten. In die omstandigheden gaat het om de (directe) bescherming van de persoonlijke vrijheid of integriteit.

Toelichting artikel 2.4.9:
In een mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Vandaar dat in artikel 2.4.9 het college de mogelijkheid wordt geboden terzake regels te stellen. Uiteraard moet het verbod wel aan de bezoekers van het terrein kenbaar worden gemaakt.

Toelichting artikel 2.4.10:
Artikel 2.4.10 beperkt het loslopen van honden in twee situaties: op de weg (door de omschrijving van het begrip 'weg' vallen hieronder ook parken en plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d.
Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.

In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:
-   de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;
-   het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;
-   het voorkomen van hinder voor voetgangers;
-   het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.);
-   het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.

Het tweede lid regelt dat het college hondenuitlaatplaatsen kan aanwijzen.

Artikel 2.4.10 kent een ontheffingsmogelijkheid; er kunnen zich nl. situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. In de lijn van reeds bestaande jurisprudentie is voor deze categorie in het derde lid een voorziening getroffen.

Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.

Op grond van het vierde lid dient de eigenaar of houder van een hond ervoor te zorgen dat de hond door aanhoudend geblaf of gejank niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust van omwonenden verstoort.

Toelichting artikel 2.4.10a:
Op grond van artikel 2.4.10a is de eigenaar of houder van een hond verplicht te allen tijde de uitwerpselen van zijn hond op te ruimen.
Het tweede lid regelt dat binnen het gebied waar de opruimplicht geldt, plaatsen door het college aangewezen kunnen worden waar de eigenaar van een hond de uitwerpselen niet hoeft op te ruimen.

In de leden drie en vier is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod, het verbod om op bepaalde plaatsen met een hond te komen of de opruimplicht verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. Eigenaren van gekwalificeerde geleidehonden hebben een “automatische” ontheffing van het bepaalde in het eerste lid.
Op grond van het derde lid kan het college voor individuele bijzondere gevallen ontheffing verlenen van hetgeen in het artikel wordt bepaald.
 
Toelichting artikel 2.4.10b:
Dit artikel regelt dat het college de eigenaar van een hond aangeven dat de hond gevaarlijk of hinderlijk wordt geacht en dat deze kort aangelijnd dient te worden op de weg of op het terrein van een ander. Bij gevaarlijke honden kan het college tevens aangeven dat de hond gemuilkorfd moet worden.
Daarnaast dient de hond te worden voorzien van een optisch leesbaar identificatiekenmerk in de buikwand of het oor.

Met betrekking tot pitbullhonden kan van gemeentewege geen regeling worden getroffen, omdat sinds 1 februari 1993 de Regeling agressieve dieren van kracht is. In die regeling zijn expliciete bepalingen over pitbulls opgenomen.

Toelichting artikel 2.4.11:
Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen.
Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt.
Tevens wordt in dit verband moet nog gewezen op de Flora- en Faunawet, waarin regels worden gegeven ter bescherming van dieren.

Toelichting artikel 2.4.12:
Uit onderzoek en politierapportages blijkt dat in Rotterdam – en in het bijzonder in het stadscentrum – in toenemende mate overlast van bedelaars wordt ondervonden. Wanneer men door een bedelaar wordt benaderd, ervaart een deel van de betrokkenen dit als bedreigend. Van de bedelaars, veelal harddrugsverslaafden, die actief zijn, gedraagt een aantal zich agressief en hinderlijk (volgen, aanklampen, de weg versperren e.d.) waardoor ergernis en overlast ontstaat bij voorbijgangers.
Omdat de strafbaarstelling van bedelarij in 2000 uit het Wetboek van Strafrecht is verdwenen beschikt de politie thans nauwelijks over middelen om dit probleem aan te pakken.

Zolang geen strafbare feiten worden begaan, blijft het bij een waarschuwing en het wegsturen van de betrokkene, wat doorgaans weinig effect sorteert. Daarbij zijn veel bedelaars bekend met het afschaffen van het verbod en zij gedragen zich daar ook naar. Om adequaat tegen bedelarij en de daarmee samenhangende overlast te kunnen optreden, wordt deze gedraging alsnog in de APV verboden en strafbaar gesteld.
Blijkens de toelichting op het schrappen van artikel 432 uit het Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever de mogelijkheid hiertoe in het belang van de openbare orde opengehouden. Het verbod in dit artikel heeft betrekking op bedelen om geld of andere zaken. De hinder en overlast die daarmee gepaard gaat kan bijvoorbeeld bestaan uit:
-  het zich opdringen aan passanten;
-  het aanklampen van passanten;
-   het versperren van de doorgang van passanten;
-   het volgen van passanten;
-  het intimideren van passanten.

Deels zijn dergelijke gedragingen op zichzelf verboden in artikel 2.4.4 APV en artikel 426bis Wetboek van Strafrecht. Dat geldt echter niet voor het bedelen an sich terwijl dit, zoals gezegd, wel als hinderlijk en overlastgevend wordt ervaren.

Om te onderstrepen dat het artikel is bedoeld om overlast te bestrijden, is het toegevoegd aan paragraaf 4. Het verbod heeft specifiek betrekking op het bedelen om geld of andere zaken. Dit verbod heeft nadrukkelijk geen betrekking op het voortbrengen van straatmuziek en de verkoop van de Straatkrant.

In deze bepaling is gekozen voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft om gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Het verbod geldt op of aan de weg, maar ook in voor het publiek toegankelijke gebouwen. Onder publiek toegankelijke gebouwen worden ook winkels en openbare inrichtingen begrepen.
Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan zij het verbod voor een bepaalde tijdsduur activeren. Het verbod om te bedelen is dan ook niet voortdurend of op de gehele stad van toepassing.

Overtreding van het verbod wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Toelichting artikel 2.4.13:
Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.

Het tweede lid beoogt het plegen van winkeldiefstallen of althans het meedragen van hulpmiddelen daarbij strafbaar te stellen. Vaak gebruiken plegers van winkeldiefstallen speciaal uitgeruste voorwerpen als tassen, jammers, magneten of elektronische voorwerpen die veiligheidspoortjes of veiligheidslabels dan wel andere hulpmiddelen om het plegen van diefstal te vergemakkelijken. Politie en beveiligers zijn in staat om met geoefend ‘oog’ de geprepareerde voorwerpen te herkennen. Met deze bepaling kan worden ingegrepen voordat de winkeldief zijn slag heeft geslagen.

Jurisprudentie
Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07-06-1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen)
§ 2.5     BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN
GOEDEREN

Algemene toelichting § 2.5:
De misdrijven heling en diefstal hangen nauw met elkaar samen. Diefstal wordt namelijk in veel gevallen vooral door heling aantrekkelijk gemaakt. Uit een oogpunt van diefstalpreventie en van misdaadbestrijding in het algemeen is het aanpakken van de heling dan ook een voorname eis.
Het Wetboek van Strafrecht (Sr.) bevat enkele bepalingen die het oog hebben op de bestrijding van heling. Dat zijn de artikelen 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater.

De wijziging van de helingbepalingen in het Wetboek van Strafrecht heeft voor de gemeentelijke wetgever het gevolg dat deze geen nadere voorschriften met betrekking tot het inkoopregister meer kan geven nu daarin door hogere regelgeving wordt voorzien. De gemeentelijke wetgever is wel bevoegd regels op te stellen voor het bijhouden van een verkoopregister. De grondslag voor deze bevoegdheid is artikel 149 van de Gemeentewet.

Toelichting artikel 2.5.1:
De inhoud van dit artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.

Toelichting artikel 2.5.2:
De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437 Sr. Hoewel dit artikel in principe is opgesteld voor het inkoopregister is het voor de duidelijkheid en voor het overzicht gewenst voor het verkoopregister bij dit artikel aansluiting te zoeken. Dit artikel bepaalt dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt.

Op grond van het tweede lid kan de burgemeester vrijstelling verlenen van bepaalde categorieën goederen, zodat deze niet hoeven worden geregistreerd.

Toelichting artikel 2.5.3:
Deze bepaling, die is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.
Artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht luidt:
1.   De handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, die een verordening door de raad van een gemeente ter bestrijding van heling uitgevaardigd en afgekondigd, overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
2.   Met dezelfde straf wordt gestraft hij die van opkopen een beroep of gewoonte maakt, zonder daarvan te voren de burgemeester of een door de burgemeester aangewezen ambtenaar schriftelijk in kennis te hebben gesteld.
De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden.
De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het Wetboek van Strafrecht, en ontbrak lange tijd in de APV. Door toevoeging van deze bepaling onder e van artikel 2.5.3 kan de daartoe aangewezen ambtenaar zowel het inkoop- als het verkoopregister inzien.

Toelichting artikel 2.5.4:
Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2.5.4 voorziet hierin. Deze bepaling sluit nauw aan op het bepaalde in artikel 437, eerste lid, onder d en f van het Wetboek van Strafrecht, waar de handelaar onder meer wordt verplicht een bepaald goed gedurende een bepaalde tijd (maximaal 14 dagen) te bewaren of in bewaring te geven, indien hij daartoe een last van de politie heeft ontvangen. In artikel 2.5.4 is gekozen voor een termijn, waarbinnen goederen in het geheel niet overgedragen mogen worden. Teneinde de handel van de handelaren niet al te zeer te belemmeren, is gekozen voor een korte termijn van drie dagen.

Toelichting artikel 2.5.5:
Dit artikel wijkt enigszins af van de overeenkomstige bepaling uit de model-APV van de VNG. Artikel 2.5.5 - dat is gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet - sluit aan op het bepaalde in artikel 14 van de Drank- en Horecawet. Daarin is het verbod neergelegd tot het in horeca-inrichtingen uitoefenen van de kleinhandel in andere goederen dan drank. Dit verbod heeft overigens slechts betrekking op verkoophandelingen. Het enkele te koop aanbieden of overdragen van goederen valt daar niet onder. Deze handelingen kunnen wel onder artikel 2.5.5 worden gebracht. In tegenstelling tot het VNG-model - dat zich beperkt tot het tegengaan van handel door handelaren - is in het onderhavige artikel elke handel (inclusief de directe aanbieding en levering) door wie dan ook verboden. Daarmee is beoogd een bijdrage te leveren aan de bestrijding van helingsactiviteiten door onder meer drugsverslaafden en andere personen, die niet direct als handelaar in de zin van artikel 2.5.1 kunnen worden gekwalificeerd.

Indien de houder van de inrichting het in artikel 2.5.5 gestelde verbod overtreedt, kan de burgemeester de inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - sluiten met toepassing van artikel 2.3.6, vierde lid, aanhef en onder c, d of f, juncto artikel 2.3.7, eerste lid, van deze verordening.

§ 2.6     ROUTE GEVAARLIJKE STOFFEN

Toelichting artikel 2.6.1:
Dit artikel is komen te vervallen wegens het wegvallen van de rechtsbasis. Naar aanleiding van de nieuwe Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen is een nieuwe routering in voorbereiding.

§ 2.7    VUURWERK

Algemene toelichting § 2.7:
De gemeentelijke vuurwerkbepalingen vinden hun grondslag in het Vuurwerkbesluit.
Het Vuurwerkbesluit regelt allereerst de import en export van vuurwerk in en uit Nederland. In de tweede plaats is in het Vuurwerkbesluit een aantal veiligheidseisen opgenomen met betrekking tot opslag en bewerking voor zowel consumenten vuurwerk als professioneel vuurwerk. In de derde plaats bevat het Vuurwerkbesluit een aantal overige bepalingen die betrekking hebben op de verkoop en het tot ontbranding brengen van vuurwerk. Het Vuurwerkbesluit beoogt de verschillen die op dit terrein tussen de diverse gemeenten bestonden, weg te nemen.

Het Vuurwerkbesluit bevat de volgende uniforme regelingen met betrekking tot particulieren:

Ten aanzien van verkopers:
-   een verkooptermijn van drie werkdagen voor de jaarwisseling;
-   een verbod om per levering een hoeveelheid vuurwerk met een gewicht van meer dan tien kilogram aan een particuliere gebruiker af te leveren;
-   een verbod om vuurwerk af te leveren aan personen die jonger zijn dan zestien jaar.

Ten aanzien van consumenten:
-   het verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10 uur en 1 januari 2 uur van het daarop volgende jaar;
-   het verbod vuurwerk voorhanden te hebben op een voor publiek toegankelijke plaats, uitgezonderd het voorhanden hebben van vuurwerk ten behoeve van activiteiten die direct samenhangen met het vuurwerkgebruik bij de viering van de jaarwisseling;

Door de invoering van het Vuurwerkbesluit is de gemeentelijke bevoegdheid tot regeling van het afleveren en afsteken van vuurwerk danig ingeperkt. De gemeente is niet bevoegd tot het verlenen van een ontheffing aan particulieren om gedurende overige dagen in het jaar vuurwerk af te steken. Thans is dit alleen geoorloofd indien het afsteken geschiedt door een bedrijf met een vergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de aanvrager is gevestigd en er toestemming is verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het vuurwerk tot ontbranding zal worden gebracht.
Voor het college resteren nog de bevoegdheid tot het aanwijzen van plaatsen in de gemeente waar - in het belang van voorkomen van gevaar, schade of overlast - in het geheel geen consumentenvuurwerk mag worden afgestoken.
 
Toelichting artikel 2.7.1: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.

Toelichting artikel 2.7.2: [vervallen]
Gelet op de strenge regels die het Vuurwerkbesluit stelt aan vuurwerkbedrijven en de opslag van vuurwerk, wordt voorgesteld de lokale vergunning om in de uitoefening van een bedrijf vuurwerk af te leveren of ter aflevering aanwezig te houden te schrappen.
Gevolg van het schrappen van dit artikel is dat de gemeente niet zelf meer de plaatsing van bedrijven die vuurwerk afleveren of ter aflevering aanwezig hebben, kan reguleren.

Toelichting artikel 2.7.3:
Het Vuurwerkbesluit bepaalt dat het verboden is om op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10 uur en 1 januari 2 uur van het daarop volgende jaar vuurwerk af te steken. Ondanks het feit dat het is toegestaan om vuurwerk op oudejaarsdag - ook overdag - af te steken, kan het voorkomen dat er plaatsen zijn waar het afsteken van vuurwerk te allen tijde ontoelaatbaar moet worden geacht. Er valt dan te denken aan (de omgeving van) ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels, drukke winkelstraten en bij huizen met rieten daken. Het college kan dergelijke plaatsen concreet aanwijzen.
Het tweede lid van artikel 2.7.3 biedt de mogelijkheid om op te treden tegen het afsteken van vuurwerk in bijvoorbeeld een portiek of nabij een groep mensen.
Artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht - waarnaar in het derde lid van artikel 2.7.3 wordt verwezen - luidt als volgt: "Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft hij die een vuurwapen afschiet, een vuurwerk ontsteekt of een vuur aanlegt, voedt of onderhoudt op zo korte afstand van gebouwen of goederen, dat daardoor brandgevaar kan ontstaan."
Artikel 2.7.3 is gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet.

§ 2.8     BESTUURLIJKE OPHOUDING


Toelichting artikel 2.8.1:


Als gevolg van de wijziging van de Gemeentewet door toevoeging van de artikelen 154a, is voor de burgemeester de mogelijkheid gecreëerd om groepen personen voor de duur van maximaal 12 uren op te houden.

Bestuurlijk ophouden is het op een bepaalde plaats onderbrengen en vasthouden van groepen ordeverstoorders, met inbegrip van het overbrengen naar die plaats. Overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet oefent de burgemeester de bevoegdheid tot bestuurlijke ophouding pas uit in geval van groepsgewijze niet-naleving van door de raad, bij verordening vastgestelde en daartoe specifiek aangewezen voorschriften tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar als bedoeld in artikel 175 Gemeentewet, en indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.

Gelet op het bovenstaande heeft de raad een aantal artikelen, betrekking hebbende op de openbare orde en veiligheid, aangewezen op basis waarvan bij overtreding de burgemeester kan besluiten groepen bestuurlijk op te houden.

Bestuurlijk ophouden is een bestuursrechtelijk ultimum remedium. Bestuurlijk ophouden komt in beeld bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, zoals bijvoorbeeld bij krakersrellen, demonstraties, risicowedstrijden of grootschalige evenementen. Tot toepassing mag niet lichtvaardig worden besloten. Andere middelen moeten niet toereikend zijn om de openbare orde te herstellen. Deze verstrekkende bevoegdheid zal in de praktijk dan ook niet eerder toegepast worden dan na overleg met de korpschef van de regiopolitie en de hoofdofficier van justitie (driehoeksoverleg).

Overeenkomstig artikel 154a, zevende lid, mag de ophouding niet langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van 12 uren. In dat kader is het van belang dat de burgemeester met enige regelmaat toetst of de bestuurlijke ophouding nog noodzakelijk is.

§ 2.9    VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN

Toelichting artikel 2.9.1:
Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:
-   vervoermiddelen te onderzoeken;
-   een ieder aan de kleding te onderzoeken;
-   te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt worden geopend.

De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef.

De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.

Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:
-   feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;
-   zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy);
-   subsidiariteit en proportionaliteit;
-   breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van leefbaarheid en veiligheid.

In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.

§ 2.9a   CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN

Toelichting artikel 2.9a.1
Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verleend om, indien de handhaving van de openbare orde dit noodzakelijk maakt, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

De invulling van het begrip ‘openbare plaats’ uit artikel 151c Gemeentewet is ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op grond van die wet omvat het begrip openbare plaats in de meest algemene zin van het woord alle plaatsen waar men komt en gaat. Vereist is in ieder geval dat de plaats ‘openstaat voor het publiek’. Dat wil zeggen dat iedereen vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan, en dat er geen beletselen zijn in de vorm van een meldingsplicht, een eis van voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs (zoals bijvoorbeeld het geval is bij stadions, postkantoren, gemeentehuizen, parkeerterreinen, musea, warenhuizen en ziekenhuizen). Voorts geldt dat het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op vast gebruik.
Aangezien het ongewenst is dat bij parkeerterreinen, als plaatsen die wel voor een ieder toegankelijk zijn, geen cameratoezicht in het kader van de openbare orde mogelijk zou zijn, heeft de raad gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om deze plaatsen aan te wijzen als openbare plaatsen (artikel 2.9a.1 lid 2).
De burgemeester kan besluiten cameratoezicht in te stellen op openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Het moet gaan om plaatsing van vaste camera’s (nagelvast bevestigd).
Er moet sprake zijn van een gebied waarin zich onveilige situaties of met enige regelmaat wanordelijkheden voordoen. Dit zal moeten blijken uit een grondige analyse van de veiligheidssituatie die wordt aangeleverd door de korpschef. Vastgesteld moet worden dat er een evenwichtige verhouding bestaat tussen het doel en het middel (proportionaliteit), en dat het doel van de handhaving van de openbare orde niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Het gebruik van camera’s moet kenbaar zijn voor het publiek.

De aanwijzing van een gebied waar cameratoezicht zal worden ingesteld geschiedt voor een bepaalde duur, die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Doorgaans zal worden gekozen voor het instellen van cameratoezicht voor een periode van twee jaar, waarbij jaarlijks een rapportage wordt opgemaakt. De gemeenteraad wordt over het instellen van cameratoezicht geïnformeerd, evenals over de jaarrapportage en tussentijdse wijzigingen in een cameraproject.

Over het voornemen tot een besluit tot het vaststellen van de periode waarin de geplaatste camera’s daadwerkelijk zullen worden gebruikt en de beelden in elk geval rechtstreeks zullen worden bekeken, voert de burgemeester in het lokale driehoeksoverleg overleg met de officier van justitie. De beelden kunnen namelijk onder voorwaarden worden gebruikt ten behoeve van de opsporing en vervolging van een gepleegd strafbaar feit.
Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaat.

In artikel 151c van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het instellen van cameratoezicht en de uitvoering daarvan beschreven. Nadere bepalingen betreffende de uitvoering van het cameratoezicht (de eisen die worden gesteld aan het camerasysteem, de cameraobservanten en de cameratoezichtcentrale) staan in het Ontwerpbesluit cameratoezicht op openbare plaatsen.


§ 2.10  GEBIEDSONTZEGGINGEN

Toelichting artikel 2.10.1:
Eerste lid
Op grond van het eerste lid van artikel 2.10.1 is de burgemeester bevoegd om een persoon in het belang van:
-  de openbare orde;
-   het voorkomen of beperken van overlast;
-   het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat;
-  de veiligheid van personen en goederen; of
-   de gezondheid of zedelijkheid,
een verbod op te leggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen. Om voor een dergelijk verbod in aanmerking te komen, dient deze persoon strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen te verrichten en tenminste éénmaal gewaarschuwd te zijn door de politie. Een dergelijk verbod wordt een gebiedsontzegging genoemd.

In de beleidsregel gebiedsontzeggingen artikel 2.10.1 APV Rotterdam wordt het beleid ten aanzien van gebiedsontzeggingen vastgelegd. Aangegeven wordt hoe de burgemeester of de door of namens hem gemandateerde ambtenaren van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. In de beleidsregel wordt bepaald welke feiten en openbare orde verstorende handelingen aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging. Dit kunnen zowel overtredingen van de APV als strafbare feiten - zoals bijvoorbeeld opgenomen in het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet - zijn.

Tweede lid
Indien na het opleggen van een gebiedsontzegging van 24 uur opnieuw wordt geconstateerd dat een gedraging plaatsvindt in strijd met de in de gebruiksinstructie genoemde gedragingen, kan een gebiedsontzegging van ten hoogste acht weken opgelegd worden. In de beleidsregel is bepaald dat de duur van een gebiedsontzegging geleidelijk aan tot acht weken wordt opgebouwd.

Derde lid
Aan een persoon kan slechts een tweede of volgende gebiedsontzegging worden opgelegd indien hij zich binnen 6 maanden na het opleggen van een gebiedsontzegging voor een volgende maal schuldig maakt aan een gedraging als genoemd in de beleidsregel.

Vierde lid
Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft om zich in het gebied op te houden, wordt het gebied waarop het verbod van toepassing is dienovereenkomstig aangepast. Doorgaans zal het gaan om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat of hulpverleningsinstanties.


§ 2.11  ZAKKENROLLEN [vervallen]

Toelichting artikel 2.11.1: [vervallen]
Van dit – in 2004 ingevoerde artikel – is vrijwel nooit gebruik gemaakt. Vandaar dat dit artikel in 2008 is geschrapt.
§ 2.12   STADIONOMGEVINGSVERBODEN
 
Algemene toelichting § 2.12:
Voetbalwedstrijden en evenementen in stadions gaan soms gepaard met verstoringen van de openbare orde. Ter voorkoming en bestrijding van deze openbare ordeverstoringen worden al enige tijd door de stadions privaatrechtelijke stadionverboden opgelegd aan personen die de orde in het stadion verstoren. Personen met een privaatrechtelijk stadionverbod mogen niet in het stadion komen.

In dit artikel gaat het om de bestuursrechtelijke stadionomgevingsverboden. Hiermee wordt het onder andere aan voetbalsupporters, die zich schuldig hebben gemaakt aan openbare orde verstorend gedrag, verboden zich rond het stadion te begeven in geval er een evenement of voetbalwedstrijd in het stadion plaatsvindt . Deze stadionomgevingsverboden zijn noodzakelijk omdat een groot deel van de ordeverstoringen zich niet alleen in maar ook rondom en in de omgeving van het stadion voordoen.

Toelichting artikel 2.12.1: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in Hoofdstuk 1 opgenomen.

Toelichting artikel 2.12.2:
Eerste lid
De burgemeester kan aan personen waarvan is komen vast te staan dat deze tijdens evenementen of voetbalwedstrijden de openbare orde verstoren in de omgeving van het Feyenoordstadion “de Kuip”, het Spartastadion “het Kasteel” of het Excelsiorstadion “Woudestein”, een stadionomgevingsverbod opleggen. Tevens kan een stadionomgevingsverbod worden opgelegd aan personen aan wie reeds een privaatrechtelijk stadionverbod is opgelegd.
Het stadionomgevingsverbod geldt gedurende een tijdvak van vier uur voor de vastgestelde aanvangstijden tot vier uur na afloop van de evenementen en voetbalwedstrijden. In de gebruiksinstructie ‘stadionomgevingsverboden’ wordt het beleid ten aanzien van stadionomgevingsverboden nader vastgelegd.

Tweede lid
In het tweede lid van artikel 2.12.2 is bepaald dat het stadionomgevingsverbod geldt gedurende een bepaalde periode welke niet langer is dan twee jaar.

Derde lid
In het besluit zal precies worden aangegeven voor welk gebied het verbod geldt. Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft om zich in het gebied op te houden, wordt het gebied waarop het verbod van toepassing is dienovereenkomstig aangepast. Doorgaans zal het gaan om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat of hulpverleningsinstanties.

HOOFDSTUK 3  PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS

§ 3.1    STRAAT- EN RAAMPROSTITUTIE

Toelichting artikel 3.1.1:
Artikel 3.1.1. bevat regels inzake de straat- en raamprostitutie. Voorheen verbood dit artikel het tippelen, met uitzondering van het tippelen op een door het college aangewezen gebied (te weten de zone aan de Keileweg). Dat artikel werd later uitgebreid met een vergunningstelsel voor de prostituees die werkzaam waren op deze tippelzone (de leden twee tot en met acht). Deze vergunningplicht had tot doel de toegang voor prostituees tot de zone nader te reguleren. Deze regulatie diende bij te dragen aan de veiligheid van de prostituees, de bestrijding van de overlast op en rondom de zone, een beter inzicht in de populatie en het daarop af te stemmen gericht hulp- en zorgverleningsaanbod en het tegengaan van nieuwe aanwas.
Op 14 september 2005 is de zone aan de Keileweg echter gesloten. Ten behoeve van de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat van de directe omgeving, alsmede de bescherming van de zedelijkheid en de (geestelijke) volksgezondheid is het wenselijk dat geen andere tippelzones in Rotterdam meer kunnen worden aangewezen. Als gevolg hiervan zijn de leden twee tot en met acht van artikel 3.1.1 na sluiting van de tippelzone aan de Keileweg komen te vervallen. Hierdoor is het tippelen in heel de gemeente Rotterdam verboden.

Onderdeel a bevat de omschrijving van straatprostitutie (tippelen). De redactie van deze bepaling is zó gekozen, dat niet alleen de prostituee, maar ook de klant strafbaar is bij het zoeken naar seksueel contact. Het eerste lid van dit artikel betreft het verbod op gedragingen waarmee iemand - in het openbaar (winkels daaronder begrepen) - tot prostitutie kan worden uitgenodigd of uitgelokt, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking ingaat. Met de onderhavige bepaling kan ook worden opgetreden tegen raamprostitutie.

In onderdeel b wordt het verrichten van ontuchtige handelingen in het kader van prostitutie strafbaar gesteld. Het verrichten van deze ontuchtige handelingen wordt in algemene zin verboden, waarbij het er niet toe doet of deze handelingen in de open lucht, dan wel in voertuigen plaatsvinden.


§ 2.2     KANSSPELEN

Algemene toelichting § 3.2:
De voornaamste wijzigingen in de artikelen zijn het gevolg van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet milieubeheer, de wijziging van titel Va van de Wet op de kansspelen en de vaststelling van het Speelautomatenbesluit 2000. Wijzigingen dienaangaande zijn aangebracht in de bepalingen ten aanzien van speelautomatenhallen.

Het oude artikel 30 van de Wet op de kansspelen is vervangen door titel Va (artikelen 30 tot en met 30aa) van de Wet op de kansspelen. Titel Va van de Wet op de kansspelen regelt tot in de finesses het systeem van toelatings-, exploitatie- en aanwezigheidsvergunningen waardoor het legaal exploiteren van kansspelautomaten mogelijk wordt gemaakt. Grote lokale verschillen in het beleid laat de wettelijke regeling niet toe. In één opzicht wordt de gemeentelijke overheid een aanmerkelijke beleidsruimte gelaten. De raad heeft ingevolge de regeling de bevoegdheid bij verordening de exploitatie van speelautomatenhallen te regelen.
Voor de exploitatie, dat wil zeggen het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten, is een door de minister af te geven exploitatievergunning vereist ingevolge artikel 30h, eerste lid, van de Wet op de kansspelen.
Voor de opstelling van speelautomaten in bij de wet, artikel 30c, eerste lid, Wet op de kansspelen aangewezen inrichtingen is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester. De wet geeft een limitatief aantal plaatsen waar, op basis van een aanwezigheidsvergunning van de burgemeester, speelautomaten mogen worden opgesteld. Deze plaatsen zijn:
-     horecabedrijven, waar alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt (artikel 30c eerste lid, onder a, Wet op de kansspelen juncto artikel 3, eerste lid, onder a en c, Drank- en Horecawet);
-   inrichtingen waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het bedrijfschap Horeca (artikel 30c, eerste lid, onder b, Wet op de kansspelen);
-   een speelautomatenhal (artikel 30c, eerste lid, onder c, Wet op de kansspelen).

De wijzigingen in de Wet op de kansspelen en de vaststelling van het Speelautomatenbesluit 2000 hebben tot een wijziging in de regelgeving en van het beleid in Rotterdam geleid. Deze veranderingen zijn beschreven in de nota Speelautomatenbeleid Rotterdam 2000.
Voor de wetswijziging hanteerde de gemeente Rotterdam het 1-1-0 beleid. Dit beleid kwam erop neer dat één kansspelautomaat in hoogdrempelige inrichtingen, één in laagdrempelige inrichtingen en nul in club- en buurthuizen werden toegestaan. De wetswijziging dwong een einde af van dit 1-1-0 beleid.
Met betrekking tot kansspelautomaten schrijft de Wet op de kansspelen voor dat dit er 2 voor hoog- en 0 voor laagdrempelige instellingen zijn. Wel heeft de gemeente beleidsruimte om het aantal toe te laten behendigheidsautomaten in een inrichting te bepalen. In de voornoemde nota is ervoor gekozen om het maximum aantal speelautomaten per inrichting ongewijzigd op drie te houden. In hoogdrempelige inrichtingen is naast de twee kansspelautomaten dus nog ruimte voor één behendigheidsautomataat. In laagdrempelige instellingen zijn drie behendigheidsautomaten toegestaan.
Ten aanzien van speelautomatenhallen voert de gemeente Rotterdam een terughoudend beleid. Er worden maximaal 12 speelautomatenhallen in Rotterdam toegelaten. Per inrichting is het totale aantal speelautomaten bepaald waarin tevens het aantal kansspelautomaten aan een maximum is gebonden.

Toelichting artikel 3.2.1: [vervallen]
De inhoud van artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.

Toelichting artikel 3.2.1a:
Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de speelautomaten in werking getreden. De wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de artikelen. Inmiddels heeft het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een aantal uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen een interpretatie wordt gegeven. Het gaat hierbij vooral over de begrippen ‘inrichting’ en ‘horecalokaliteit’ en de gevolgen voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen.
Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting op een wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te worden of er sprake is van een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Over wat wordt beschouwd als een zelfstandige activiteit is veel jurisprudentie. Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren. Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval bekeken moeten worden, gerelateerd aan de jurisprudentie.

Voor samengestelde inrichtingen geldt het volgende: Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, dient te worden bekeken of de laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg bereikt kunnen worden via de horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan is de horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan kansspelautomaten te plaatsen.

In artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen is bepaald dat een inrichting laagdrempelig is indien deze niet hoogdrempelig is.
De wet stelt verplicht, in artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, dat bij gemeentelijke verordening wordt aangegeven hoeveel speelautomaten kunnen worden opgesteld in horeca-inrichtingen. Met betrekking tot kansspelautomaten schrijft de Wet op de kansspelen voor dat dit er twee voor hoog- en nul voor laagdrempelige instellingen zijn.
In de hoogdrempelige inrichtingen mogen in Rotterdam drie speelautomaten worden opgesteld waarvan maximaal twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen mogen in Rotterdam eveneens drie speelautomaten worden opgesteld. Hieronder mogen geen kansspelautomaten zijn maar uitsluitend behendigheidsautomaten.

Toelichting artikel 3.2.1d: [vervallen]

Toelichting artikel 3.2.2:
De burgemeester kan volgens de Wet op de kansspelen slechts een vergunning voor de exploitatie van een speelautomatenhal afgeven indien daartoe door de raad een verordening is vastgesteld. Bij de vaststelling van de verordening kan de raad niet concreet benoemen voor welke panden een vergunning kan worden verleend. Dit is een exclusieve bevoegdheid van de burgemeester. De APV van Rotterdam biedt ruimte voor twaalf speelautomatenhallen. Hiervan zijn er elf ingevuld, slechts de locatie “Waterwegcentrum” in Hoek van Holland staat nog open.

In het tweede lid wordt het stringente beleid vorm gegeven. In een bij deze bepaling behorende bijlage worden limitatief de ondernemingsnamen opgesomd waarvoor maximaal één vergunning kan worden verleend.
Voorheen werden in de bijlage de locaties van de speelautomatenhallen genoemd. Deze is vervangen door een opsomming van de ondernemingsnamen. Hiermee behoeft niet meer bij elke, eenvoudige verhuisbeweging de APV te worden gewijzigd. Tevens is nu het maximale aantal kansspelautomaten per inrichting opgenomen. Voorheen werd een minimum aan behendigheidsautomaten genoemd om tot hetzelfde doel te komen.
In artikel 3.2.2, tweede en derde lid, is uitdrukking gegeven aan het voorschrift zoals dat in artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen is gegeven. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, een vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:
a.   voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;
b.   voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt gesteld.

Het overtreden van artikel 3.2.2. wordt ingevolge artikel 6.1 gestraft met hechtenis ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Toelichting artikel 3.2.3:
De ondernemer kan tevens eigenaar en beheerder zijn, maar het is ook mogelijk dat die hoedanigheden niet samenvallen. De bescheiden die moeten worden overgelegd zijn afhankelijk van de concrete situatie die zich voordoet. De onder c bedoelde verklaring kan bijvoorbeeld een huurcontract zijn, waaruit de beschikkingsbevoegdheid blijkt.
In de nota Speelautomatenbeleid Rotterdam 2000 is aangekondigd dat zedelijkheidseisen en kennis omtrent gokverslaving mee gaan wegen bij de vergunningverlening. Hieraan is uitdrukking gegeven onder d en e.
Onder d wordt aangeknoopt bij artikel van het 4 Speelautomatenbesluit 2000. De vergunning voor een speelautomatenhal wordt niet verleend aan degene die van niet voldoet aan de daar opgenomen zedelijkheidseisen.
Onder e wordt gedoeld op het in artikel 5 van het Speelautomatenbesluit 2000, waaruit blijkt dat zij beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico's van gokverslavingkennis.
Op het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor de exploitatie van een speelautomatenhal zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Een aanvraag voor een vergunning dient schriftelijk te worden ingediend bij de burgemeester. De aanvraag moet worden ondertekend en tenminste de naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de gevraagde beslissing bevatten. Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan van alle gegevens die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Het college kan nadere regels stellen omtrent deze gegevens.
De vergunning wordt op naam gesteld van de ondernemer en is daarmee niet overdraagbaar.

Toelichting artikel 3.2.4: [vervallen]

Toelichting artikel 3.2.5:
Het is voor de burgemeester en voor de toezichthoudende (politie-)ambtenaren niet alleen belangrijk om steeds te weten wie de ondernemer is, maar ook wie de (dagelijks aanspreekbare) beheerder is. Vandaar dat in artikel 3.2.5 is bepaald, dat de ondernemer bij wijziging van de beheerdersfunctie een nieuwe vergunning moet aanvragen. De burgemeester kan zich dan een oordeel vormen over de persoon van de beheerder. Aan de persoon van de beheerder dienen kwaliteitseisen te worden gesteld voor wat betreft hun levenswandel. Ook dienen zij te beschikken over het nodige "gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In die zin begrepen mag de klant geen koning zijn. Ondernemers van inrichtingen, waarvan de beheerder in gebreke blijft, lopen het ernstige risico, dat hun vergunning door de burgemeester wordt ingetrokken (vgl. artikel 3.2.9).
Indien een ondernemer de beheerder verliest, hetzij door overlijden, hetzij door vertrek, behoeft de ondernemer de bedrijfsuitoefening niet te staken, indien binnen de aangegeven termijn van acht weken een nieuwe vergunning wordt aangevraagd. Het vervallen van de bestaande vergunning van rechtswege betekent dat belanghebbenden hiertegen geen bezwaar of beroep kunnen aantekenen, aangezien van een beschikking geen sprake is.

Toelichting artikel 3.2.6:
De bepaling heeft ten doel om automatische voortzetting van exploitatie van een hal te voorkomen. Bij tussentijds "openvallen" van de exploitatie dient te kunnen worden bepaald in hoeverre voor de betreffende locatie opnieuw vergunning kan/zal worden verleend. Daartoe moet eerst worden overwogen of handhaving van de locatie gewenst is.
 
Toelichting artikel 3.2.7:
Met de introductie van de meerspelers kan de burgemeester op grond van het bepaalde onder c ook het maximaal aantal spelersplaatsen bepalen.
 
Toelichting artikel 3.2.8:
Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, levert een weigeringsgrond op, omdat in artikel 3.2.2 een maximumstelsel is opgenomen. Het vereiste onder b dient om een speelautomatenhal duidelijk vanaf de openbare weg voor een ieder herkenbaar te maken. Tevens is het bedoeld om te voorkomen dat in een achteraflokaal van een gebouw - waar bij voorbeeld een horecabedrijf wordt uigeoefend - een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal mede of uitsluitend via het andere bedrijf bereikbaar zou zijn. Verwezen wordt nog naar de toegangseisen die in artikel 21 van het Speelautomatenbesluit 2000 zijn gesteld, wanneer in een hal zowel kansspel- als behendigheidsautomaten aanwezig zijn. Het criterium openbare orde is niet opgenomen in de APV met betrekking tot de exploitatie van speelautomatenhallen, aangezien de Wet op de kansspelen dit criterium reeds in verband met de weigeringsgronden voor een aanwezigheidsvergunning van speelautomaten noemt.
De strekking van dit artikel is het afwenden van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de leef- en woonsituatie in de naast omgeving van de hal.
De jurisprudentie op artikel 30 (oud) en 30c van de Wet op de kansspelen geeft aan, dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een speelautomatenhal acht mag worden geslagen op de mogelijke gevolgen voor het woon-, winkel- en leefklimaat. In het bepaalde onder e komt tot uiting dat de vergunning dient te worden geweigerd, wanneer gevreesd moet worden dat de woon- en leefsituatie door de vestiging van een hal nadelig zal worden beïnvloed. Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter van de straat en van de wijk/buurt waarin de speelautomatenhal is gelegen of zal komen te liggen. In de beoordeling van de aanvrage wordt de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan betrokken. Het is ook mogelijk om een vergunning te weigeren, wanneer er sprake is van een aantasten van het karakter van een (deel van een) winkelstraat/-buurt/-centrum. Dit kan bij voorbeeld het geval zijn in een winkelstraat met winkels van een "exclusief" karakter. Door de vestiging van een speelautomaat zal er sprake (kunnen) zijn van een ontoelaatbaar spanningsveld, waardoor een te grote inbreuk mag worden gevreesd op de bestaande functie van de winkelstraat.
Daarnaast worden speelautomatenhallen conflicterend geacht met onderwijs- en sociaal-culturele activiteiten (onder f). Onder g is als weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd met een geldend bestemmingsplan. In dit verband dient gewezen te worden op de mogelijkheden van vrijstelling of ontheffing die het bestemmingsplan nogal eens biedt, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening en artikel 50, achtste lid, van de Woningwet. Deze mogelijkheden beperken de burgemeester niet in de weigeringsmogelijkheid, maar het lijkt een zaak van behoorlijk bestuur om, voordat tot weigering van de vergunning wordt overgegaan, de mogelijkheden van ontheffing, vrijstelling of anticipatie in overweging te nemen. Voor toepassing van deze bepaling wordt handelen op grond van een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan beschouwd als handelen in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Doel van dit lid is de koppeling van de vereiste vergunning met het planologisch regime. Vereist is niet dat de locatie waar vergunning voor wordt gevraagd, in het bestemmingsplan nadrukkelijk is aangewezen als speelautomatenhal; het gaat er "slechts" om, dat een bestemmingsplan de vestiging van een hal niet onmogelijk maakt. Op deze wijze wordt voorkomen dat op basis van deze verordening een vergunning moet worden verleend, terwijl later op grond van strijd met het bestemmingsplan tegen de vestiging moet worden opgetreden.

Toelichting artikel 3.2.9:
De in deze bepaling genoemde gronden voor intrekking van een vergunning komen in hoofdzaak overeen met de intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen als bedoeld in artikel 2.3.2; zie in dit verband (de toelichting bij) artikel 2.3.6.
Met betrekking tot de onder a genoemde intrekkingsgrond (intrekking in verband met gewijzigde omstandigheden of inzichten) zij opgemerkt dat bij gebruikmaking daarvan de motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het betreft immers omstandigheden waarop de betrokken ondernemer doorgaans geen invloed kan uitoefenen. Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële consequenties.
Met betrekking tot het onder b gestelde geldt dat een onderbreking van de exploitatie voor een periode langer dan in de bepaling genoemd, niet in alle gevallen aanleiding hoeft te geven om de vergunning in te trekken. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan verbouwingen die langere tijd blijken te vergen.

Toelichting artikel 3.2.10: [vervallen]

Toelichting artikel 3.2.11:
Deze bepaling kan worden gehanteerd in het kader van een beleid om verloedering van de openbare ruimte tegen te gaan. Het gaat hierbij om gokken op de openbare weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen (bijv. ook het "balletje-balletjespel"). Er is een duidelijke relatie tussen deze bepaling en bepalingen als artikel 3.3.3 (verzameling van personen in verband met drugs), artikel 2.4.4 (hinderlijk gedrag op of aan de weg), artikel 2.4.5 (hinderlijk drankgebruik), artikel 2.4.6 (Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in voor publiek toegankelijke ruimten).

Toelichting artikel 3.2.12:
Het motief van de bepaling is de handhaving van de openbare orde en bescherming van de woon- en leefomgeving. Indien door of vanuit gokpanden overlast wordt veroorzaakt of anderszins de openbare orde wordt aangetast, is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van dergelijke panden over te gaan. Illegale casino's e.d. kunnen met behulp van artikel 3.2.12 effectief worden bestreden. Het gaat dan in de meeste gevallen om de organisatie van kansspelen zonder toestemming op grond van de Wet op de kansspelen. Indien - zoals in het verleden in Rotterdam wel het geval was - buitenstaanders openlijk worden uitgenodigd om hieraan (aan het plegen van strafbare feiten) mee te doen, staat vast, dat zonder meer sprake is van aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan).
Bij de toepassing van deze bepaling ligt intensieve samenwerking tussen burgemeester en openbaar ministerie voor de hand.
Gokpanden, die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen op basis van de APV niet worden gesloten. Daarom zijn in artikel 3.2.12 "woningen" uitgezonderd.
§ 3.3     DRUGS

Algemene toelichting § 3.3:
Vanuit de openbare orde optiek gezien draagt het gebruik van met name hard drugs en de daarbij behorende randverschijnselen in aanzienlijke mate bij aan de ongewenste verloedering van de stad. Helaas is groepsvorming van gebruikers en handelaren een permanent, maar overigens in frequentie, ernst en omvang variërend verschijnsel op de openbare weg geworden. Met name de drugsproblematiek rond het Rotterdamse Centraal Station ("perron-nul") heeft in het gehele land de aandacht getrokken. Maar ook elders in de stad wordt op wisselende plekken soms ernstige overlast ondervonden van druggebruikers en handelaren in drugs.
Groepsvorming van drugsgebruikers en -handelaren behoeft op zich geen acuut gevaar op te leveren voor de woon- en leefomgeving en voor voorbijgangers. Zeker is wel dat deze groepsvorming bij passanten sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid, en dus overlast oproept. Voor het gemeentebestuur is er dan de taak iets te doen aan de overlastgevende aspecten van gebruik van en handel in drugs.
Daartoe is in deze APV een aantal bepalingen - specifiek gericht op deze problematiek - opgenomen. De hier bedoelde bepalingen vormen een aanvulling op andere bepalingen in deze APV inzake hinderlijk gedrag op of aan de openbare weg, welke bepalingen evenzeer kunnen worden gehanteerd in het kader van een beleid, gericht op het voorkomen en bestrijden van drugsoverlast. Met name worden genoemd:
a.  artikel 2.1.1: samenscholing en ongeregeldheden;
b.  artikel 2.4.4: hinderlijk gedrag op of aan de weg;
c.  artikel 2.4.5: hinderlijk drankgebruik;
d.   artikel 2.4.6: hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in voor publiek toegankelijke ruimten;
e.  artikel 2.4.8: messenverbod.

Naast het drugsgebruik op of aan de openbare weg is er nog steeds het verschijnsel, dat met name hard drugs in bepaalde panden - vaak midden in woonwijken - worden gebruikt of verhandeld (drugspanden). Met name in de oude wijken wordt hiervan veel overlast ondervonden. De politie pakt dan ook regelmatig drugspanden aan. De burgemeester heeft - met gebruikmaking van het in 1997 ingevoerde artikel 174a van de Gemeentewet (“Wet Victoria”) vele drugspanden bij wijze van bestuurlijke handhavingsmaatregel gesloten.

Toelichting artikel 3.3.1: [vervallen]
Dit artikel is komen te vervallen in verband met de invoering van artikel 13b Opiumwet.

Toelichting artikel 3.3.2:
In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft. Artikel 3.3.2 beoogt een instrument te bieden in de strijd tegen de overlast, welke wordt veroorzaakt door het op geregelde tijdstippen en op bepaalde plaatsen of routes aanbieden en aannemen van verdovende middelen, met name hard drugs. In artikel 3.3.2 zijn zowel de aanbieders als de "aannemers" en "bemiddelaars" (drugrunners) strafbaar. Verder is artikel 3.3.2 zó geredigeerd, dat het er niet toe doet, of privaatrechtelijk sprake is van koop of verkoop, schenking e.d. De vraag rijst waaruit het 'kennelijke doel' kan blijken. Dat dient te blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers etc.

De oude tekst van artikel 3.3.2 bevatte in twee opzichten een onnodige beperking, die een adequate handhaving in de weg stond. In de eerste plaats was artikel 3.3.2 alleen van toepassing op het afleveren, aanbieden en aannemen van verdovende middelen "binnen de bebouwde kom". Deze beperking is geschrapt, zodat het artikel ook van toepassing is buiten de bebouwde kom. In de tweede plaats werd in artikel 3.3.2 strafbaar gesteld het zich op of aan openbare wegen binnen de bebouwde kom "in een auto" bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om verdovende middelen af te leveren, aan te bieden of aan te nemen. In de praktijk maken handelaren in drugs en hun medewerkers ook gebruik van andere voertuigen dan auto's. Daarom is de zinsnede "in een auto" vervangen door de zinsnede "in of op een voertuig".
Daarnaast is de zinsnede "indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt" vervangen door "met het kennelijke doel". Uit jurisprudentie was gebleken dat de oude formulering teveel deed denken aan 'verdenken'. Daardoor zou iemand al strafbaar zijn als de politie hem of haar verdenkt van verkoop van drugs. De nieuwe formulering komt aan dit bezwaar tegemoet.

Toelichting artikel 3.3.3:
Met behulp van artikel 3.3.3 kan worden opgetreden om de stad vrij te maken van het zogenaamde drugstoerisme. Dit "toerisme" geschiedt veelal groepsgewijs. Desondanks kan niet echt worden gesproken van een "samenscholing" als bedoeld in artikel 2.1.1 van deze verordening. Daarom is voor deze vorm van overlast - evenals in Amsterdam - een speciale bepaling geredigeerd. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing, indien de verzameling van personen geen verband houdt met drugs. De politie zal dat in het concrete geval moeten beoordelen op basis van ervaring en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers etc.

Toelichting artikel 3.3.4:
Vele druggebruikers gebruiken hun (hard) drugs - of treffen daartoe voorbereidingen - in het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het publiek. Op basis van artikel 3.3.4 kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken gebruikers of deze van bepaalde - bij hen favoriete - plekken wegsturen. Ook kan de politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs) strafrechtelijk in beslag nemen.
In het kader van de hulpverlening komt het voor, dat ook "veldwerkers" van de GGD of van andere hulpverlenende instanties op de weg in het bezit zijn van voorwerpen of stoffen, die worden gehanteerd bij drugsgebruik. Deze veldwerkers vallen desondanks niet onder deze strafbepaling, omdat zij deze voorwerpen of stoffen "ambtshalve" bij zich hebben en daarmee geen overlast veroorzaken. Het in artikel 3.3.4 gestelde verbod is in beginsel gerelateerd aan het (openlijk) gebruik van drugs en richt zich dus tot de druggebruikers.

Toelichting artikel 3.3.5:
Artikel 3.3.5 verbiedt het zich ontdoen van attributen die bij gebruik van (hard) drugs worden gehanteerd. Aangezien deze attributen in deze tijd veelal gevaarvolle objecten zijn (m.n. injectiespuiten i.r.m. AIDS) is een algemeen verbod gesteld om deze op of aan de openbare weg achter te laten. Ook het weggooien van deze attributen in afvalbakken is op grond van artikel 3.3.5 niet toegestaan vanwege de risico's voor mensen die in afvalbakken graaien of deze ambtshalve moeten legen. Spuiten e.d. dienen aan het "eigen zorgkader" te worden toevertrouwd (medische diensten e.d.).

§ 3.4     VERBLIJFSONTZEGGINGEN [vervallen]


TOELICHTING HOOFDSTUK 4   BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

§ 4.1     GELUID- EN LICHTHINDER

Algemene toelichting § 4.1:
Naast een zogenaamde "kapstokbepaling" inzake geluidhinder (artikel 4.1.5) bevat paragraaf 1 een aantal bepalingen die voortvloeien uit het op de Wet milieubeheer gebaseerde Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), dat op 1 januari 2008 in werking is getreden. Onder dit Besluit valt naast de “stille” horeca zowel de discotheken als recreatie-inrichtingen (theaters, bioscopen, gokhallen, vakantie- en pretparken) en sportinrichtingen (tennisparken, voetbalterreinen, zwembaden enz.).
Alle inrichtingen die onder het Besluit vallen moeten voldoen aan de bij het Besluit gestelde voorschriften. De voorschriften met betrekking tot geluid- en trillinghinder zijn zo stringent, dat deze zeker overtreden zullen worden wanneer in een inrichting incidenteel een feest wordt gehouden met bijvoorbeeld levende muziek. Gezien de maatschappelijke functie die de onder het Besluit vallende inrichtingen vervullen, biedt het Besluit de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de voorschriften die zien op de geluid- en trillinghinder. De bedrijven waarvoor geluid een belangrijk item is en die vooral gebruik zullen willen maken van deze regeling zijn de horeca, discotheken en sociaal-culturele voorzieningen. Op grond van artikel 2.21 van het Besluit kan de gemeenteraad in een verordening vaststellen dat gedurende een bepaalde periode de geluidsvoorschriften van het besluit niet gelden. Voorts biedt het Besluit in artikel 4.113, eerste lid, ook de mogelijkheid om bij of krachtens een verordening vast te stellen dat gedurende een bepaalde periode het artikel over lichthinder in het Besluit niet geldt.

Het Besluit maakt voor wat betreft de afwijking van de stringente geluid- en lichtvoorschriften onderscheid tussen "collectieve festiviteiten", zoals Koninginnedag, carnaval, kermis, en culturele, sportieve of recreatieve manifestaties, en "incidentele festiviteiten", die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden zijn, zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest.

Het Besluit laat het aan de gemeente over te bepalen welke "collectieve festiviteiten" in aanmerking komen voor een afwijking van de geluidsvoorschriften. Er geldt geen maximum voor het aantal collectieve festiviteiten per jaar. Ook voor sportinrichtingen geldt geen maximum aantal dagen dat afgeweken kan worden van het lichtvoorschrift. De gemeente dient rekening te houden met de lokale omstandigheden en zal zelf een inschatting moeten maken van de overlast. In Rotterdam geldt een maximum van zeven collectieve festiviteiten per jaar.

In het Besluit is bepaald dat het aantal "incidentele festiviteiten" niet méér mag bedragen dan 12 per jaar. Ook hier geldt dat de gemeente moet beoordelen hoeveel overlast de omgeving toelaat (cumulatieve effect van incidentele festiviteiten). In Rotterdam geldt een maximum van tien incidentele festiviteiten per jaar. Uiteraard zal de gemeente de concrete overlastsituatie per kennisgeving kunnen beoordelen.

Toelichting artikel 4.1.1: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in Hoofdstuk 1 opgenomen.

Toelichting artikel 4.1.2:
In dit artikel is de uitvoering van de regeling opgedragen aan het college. Er behoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Jaarlijks zal het college - in samenspraak met de plaatselijke horeca - vaststellen op welke data de betreffende voorschriften niet van toepassing zijn. Om ruimte te bieden voor het toestaan van onverwachtse collectieve festiviteiten verdient het aanbeveling, dat niet op voorhand het maximale aantal van zeven dagen wordt aangewezen.
Het voorschrift genoemd in het tweede lid is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een "collectieve festiviteit" in het licht van het tweede lid is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks - in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen - vaststelt op welke data de betreffende voorschriften niet van toepassing zijn.
 
Toelichting artikel 4.1.3:
Artikel 4.1.3 maakt het mogelijk dat tien keer per jaar voor het organiseren van een incidentele festiviteit vrijstelling kan worden gekregen van het Besluit. Een voorbeeld van een "incidentele festiviteit" in het licht van het tweede lid is een veteranentoernooi of een "vroege-vogels-toernooi".
Het college dient altijd op de hoogte te worden gesteld van een te organiseren incidentele festiviteit. Dit dient te gebeuren door middel van een kennisgeving en conform de procedure zoals op het door het college vastgestelde formulier, wordt aangegeven. Indien de kennisgeving niet op de juiste wijze geschiedt, dan mag er geen gebruik worden gemaakt van de vrijstelling. Voorheen diende de kennisgeving twee weken van tevoren te worden gedaan. Dit zorgde voor weinig mogelijkheden tot spontaniteit, terwijl hier wel vraag naar was. Vooral vanuit de horeca was die vraag groot. Daarom is een en ander aangepast en dient de kennisgeving voortaan vóór aanvang en op de dag van de incidentele festiviteit te worden gedaan doch uiterlijk voor tien uur ’s avonds. Omdat een vrijstelling van de geluid- en lichtvoorschriften in de regel samengaat met een vrijstelling van de openings- en sluitingstijden voor horeca-inrichtingen is een koppeling gemaakt tussen artikel 4.1.3 en artikel 2.3.9, zesde lid. Een vrijstelling van de geluid- en lichtvoorschriften gaat dus altijd gepaard met een vrijstelling van de openings- en sluitingstijden als bedoeld in artikel 2.3.9, zesde lid.

Voor festiviteiten op het terras is altijd een evenementenvergunning nodig. Daarnaast moet er altijd een kennisgeving worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het Besluit te krijgen. In de evenementenvergunning kan door de burgemeester op grond van de Nadere regels geluidsvoorschriften voor openbare inrichtingen worden gesteld.

Toelichting artikel 4.1.3a:
Het niet behoeven te voldoen aan de geluidvoorschriften uit het Besluit betekent voor de exploitanten van inrichtingen overigens geen vrijbrief om 'onbeperkt (geluid)hinder' te veroorzaken bij festiviteiten. Op grond van artikel 2.21, tweede lid, van het Besluit kunnen bij of krachtens gemeentelijke verordening nadere regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij festiviteiten. Hierbij valt te denken aan het invoeren van een geluidsnorm of de verplichting om bepaalde maatregelen te treffen. Artikel 4.1.3a maakt het mogelijk dat het college deze nadere regels kan stellen.

Toelichting artikel 4.1.4:
Indien de burgemeester van oordeel is, dat een bepaalde (aangemelde) incidentele festiviteit of het toestaan van toekomstige incidentele festiviteiten in het concrete geval ongewenste cumulatie van hinder en overlast met zich mee kan brengen, kan hij het organiseren van die festiviteit en toekomstige festiviteiten verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen.

Toelichting artikel 4.1.5:
Artikel 4.1.5 is een "kapstokbepaling" voor het bestrijden van geluidhinder in gevallen die niet onder een andere regeling te vangen zijn. Aan een dergelijk 'vangnet'-artikel blijft behoefte bestaan. Het artikel is met name van belang om de niet-inrichtinggebonden (veelal incidentele) activiteiten aan een ontheffingenstelsel te binden.

Artikel 4.1.5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de in het derde lid genoemde andere wetten niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:
-   een niet permanente activiteit, in een niet-besloten ruimte, zoals een kermis, een braderie, een rally, een straatfeest, enz.;
-   het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;
-   het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;
-   het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;
-   het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;
-   het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz;
-  overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat;
-   geluidhinder door voer- of vaartuigen.

Voorts kunnen onder artikel 4.1.5 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van 'lawaaiige' hobby's, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.
Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.
In het derde lid van artikel 4.1.5 is een uitzondering gemaakt van het verbod voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Dit houdt onder andere in dat het verbod van dit artikel niet geldt voor zover de activiteiten bedrijfsmatig worden ondernomen, dan wel worden ondernomen in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Artikel 4.1.5 biedt derhalve slechts mogelijkheden ten aanzien van hobbymatige activiteiten. Deze mogen echter weer niet dusdanige omvang hebben aangenomen dat zij alsnog onder de Wet milieubeheer vallen. Te denken valt dan aan beunhazerij of een uit de hand gelopen hobby.

Zoals aangegeven verbiedt dit artikel ook het zich ‘(geluid)hinderlijk’ gedragen met een voertuig of vaartuig. ‘Gedragen’ betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor of het veroorzaken van geluidhinder door geluidsapparatuur in voertuigen. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet 1994; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden. Naar de mening van de Minister van Verkeer en Waterstaat biedt de Wegenverkeerswet 1994 vooralsnog geen mogelijkheden om verkeersmaatregelen te nemen uit het oogpunt van beperking van geluidhinder. Op dit ogenblik is een wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in voorbereiding, die deze mogelijkheden wellicht wel zal bieden. Aangezien nog niet duidelijk is wanneer deze wijziging van kracht wordt, is voorlopig deze bepaling opgenomen.

Toelichting artikel 4.1.5a: [vervallen]
Dit artikel is in artikel 4.1.5 opgenomen.

Toelichting artikel 4.1.5b:
Artikel 2.18 eerste lid, onder f, van het Besluit geeft aan dat bij het bepalen van de geluidsniveaus van inrichtingen het ten gehore brengen van onversterkte muziek buiten beschouwing gelaten moet worden. In artikel 2.18, vijfde lid, van het Besluit wordt nader gespecificeerd dat bij gemeentelijke verordening ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het ten gehore brengen van onversterkte muziek.
De achterliggende gedachte van deze voorschriften uit het Besluit is dat het mogelijk moet zijn voor muziekgezelschappen die onversterkt geluid produceren (zoals harmonie-orkesten, brassbands, fanfares, etc.) om in een wijkgebouw, buurtcentrum of horeca-inrichting te kunnen oefenen. De geluidsnormen uit het Besluit zijn echter zo strikt dat deze activiteiten meestal niet zonder meer in dergelijke gebouwen plaats kunnen vinden.
Om te voorkomen dat muziekgroepen tot laat in de nacht niet aan de geluidsnormen hoeven te voldoen, bepaalt artikel 4.1.5b dat voor de nachtperiode (van 23 - 7 uur) onversterkte muziek wel wordt beschouwd bij de bepaling van geluidsniveaus. Hierdoor wordt tevens voorkomen dat handhaving van de geluidsnormen onmogelijk wordt bij mengvormen van versterkte en onversterkte muziek.
§ 4.2   AFVALSTOFFEN [vervallen]
Deze paragraaf is in de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2008 opgenomen.






 



§ 4.3  BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING

Algemene toelichting § 4.3:
In deze paragraaf is een aantal algemene bepalingen opgenomen, waarmee wordt beoogd de vervuiling van de stad en de daardoor veroorzaakte verloedering van de woon- en leefomgeving tegen te gaan. Het gaat hierbij vooral om gedragingen van burgers inzake het milieu, waaromtrent in bijzondere wetten als bijvoorbeeld de Wet op de bodembescherming, de Wet milieubeheer en de Wet chemische afvalstoffen of de op deze wetten gebaseerde voorschriften of gemeentelijke verordeningen, dan wel in deze verordening geen bijzondere regels zijn gesteld. De achtergrond van deze gedragingen is veelal gelegen in vormen van onachtzaamheid, onzorgvuldigheid bij de burgerij. De sterk verminderde sociale verbanden in wijken en de daarmee samenhangende afgenomen sociale controle, leiden tot een toenemende onverschilligheid jegens de eigen woon- en leefomgeving. Vervuiling van "het eigen nest" is daarvan het resultaat. Daarnaast is, samenhangend met de sociale spanningen in wijken, tevens de tolerantiegraad afgenomen over wat wel en wat niet acceptabel is. Er zijn daardoor in Rotterdam wijken waar het woongenot ernstig te lijden heeft onder vervuiling van allerlei aard. Gedoeld wordt niet alleen op milieuvervuiling door industriële- of anderszins bedrijfsmatige activiteiten, maar ook op vervuiling van de openbare ruimte: stoepen, straten, plantsoenen, gemeenschappelijke tuinen etc. Uit onderzoek is gebleken, dat "vuil" tot een van de belangrijkste ergernissen van bewoners behoort. Vervuiling heeft bovendien een sterke relatie met sociale veiligheid. Een vervuilde buurt roept niet alleen gevoelens van onveiligheid bij bewoners op, maar geeft ook aanleiding tot meer criminaliteit. Vervuiling op straat visualiseert de mate van normbeleving en handhaving in de buurt. Een buurt waarvan het straatbeeld wordt beheerst door hondenpoep, zwerfvuil, vuilnis en graffiti, wekt de indruk dat er weinig normbesef is en dat er geen sociale leefregels gelden.
De in deze paragraaf opgenomen bepalingen hebben dus niet alleen een zekere moraliserende strekking, maar kunnen ook worden gehanteerd in het kader van gemeentelijk beleid, gericht op het terugdringen van de vervuiling van de stad.

Toelichting artikel 4.3.5:
Deze verkeersbeperkende bepaling moet - gezien het verschil in motief - mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 4.3.5 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt het slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren. Indien nodig kan deze bepaling worden toegepast voor structurele parkeerproblemen bij vuilcontainers/-cocons. Het komt hoe langer hoe meer voor, dat de vuilcontainers niet uit de cocons kunnen worden gehaald, omdat daar voertuigen geparkeerd staan. Daarnaast kan dit artikel worden toegepast voor de veegdienst als alternerend parkeerverbod. Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aa n huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden.

Toelichting artikel 4.3.6:
Artikel 4.3.6 wordt gebruikt tegen personen, die hun natuurlijke behoefte doen op of aan de weg of in het openbaar water.

Toelichting artikel 4.3.8:
Dit artikel betreft een onderwerp, dat voorheen in de bouwverordening geregeld was. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV besloten.

§ 4.4   HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN/ NATUURBESCHERMING

Algemene toelichting § 4.4:
De kapvoorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout binnen de grenzen van de gemeente. Het doel van de kapvoorschriften is het behoud van waardevolle bomen. Het begrip waardevol is niet te definiëren, maar van belang is de waarde uit een oogpunt van landschapsschoon, natuurschoon, stads- en dorpsschoon, en ook de waarde voor de leefbaarheid van een straat of buurt, en de waarde uit het oogpunt van milieu en ecologie.

Bij het opstellen van bepalingen inzake het bewaren van houtopstanden is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de model-bomenverordening 1993 van de Vereniging Stadswerk Nederland en de Bomenstichting. Overeenkomstig de positieve aandacht voor het milieu is gekozen voor een meer integrale en positieve aanpak. Het gaat daarbij niet meer alleen om het wel of niet kappen van bomen, maar vooral ook om aanknopingspunten voor een algemeen boom- en houtopstandbeschermingsbeleid. Het gaat om het bewaren van houtopstanden. Daarom zijn in deze paragraaf bepalingen opgenomen inzake de erfgrensafstand, de boomwaarde, de iepziekte e.d. Tegelijk is gepoogd de criteria bij de belangenafweging rond een kapvergunning een plaats te geven binnen het algemene, gemeentelijke groenbeleid door verwijzing naar "groene" plannen.
Over die afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan, die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en voedselonttrekking of schaduwwerking. Bomen blijken wel dikwijls te moeten sneuvelen als er sprake is van ernstig gevaar voor omvallen of van overlast, bijvoorbeeld als gevolg van bladval, verstopping van rioleringen, vermindering bezonning of uitzicht. Bij verschillende uitspraken wordt overwogen dat de bomen nog gezond zijn en nog jaren mee kunnen, zodat zij mede om die reden kunnen worden gehandhaafd.

Toelichting artikel 4.4.1: [vervallen]
Dit artikel is opgenomen in Hoofdstuk 1.
 
Toelichting artikel 4.4.2:
In deze bepaling is de essentie van deze paragraaf opgenomen: het verbod om zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen. Met een vergunningsstelsel kan maximale bescherming worden geboden aan te behouden bomen. Dat is van belang omdat de onderhavige paragraaf van de APV voornamelijk ten doel heeft een bepaalde boom of groep van bomen uit esthetisch oogpunt te sparen. De controle is bij het vergunningsstelsel ook eenvoudiger, omdat de houteigenaar een vergunning moet kunnen tonen.
Teneinde te voorkomen dat de houder van een kapvergunning onmiddellijk gebruik maakt van zijn vergunning - zonder een eventuele bezwarenprocedure af te wachten - is in het tweede lid van artikel 4.4.2 voorzien in een opschortende voorwaarde. Eerst dient te worden afgewacht of derde-belanghebbenden al dan niet tegen de verleende kapvergunning een bezwaarschrift indienen, gecombineerd met een verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank. Zonder deze opschortende voorwaarde zou de boom reeds gekapt kunnen zijn, ook al wordt later de kapvergunning door de rechter onderuit gehaald. Herstel in de oude situatie is dan niet meer mogelijk.
In geval van spoedeisend belang (bijvoorbeeld: de boom dreigt om te vallen!) kan het college op grond van het derde lid van artikel 4.4.2 toestemming geven om de boom, waarvoor een kapvergunning is gevraagd, onmiddellijk te vellen.
In het vierde lid van artikel 4.4.2 is een aantal uitzonderingen op deze vergunningsplicht opgenomen. Deze uitzonderingen vloeien voort uit artikel 15, tweede en derde lid, van de Boswet, waarin de gemeentelijke aanvullende verordenende bevoegdheid wordt erkend met uitzondering van de genoemde categorieën houtopstand.
Wegbeplanting is alle (openbaar of particuliere) beplanting van ongeknotte populieren en wilgen (bomen van resp. het geslacht lat.‘populus’ en ‘salix’. In de vorm van (een) bomenrij(en), gelegen binnen een zone van 10 meter vanaf de rand van de weg, waarbij een bomenrij bestaat uit tenminste 20 bomen.


Dunning van bosplantsoen is noodzakelijk voor het behoud van de soorten rijkdom aan bomen, struiken en kruiden. Onder dunning van bosplantsoen wordt het volgende verstaan:
indien bomen binnen een groep dicht op elkaar staan, kan dit problemen geven bij de groei, waarbij zelfs verstikking kan optreden. Als dit het geval is en snoeien geen oplossing biedt, kan dat een reden zijn om tot dunning over te gaan, waarbij het uitgangspunt is om de beste bomen te behouden. Het dunnen mag niet leiden tot aantasting van het verband van de boomgroep waardoor overblijvende bomen instabiel worden en grote kans lopen om te waaien.
Ingevolge de bedoeling van de Boswet is geen kapvergunning nodig voor houtopstanden die om commerciële redenen worden gehouden.
De verwijzing naar de Plantenziektenwet in het vijfde lid van artikel 4.4.2 is zinvol voor de handhaving van het Schildluisbesluit en eventuele andere toekomstige plantenziekten. Voor wat betreft de iepziekte is - na het vervallen van het Besluit bestrijding iepziekte - een speciale bepaling opgenomen in deze paragraaf (artikel 4.4.12).
Indien een boom voor de eerste maal geknot of gekandelaberd wordt dan is deze handeling vergunningplichtig. Geen vergunning is vereist indien al eerder een vergunning voor het knotten of kandelaberen is verleend en het knotten of kandelaberen een periodieke handeling betreft met het doel de boom in een specifieke cultuurvorm te handhaven. Indien eerder deze handeling heeft plaatsgevonden, dan is het opnieuw aanvragen van een vergunning niet noodzakelijk.

Toelichting artikel 4.4.3:
De eisen die aan een vergunningaanvraag worden gesteld, zijn in hoofdzaak vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Het toevoegen van een situatieschets is alleen noodzakelijk wanneer zich misverstanden kunnen voordoen over de beoogde te vellen bomen. Wanneer het op een bepaalde locatie om één boom gaat en er ook maar één boom daadwerkelijk staat, dan is een dergelijke schets niet nodig.
Houtopstanden, bestemd voor productie, kunnen zowel onder de Boswet als onder dit artikel vallen. Dit betekent dat in die gevallen een voorgenomen velling moet worden gemeld aan Staatsbosbeheer en dat vergunning moet worden gevraagd aan het gemeentebestuur. Artikel 4.4.3, tweede lid, stelt nu dat de wettelijk voorgeschreven kennisgeving aan Staatsbosbeheer mede wordt beschouwd als een vergunningaanvraag.

Deze efficiënte werkwijze is mogelijk geworden, doordat het bureau LASER van de bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving een afschrift zendt aan het desbetreffende gemeentebestuur. Aangezien dit afschrift alle gegevens bevat, die het gemeentebestuur voor de beoordeling van de aanvraag nodig heeft, is een belangrijke vereenvoudiging verkregen die voor de belanghebbende boseigenaar vele van de bezwaren van het onderworpen zijn aan tweeërlei gezag wegneemt.

De woorden "of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid" zijn in de bepaling opgenomen in verband met gevallen waarin een overheidsorgaan, bijvoorbeeld een provinciaal bestuur of een waterschap, bij wijze van bestuursdwang bomen wil vellen, die in strijd met een verordening of een waterschapskeur geplant zijn. Deze bestuursdwang zal slechts uitgeoefend kunnen worden, indien de gemeente een kapvergunning verleent. Het gemeentebestuur zou echter geen vergunning kunnen verlenen, wanneer de vergunning slechts door de zakelijk gerechtigde zou kunnen worden aangevraagd.

Toelichting artikel 4.4.3a:
Conform de algemene uitgangspunten van het (anti-) Red Tape-beleid stelt het (nieuwe) artikel 4.4.3a de beslistermijn voor een kapvergunning op acht weken, éénmaal (in de zesde week van de eerste periode) - uiteraard met berichtgeving aan de aanvrager - met acht weken te verlengen.

 
Toelichting artikel 4.4.4:
Het college kan om verschillende redenen een kapvergunning weigeren.
a.   wegens natuur- en milieuwaarden: het betreft hier het ecologisch belang van natuurbehoud en natuurontwikkeling, zoals de natuurwetenschappelijke betekenis van bomen en houtopstand doordat daarop zeldzame planten groeien, de invloed op bodemhuishouding en de foerageer-, nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten;
b.   wegens landschappelijke waarden: dit is een meer eigentijdse benadering van natuur- en landschapsschoon;
c.   wegens cultuurhistorische waarden: het kan zijn dat een bepaalde boom het behouden waard is, omdat er een (mooi) historisch verhaal bij hoort; te denken valt aan herdenkingsbomen (koningshuis, geboorte, bijzondere gebeurtenissen) en geschenkbomen;
d.   wegens waarden van stads- en dorpsschoon: waarden samenhangend met visuele kwaliteiten van de stad en het groengebied die bepalend zijn voor de stedelijke en dorpsbeleving. De betekenis van bijvoorbeeld knotbomen en laan- grachtbeplanting als structurerend element kunnen bepalend zijn voor stedenbouwkundige kwaliteiten. Ook valt te denken aan het belang van bomen in relatie tot architectonische belangrijke gebouwen, het monumentale karakter van de openbare ruimte of de geschiedenis van een plek. Bomen en houtopstand kunnen door hun omvang, verschijningsvorm of hoge leeftijd op zichzelf van belang zijn of bepalend zijn voor de belevingswaarde van de openbare ruimte;
e.   wegens waarden voor recreatie en leefbaarheid: men kan hierbij denken aan bomen die algemeen gewaardeerd worden wegens hun schaduw of de op zichzelf lelijke of scheve boom die als klimboom voor de jeugd bekend staat. Maar bomen hebben ook een positief effect op klimatologische omstandigheden en bieden een visuele afscherming bijvoorbeeld t.a.v. industrie, verkeer e.d.

Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de (stam)omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de standplaats (tussen de bebouwing of in het buitengebied) en de soort (snel groeiend of langzaam groeiend).
Het college kan ingevolge het tweede lid van dit artikel tevens de boomwaarde bij hun belangenafweging betrekken. De boomwaarde is vooral van belang in het onderlinge verkeer tussen gemeentelijke diensten en afdelingen die nogal eens handelingen (moeten) verrichten, waardoor bomen kunnen worden gedood of ernstig beschadigd.

Aan de hand van de boomwaardebepaling kan bijvoorbeeld de afdeling riolering uitrekenen wat het gaat kosten als een boom moet worden omgehakt bij de aanleg van leidingen. Vervolgens kunnen deze kosten worden afgewogen tegen de kosten van het omleggen van de leiding.
Met de boomwaardebepaling kan niet de 'schoonheid' van een boom worden aangegeven.

Het college zal in het algemeen vergunning verlenen voor het vellen van een waardevolle boom die een potentieel gevaar vormt voor de openbare veiligheid, bijvoorbeeld wegens het risico van omwaaien of het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer. Voorts zal het college in zijn overwegingen de bezwaren betrekken, die de bewoners van woningen ondervinden wegens het belemmeren van licht en lucht, de vochtigheid van de woning, het verstopt raken van goten, enz. Daarnaast moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het is beter bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te verjongen, dan op een kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden geheel moeten worden "afgeschreven".
Een al te starre toepassing van dit artikel kan fnuikend zijn voor de bereidheid van de burger om uit eigen beweging bomen aan te planten: hij zou immers terecht kunnen vrezen "er voor eeuwig aan vast te zitten".
Met de verwijzing naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen - zoals voorgeschreven in het derde lid van artikel 4.4.4 - is beoogd zoveel mogelijk eenheid en duidelijkheid in beleid te verkrijgen.
Het vierde lid van artikel 4.4.4 stelt, dat het college de gevraagde vergunning zonder meer verleent, indien deze vergunning wordt gevraagd ter voldoening aan iemands plicht ingevolge boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge deze bepalingen kunnen naburen elkaar verplichten tot het rooien van bomen, heesters en heggen binnen een bepaalde afstand van de perceelgrens (2 meter voor bomen, een halve meter voor heesters en heggen). Ingevolge het tweede lid van artikel 42 kunnen bij (gemeentelijke) verordening kleinere afstanden worden toegelaten. In deze paragraaf is in artikel 4.4.5 gekozen voor afstanden van een halve meter voor bomen en nihil voor heesters en heggen. Het is duidelijk dat het college een kapvergunning voor een boom die zich binnen een halve meter van andermans erf bevindt en waarvan de buurman vindt dat die boom moet verdwijnen (waartoe de eigenaar van de boom dus vervolgens civielrechtelijk verplicht is), niet kunnen en mogen weigeren, mits de algemene verjaringstermijn van 20 jaar niet is verstreken.
Voorts zal het college een kapvergunning verlenen als er sprake is van onaanvaardbare veiligheidsrisico’s rond een boom. Boomeigenaren hebben volgens de wet een zorgplicht voor hun bomen. De eigenaar kan aansprakelijk gesteld worden voor voorzienbare schade wanneer sprake is van uitwendig zichtbare gebreken aan een boom.
Het vierde lid van artikel 4.4.4 schrijft verder voor dat het college de gevraagde vergunning imperatief verlenen indien dat noodzakelijk is teneinde te voldoen aan de op grond van artikel 37 van het Verdrag inzake de burgerluchtvaart (Verdrag van Chicago van 1944) door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) vastgestelde eisen, welke verdrag door Nederland is geratificeerd en voor zover hiervan niet door Nederland met toepassing van artikel 38 is afgeweken. Doel van de ICAO is de verzekering van een veilig vliegverkeer. Hoge bomen rond een vliegveld (in casu Rotterdam Airport) brengen de veiligheid van het vliegverkeer in gevaar. ICAO stelt eisen op onder meer dit gebied.
De aangesloten staten zijn verplicht aan deze ICAO-eisen te voldoen. Er is dus geen beleidsruimte voor een gemeentebestuur indien het wordt verzocht om afgifte van een kapvergunning met het oog op het voldoen aan de ICAO-eisen.

Toelichting artikel 4.4.5:
Voor de toelichting bij deze bepaling zij verwezen naar de toelichting bij artikel 4.4.4. Met "nihil" voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te maken.

Toelichting artikel 4.4.6:
Teneinde mogelijke belanghebbenden in de gelegenheid te stellen tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de (mogelijke) verlening van een kapvergunning, is in artikel 4.4.6 een publicatieplicht voor alle vergunningen (zowel vergunningen gericht aan particulieren als vergunningen aan de gemeente) opgenomen.

Toelichting artikel 4.4.7:
Het college hanteert als algemeen beleid dat de vergunning na een jaar ingetrokken kan worden, tenzij deze strekt tot effectuering van de bouwvergunning.

Toelichting artikel 4.4.8:
Het college kan in het geval van kapvergunningverlening een herplantplicht opleggen. Het college doet dit in ieder geval, indien de te vellen houtopstand waardevol is ingevolge een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan.
Behalve een termijn kan het college ook aanwijzingen geven met betrekking tot de herplantplicht. Denkbaar is dat een andere boomsoort wordt voorgeschreven (bijvoorbeeld iepen die beter bestand zijn tegen iepziekte). Bij vervanging van een grote boom kan worden gedacht aan herplanting van een boom van vergelijkbare grootte of aanplant van meer dan één boompje. Uiteraard dient herplant bosbouwkundig verantwoord te zijn.
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren voorschriften ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna, bijvoorbeeld betrekking hebbend op het niet uitvoeren van kapwerkzaamheden in het broedseizoen. Het verlenen van een kapvergunning is een goede mogelijkheid en een juist moment om burgers meer natuurbewust te maken.
 
Toelichting 4.4.9:
Als houtopstand, voor het vellen waarvan een kapvergunning is vereist, zonder vergunning is geveld, dan wel op andere wijze is tenietgegaan, kan het college een herplantplicht opleggen. Het college kan dus ook een verplichting tot herplant opleggen, als houtopstand is tenietgegaan door bijvoorbeeld verwaarlozing of door een calamiteit (overstroming, ziekte e.d.).
Het derde lid van artikel 4.4.9 betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal tenietgaan. De gemeente zou in dat geval kunnen wachten totdat de houtopstand geheel is tenietgegaan om dan vervolgens op grond van het eerste lid van artikel 4.4.9 een herplantplicht op te leggen.
Het kan echter voorkomen dat de strekking van dit artikel beter gediend is met het behoud van bestaande bomen dan met de vervanging daarvan. Met name valt hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn immers niet of slechts met grote kosten te vervangen, en wat bijvoorbeeld schoonheid, luchtzuiverende kwaliteit of nestelgelegenheid betreft, wegen zij op tegen een veelheid van jonge boompjes.
Krachtens het derde lid van artikel 4.4.9 kan de zakelijk gerechtigde worden verplicht tot het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan inhouden het ongedaan maken of voorkómen, voor zover mogelijk, van (dreigende) ernstige beschadiging of aantasting tengevolge van weersomstandigheden, ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van terreinverhardingen, het storten van afval enz.
Uiteraard dient een bevoegdheid tot het voorschrijven van een instandhoudingsplicht, evenals alle andere overheidsbevoegdheden, te worden uitgeoefend met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals deze bijvoorbeeld worden aangeduid in de Algemene wet bestuursrecht. Er zal altijd een afweging van belangen, waaronder ook de financiële belangen van betrokkene, moeten plaatsvinden.

Toelichting artikel 4.4.10:
Het kan voorkomen, dat de gebruiker of eigenaar van houtopstand, dat niet geveld mag worden (geen kapvergunning wordt verkregen), daarvan schade ondervindt. Krachtens artikel 17 van de Boswet wordt bij weigering van een kapvergunning op verzoek van de eigenaar of gebruiker een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding uit de gemeentekas toegekend, indien schade wordt geleden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. De eigenaar of gebruiker kan dan een verzoek om schadevergoeding indienen bij burgemeester en wethouders.

Toelichting artikel 4.4.11:
In dit artikel wordt verwezen naar de meest actuele richtlijnen van de Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen.
Er is behoefte aan een objectieve monetaire boomwaardebepaling ten behoeve van schadeberekening en boomwaarde. De Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen brengt met regelmaat openbare richtlijnen uit op het gebied van boomtaxaties. Hierbij worden actuele ontwikkelingen op de relevante vakgebieden gevolgd. Deze richtlijnen kenen een brede nationale erkenning.

Toelichting artikel 4.4.12:
Verwezen wordt naar de toelichting bij artikel 4.4.2. Optreden tegen iepziekte is dringend gewenst om nog enige iepen in ons land over te houden.
 
Toelichting artikel 4.4.13:
De artikelen 4.4.13 en 4.4.14 zijn bepalingen, opgenomen ter bescherming van het openbaar groen. Het eerste lid van artikel 4.4.13 heeft zowel de handhaving van de openbare orde als de natuurbescherming als motief. Met name kan het berijden van grasvelden en paden die daarvoor niet geschikt zijn door rij- en trekdieren niet alleen de veiligheid van wandelaars e.d. in gevaar brengen, maar ook schade toebrengen aan het openbaar groen.

Toelichting artikel 4.4.14:
Ingevolge deze bepaling is het verboden zonder vergunning van het college aan of in openbare houtopstand voorwerpen aan te brengen. Te denken valt daarbij aan verlichtingskabels voor wintersfeerverlichting, bordjes, vogelhuisjes e.d. Voor de goede orde: ook grote bomen kunnen aanzienlijke schade ondervinden van verkeerd bevestigde kabels, trafo’s en verlichtingsarmaturen.

§ 4.5   MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST

Algemene toelichting § 4.5:
In deze paragraaf is een drietal bepalingen opgenomen, waarmee primair wordt beoogd het uiterlijk aanzien van de gemeente te beschermen. Dit uiterlijk aanzien kan in het geding komen door ongecontroleerde opslag op particuliere terreinen van allerhande materialen en voorwerpen, alsmede door reclames aan gebouwen en door het in het wilde weg plaatsen van reclamevoertuigen in de gemeente. Een en ander leidt ook niet zelden tot klachten vanuit de burgerij.
Tevens wordt met artikel 4.5.1 beoogd stankoverlast door opslag van onwelriekende stoffen tegen te gaan.

Toelichting artikel 4.5.1:
Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. Deze aanwijzing dient bij openbare kennisgeving te geschieden.
Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de "weg" in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de "weg" daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften (zie bijvoorbeeld artikel 5.1.2, tweede lid, betreffende voertuigen in niet rijklare staat).

Toelichting artikel 4.5.2:
Het aanbrengen (maken) en hebben (voeren) van handelsreclame aan een onroerende zaak wordt in deze bepaling gebonden aan een aantal voorwaarden. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, is de gedraging verboden, tenzij het de omstandigheden in het tweede of derde lid van dit artikel betreft. Er wordt een aantal algemene regels voor handelsreclame gesteld waaraan ondernemers zich moeten houden. Met deze systematiek en uitwerking worden de voorstellen gevolgd uit het rapport “De ondernemersgerichte APV” dat in februari 2007 is uitgebracht door MKB-Nederland en het Ministerie van Economische Zaken.

Handelsreclame is te definiëren als elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
verenigd. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in dit artikel gaat om niet-ideële reclame, waardoor geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Volgens vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.

Dit artikel is dus niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De bedoeling hiervan is uitsluitend die reclame-uitingen buiten de grondwettelijke bescherming over het openbaren van gedachten of gevoelens te houden, waaraan het ideële, maatschappelijke of politieke aspect ontbreekt.
Nadere regels
Het college en de raad komt de bevoegdheid toe nadere invulling te geven aan de algemene regels, zoals bedoeld in het eerste lid. Deze kunnen liggen op het gebied van constructieve - en brandveiligheid, verkeersveiligheid, redelijke eisen van welstand en het voorkomen van hinder voor buren en omwonenden. Het ligt in de bedoeling van het college in ieder geval nadere regels voor te bereiden voor reclame-uitingen welke lichthinder kunnen veroorzaken voor buren en omwonenden.

Beleidsregels
Daarnaast kunnen beleidsregels die al zijn vastgelegd in relevante beleidsdocumenten een rol spelen, zoals de door de raad in maart 2006 goedgekeurde Nota Buitenreclame. Ook kan het gaan om uitgangspunten of criteria die al vastliggen in het hoofdstuk Reclame van de Koepelnota welstand Rotterdam. Op het gebied van verkeersveiligheid liggen bijvoorbeeld beleidsregels vast in de Nota Buitenruimte Rotterdam.

Relatie met art. 2.1.9
Voor alle duidelijkheid moet nog vermeld worden dat voor reclames die geplaatst worden op, aan of boven de weg, artikel 4.5.2. niet van toepassing is. In die gevallen geldt artikel 2.1.9 en blijft een vergunning op basis van de APV nodig omdat de verkeersveiligheid of hinder van buren in het geding kan zijn. Een voorbeeld daarvan is de plaatsing van een billboard langs of in de middenberm van een weg. Bij het verlenen van de APV-vergunning zal worden getoetst op verkeersveiligheid en op het voorkomen van hinder.

Relatie met hogere regelgeving
In het derde lid van artikel 4.5.2 is de werkingssfeer van dit artikel ten opzichte van hogere regelgeving afgebakend. Indien een van deze hogere regelingen van toepassing is, is artikel 4.5.2 niet van toepassing.
•   Indien een reclameconstructie is aan te merken als bouwwerk, is voor het plaatsen ervan een reguliere of lichte bouwvergunning vereist. Het welstandsbelang wordt dan meegewogen bij de beoordeling.
•   Voor het aanbrengen van reclame op een beschermd monument is volgens artikel 14 van de Monumentenwet 1988 een vergunning nodig van het college, dan wel van de minister van OCW, indien deze op grond van artikel 17 van de Monumentenwet 1998 beslist op de vergunningaanvraag.
•   De provinciale Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland bevat bepalingen die het aanbrengen van opschriften en dergelijke op onroerend goed in de landelijke gedeelten van de gemeente verbieden, behoudens ontheffing van Gedeputeerde Staten. Toetsingscriterium is daarbij het belang van het landschapsschoon.
•   De afbakening met de Wet milieubeheer is alleen noodzakelijk ten aanzien van lichtreclame. Voorschriften over hinder veroorzaakt door lichtreclame aan de gevel van een horecabedrijf moeten worden opgenomen in de milieuvergunning van het desbetreffende bedrijf of worden gebaseerd op het Besluit horeca-, sport, en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Hinder in de zin van de Wet milieubeheer zal veelal samenvallen met het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Dit is geregeld in artikel 4.5.2. waardoor ook inrichtingen die niet vallen onder de Wet milieubeheer toch op dit punt zullen kunnen worden beoordeeld.
 
Toelichting artikel 4.5.3:
Het plaatsen of hebben van (brom)fietswrakken op de weg is - anders dan het plaatsen of hebben van een voertuigwrak op de weg (zie artikel 5.1.5) - niet echt te beschouwen als een parkeerexces. Daarom is deze nieuwe bepaling ondergebracht in hoofdstuk 4, paragraaf 5 van de APV (maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast). Door deze verbodsbepaling wordt het voor de ROTEB gemakkelijker (brom)fietswrakken - waar niemand zich meer om bekommert - van de weg af te halen, aangezien in casu sprake is van een strafbaar feit. Het doet hierbij niet terzake of de betreffende (brom)fiets al dan niet op slot staat. Een (brom)fietswrak is een wrak indien de (brom)fietsen, die in alle redelijkheid niet meer te berijden zijn, en die door de eigenaar - om wat voor reden dan ook - niet meer (kunnen) worden onderhouden.

§ 4.6   KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

De Wet op de openluchtrecreatie is komen te vervallen per 1 januari 2008. Daarom is het gewenst deze paragraaf in te voeren opdat misverstanden ten aanzien van kamperen buiten kampeerterreinen kunnen worden voorkomen.

Toelichting artikel 4.6.1:
Uitgangspunt is dat als het bestemmingsplan niet expliciet toestaat dat een bepaald terrein als kampeerterrein mag worden gebruikt, het terrein niet structureel dan wel incidenteel zal worden gebruikt als kampeerterrein. Dit algemene verbod is de essentie van deze paragraaf. Voor de gebieden die in het bestemmingsplan zijn aangewezen als kampeerterrein kunnen algemeen geldende voorschriften worden opgesteld. Overtreding hiervan zal dan worden gesanctioneerd door het opleggen van een dwangsom of het toepassen van bestuursdwang.

De woorden ‘eigen gebruik’ zijn niet nader ingevuld, maar het eigen gebruik zal wel redelijk moeten zijn. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat burgers overlast ondervinden van een structureel tentenkamp op het eigen terrein van een rechthebbende.

Het college kan, op grond van het derde lid, ontheffing van het verbod verlenen.

De ontheffing kan geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 1.7, maar ook in het belang van de bescherming van een stadsgezicht of de bescherming van natuur en landschap Of de bescherming van natuur en landschap dan wel het stadsgezicht in het geding is, ligt ter beoordeling van het college.

HOOFDSTUK 5   ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

§ 5.1    PARKEEREXCESSEN

Toelichting artikel 5.1.1:
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "weg" verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, namelijk alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

Toelichting artikel 5.1.2:
Artikel 5.1.2, eerste lid, onder a, beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto's die hen toebehoren of zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief). Dit verbod geldt niet “automatisch”, het college moet eerst een aanwijzingsbesluit nemen waarbij een gebied en/of periode wordt genoemd waar het verbod gelding heeft.

In toenemende mate wordt geklaagd over door velen als (neven)bedrijf uitgeoefende reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen. Deze werkzaamheden geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Op grond van artikel 5.1.2, eerste lid, onder b, kan hiertegen worden opgetreden.
Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de onmiddellijke omgeving meer auto's bevinden die betrokkene "toebehoren of zijn toevertrouwd". Er zij op gewezen dat zowel het verontreinigen van de weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden in de artikelen 4.3.1 en 2.4.4 van de APV. Met het oog op het toenemend aantal klachten is een strafbepaling, welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen.

Het tweede lid verschaft de mogelijkheid om ook op te treden tegen excessief gebruik van de openbare weg door (voertuigen van) rijschoolhouders en taxibedrijven.

In het derde lid, onder a, is het woord "vergen" gebezigd in plaats van "duren" ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een half uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term "vergen" beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De in het eerste lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de exploitant.

Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren respectievelijk daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.

Toelichting artikel 5.1.3:
Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd.
In deze bepaling is gekozen voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het college het verbod activeren.

Toelichting artikel 5.1.4:
Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Niet altijd slaagt hij in deze poging, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn.

Toelichting artikel 5.1.5:
Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak of chassis in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief. Daarnaast speelt echter ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol bij het uitvaardigen van dit verbod.

Toelichting artikel 5.1.6:
Eerste lid, onder a
Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens e.d. op de weg. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagen e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Op het moment dat een voertuig langer dan drie dagen op dezelfde plaats staat, kan op grond van dit artikel worden opgetreden, mits het college die weg of plaats als zodanig heeft aangewezen.

Met de zinsnede 'of een ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd' is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet 'dagelijks' worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat.

Daarnaast is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende en onafgebroken) dagen wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen.

Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod.

Toelichting artikel 5.1.7:
In de praktijk wordt vaak geklaagd over het in het wilde weg plaatsen van voertuigen, aanhangwagens e.d. op of langs de weg met de kennelijke bedoeling om daarmee reclame te maken. Dit doet afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de gemeente. Daarom is in artikel 5.1.7 voorzien in een verbod om dergelijke voertuigen op de weg te plaatsen, behoudens ontheffing van het college.
Deze bepaling is overigens niet bedoeld voor bedrijfsauto's die voorzien zijn van eigen handelsreclame. Er wordt immers gesproken over het parkeren van voertuigen "...met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken". De hierboven bedoelde voertuigen worden niet primair voor het maken van deze reclame gebezigd.

Toelichting artikel 5.1.8:
Artikel 5.1.8 beoogt het gemeentebestuur mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan alsmede het parkeren van grote voertuigen voor gebouwen waardoor er voor bewoners of gebruikers hinder ontstaat. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, vóór monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Vrachtauto's, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto's bij voorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop dit artikel ziet. Aangezien de plaatsen waar ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het college heeft aangewezen. Dit aanwijzen kan bijvoorbeeld in de praktijk eenvoudig geschieden doordat het college in zijn besluit verwijst naar een plattegrond van de gemeente waarop de plaatsen waar niet mag worden geparkeerd worden gearceerd. Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg.

Het tweede lid van artikel 5.1.8 beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg, als dat gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot dit motief "buitensporig gebruik van de weg", moge nog worden opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.
Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op het eerste lid of het tweede lid, zulks mede in verband met het bepaalde in het derde lid.

De in het derde lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) "hoogwerkers", meetwagens e.d.

De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge het vierde lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is. Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor het in het eerste lid gestelde verbod.
Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden krachtens artikel 5.1.9.

Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent het zesde lid aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in het eerste lid, onder a, en het tweede lid omschreven verboden een ontheffing te verlenen.
Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden in incidentele gevallen zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.
Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing. Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.
Een ontheffingsmogelijkheid ten aanzien van het eerste lid, onder b, is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.

Toelichting artikel 5.1.9: [vervallen]
Dit artikel is opgenomen in artikel 5.1.8.

Toelichting artikel 5.1.10:
Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto's van destructiebedrijven, vismeelfabrieken e.d. Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten staan van voertuigen met stankverspreidende stoffen buiten de weg in de zin van de WVW.
Een ontheffingsmogelijkheid wordt niet geboden. Deze mogelijkheid valt niet goed te rijmen met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.

Toelichting artikel 5.1.11:
Artikel 5.1.11 maakt het mogelijk van overheidswege op te treden tegen overlast die veroorzaakt wordt door het plaatsen van twee- of driewielige fietsen of twee- of driewielige bromfietsen buiten fietsenstallingsplaatsen. Het gaat om plaatsen waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bij stations, winkelcentra, culturele instellingen en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn. Door het college aangewezen plaatsen zullen moeten worden voorzien van borden, waarop staat aangegeven dat foutief gestalde (brom)fietsen zullen worden verwijderd (is toepassing van bestuursdwang).

Onderdeel b beoogt optreden mogelijk te maken tegen overlast van fietsen die langer dan vier weken onbeheerd staan. In de onder b bedoelde aan te wijzen gebieden is de restrictie minder vergaand dan onder a, waarin bepaald is dat in het aan te wijzen gebied niet buiten fietsvoorzieningen mag worden geparkeerd. In gebieden die onder b worden aangewezen mag wel overal worden geparkeerd, maar de (brom)fietsen mogen niet langer dan 4 weken onbeheerd staan. Het gebruik van het tweede lid zal dan ook een breder gebruik kennen. Echter in woonstraten moet het bewoners mogelijk blijven hun fiets wegens slechte weersomstandigheden een paar maanden buiten te laten staan.

De in overtreding zijnde (brom)fietsen zullen worden gemarkeerd en zonodig onder bestuursdwang verwijderd.

Ten aanzien van zogenaamde "fietswrakken" zij verwezen naar artikel 4.5.3.

Toelichting artikel 5.1.12:
Dit artikel beoogt optreden mogelijk te maken tegen overlast van (brom)fietsen die de normale functie van het trottoir belemmeren. De normale functie van het trottoir is de verplaatsing van personen. Daarnaast kan het trottoir kortstondig gebruikt worden om (brom)fietsen te parkeren.
Artikel 5.1.12, onder a, geeft aan dat men op normale wijze een gebouw moet kunnen betreden en dat men uitzicht moet houden.

Onderdeel b geeft aan dat het trottoir de normale functie, het verplaatsen van mensen moet kunnen behouden. Ook mensen met rollators en rolstoelen moeten zich kunnen verplaatsen. De feitelijke hinder voor de belangrijkste functie van het trottoir, verplaatsing, is hier het uitgangspunt voor handhaving.

Onderdeel c beoogt een vrije doorgang te garanderen voor visueel gehandicapten. Vrij moet hier worden opgevat als ongehinderd voor iemand die niet kan zien als er een obstakel op of direct naast de geleidelijnen zich bevindt.

De onderdelen d en e geven aan dat verboden is de (brom)fiets zo te parkeren dat in- en uitstapplaatsen van het openbaar vervoer worden versperd, straatmeubilair niet kan worden gebruikt.

Onderdeel f verbiedt het parkeren tegen monumenten of gedenktekens.

De in overtreding staande (brom)fietsen zullen zonodig onder spoedeisende bestuursdwang verwijderd kunnen worden. Het spoedeisende karakter wordt veroorzaakt door de feitelijke hinder en belemmering van bijvoorbeeld opstapplaatsen van het openbaar vervoer en door het gevaar voor de volksgezondheid door bijvoorbeeld struikelgevaar.
 


Toelichting artikel 5.1.13:
Eerste lid
Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.
Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.

Tweede lid
Bij de onder a bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder b.
§ 5.2   COLLECTEREN, VENTEN EN STANDPLAATSEN

Toelichting artikel 5.2.1:
Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen, verkoop van steunbonnetjes, enz. Dat er zich bij inzamelingsacties ongewenste en bedrieglijke praktijken kunnen voordoen, is bekend. Veelal gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen; evenwel komt het ook voor dat de bedoelde inzamelingen e.d. uitgaan van instellingen of personen die in het geheel geen steun verdienen of wier beroep op de algemene liefdadigheidszin niet gemotiveerd is. Ook komt het voor dat slechts in naam een instelling bestaat, terwijl in werkelijkheid alleen particuliere belangen worden gediend. Voorts kan er sprake zijn van misbruiken in die zin dat de giften die liefdadige personen ter beschikking stellen slechts voor een klein deel ten goede komen aan het (beweerde) charitatieve doel.
Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen, straatcollecten en dergelijke in handen hebben.
Ingevolge artikel 5.2.1, eerste lid, is het houden van een openbare inzameling gebonden aan een vergunning van het college.
Voor de toepasselijkheid van de onderhavige bepaling is het niet nodig dat de inzameling zich naar haar aard en opzet richt tot een ieder zonder onderscheid. Voor de openbaarheid van de inzameling is voldoende dat deze aan de openbare weg of van daaraf zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt.
In het derde lid van artikel 5.2.1 is voorts een uitzondering opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden "in besloten kring". De uitdrukking "in besloten kring" doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het begrip “besloten kring" veronderstelt echter een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal tevens moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar is.
Het door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving voor het inzamelingswezen jaarlijks opgestelde collecteplan dient de gemeentebesturen als leidraad voor een plaatselijk collecterooster. Bij het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn nagenoeg alle Nederlandse gemeenten aangesloten. Het Centraal Bureau Fondsenwerving stelt zich tot taak te bevorderen dat de werving van middelen en de propaganda voor doeleinden te algemenen nutte op aanvaardbare wijze geschiedt, een en ander zowel in het algemeen belang als in het belang van de erbij betrokken instellingen.

Toelichting artikel 5.2.2:
Onder venten met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening van kleinhandel waarbij goederen aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.

Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel.

Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, al dan niet gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Het tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.

Het oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als met een door het college verstrekte vergunning werd gehandeld. In 2008 is gekozen voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de meeste gevallen) en verkeersveiligheid.

Het eerste lid, onder b, is ingevoegd om te voorkomen dat burgers in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.

In het tweede lid wordt aangegeven welke handelingen niet onder venten worden verstaan.

Het derde lid regelt dat het college wegen kan aanwijzen waar het ventverbod geldt. Zo’n verbod kan bijvoorbeeld worden ingesteld ter voorkoming van overlast.

Het vierde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Toelichting artikel 5.2.3: [vervallen]
De inhoud van dit artikel is in artikel 5.3.4 verwerkt.

Toelichting artikel 5.2.4:
In deze bepaling is het vergunningsvereiste vastgelegd. Alleen natuurlijke personen komen in aanmerking voor een vergunning. Per persoon wordt ook maar één vergunning verleend, teneinde handel in vergunningen te voorkomen. Aan de vergunning kan het college voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op het aantal dagen per week dat standplaats kan worden ingenomen of het kunnen speciale voorschriften zijn met betrekking tot de verkoopinrichting.

De gemeentelijke standplaatsbepalingen hebben tot doel het innemen van een standplaats op de openbare weg met een mobiele verkoopinrichting te reguleren.
Kernbegrip in deze verordening vormt de mobiliteit van de verkoopinrichting, met dien verstande dat de vergunninghouder verplicht is om iedere dag na sluitingstijd zijn verkoopinrichting te verwijderen van de standplaats. Onder een mobiele verkoopinrichting wordt mede een grondplaats, een kraam, een tafel of enig ander daarmee te vergelijken middel verstaan.
Voorts strekt deze bepaling ter bescherming van meerdere belangen. De aangevraagde locatie op de openbare weg wordt onder meer getoetst aan de openbare orde, waaronder begrepen het tegengaan van verkapte marktvorming, aan de verkeersvrijheid en de -veiligheid alsmede aan het uiterlijk aanzien der gemeente.

Toelichting artikel 5.2.5:
In deze bepaling is een achttal weigerings- en intrekkingsgronden voor standplaatsvergunningen opgenomen.
Ten aanzien van het onder d genoemde toetsingscriterium "in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente" dienen de volgende richtlijnen als referentiekader.

A.   Locatie-eisen:
1.  niet in looproutes;
2.   niet in zichtlijnen;
3.   niet voor of tegen monumenten respectievelijk kunstobjecten;
4.   niet voor of tegen monumentale gebouwen.

ad 1.   Looproutes:
Een looproute moet worden gezien als een doorgaande route in de stad ("van punt A naar punt B") die door een aanzienlijk aantal voetgangers wordt gebruikt. Essentie van het criterium is dat er voldoende doorloopmogelijkheden voor de voetgangers moeten zijn, teneinde een redelijke doorstroming te waarborgen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met factoren als:
-  verschijningsvorm van het voetgangersgebied (plein, straat);
-  de functie van het voetgangersgebied (winkelstraat, promenade);
-  breedte van de straat/het plein;
-   voetgangersintensiteit ter plaatse;
-   aanwezige elementen, als bomen, straatmeubilair e.d.
Het zal duidelijk zijn, dat het onmogelijk is - gelet op het feit, dat er een enorme schakering in buitenruimten bestaat - een alles omvattende definitie van het begrip looproute te formuleren. Per geval zal moeten worden bezien of er sprake is van een looproute of in dat concrete geval - bij toewijzing van een standplaats - de looproute in voldoende mate gehandhaafd blijft. Een en ander zal bijvoorbeeld aan de hand van situatietekeningen, foto's e.d. inzichtelijk moeten worden gemaakt.

ad 2.  Zichtlijnen:
Het begrip zichtlijn heeft te maken met de ruimtebeleving van en oriëntatie in de stad op straatniveau. Het betreft het uitzicht op karakteristieke delen (gebouwen, kunstwerken, straten, pleinen, parken e.d.) van de stad. Hetgeen echter hierboven bij de looproutes is vermeld, geldt ook hier. Het is onmogelijk - en bovendien ook ongewenst - om bijvoorbeeld vast te leggen welke zichtlijnen van essentiële betekenis zijn. Ook hier geldt dat per concreet geval bezien moet worden of sprake is van een belangrijke zichtlijn of door het plaatsen van een standplaats aan deze zichtlijn op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan.

ad 3/4.   Monumenten, monumentale gebouwen, kunstobjecten:
Het zal duidelijk zijn, dat een standplaats gesitueerd rond een monument, monumentaal gebouw of een kunstobject in ernstige mate afbreuk kan doen aan de (belevings)waarde van een dergelijk object. Onderzocht is of door middel van het formuleren van een afstandscriterium (bijvoorbeeld binnen een straal van 20 meter rond een dergelijk object is het verboden standplaats in te nemen) het mogelijk is een standplaats toe te staan, zonder dat daardoor ernstige afbreuk aan bijvoorbeeld het monument wordt gedaan. Een en ander is een nauwelijks te volbrengen opgave gebleken. Van essentieel belang hierbij is dat de omvang van het object bepalend is of een standplaats ter plaatse al of niet aanvaardbaar is. Hoe kleiner het monument/standbeeld, des te storender kan het innemen van een standplaats ter plaatse zijn. Bovendien is de relatie met de boven reeds uitgelegde begrippen zichtlijn en looproute in het onderhavige geval zeer duidelijk aanwezig. Het is derhalve gewenst per concrete situatie te bepalen of sprake is van een monument, een monumentaal gebouw of een kunstobject en in hoeverre het innemen van een standplaats ter plaatse - met inachtneming van ongetwijfeld aanwezige zichtlijnen op de objecten - aanvaardbaar is.
De weigeringsgrond “uiterlijk aanzien van de gemeente” kan dus gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook is het aanzien van monumentale gebouw of stedenbouwkundige ensembles te waarborgen. Het college kan zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond bepalen.

Toelichting artikel 5.2.6: [vervallen]
De standplaatscommissie wordt niet opgeheven. Wel wordt de instelling van de standplaatsencommissie uit de APV gehaald. Het is niet noodzakelijk dit in de verordening te regelen. Het college kan zelf hiertoe besluiten.

Toelichting artikel 5.2.6a: [vervallen]

Toelichting artikel 5.2.7:
Naast de hierboven vermelde algemene toetsingsgronden heeft de het college de mogelijkheid om bij afzonderlijk besluit gebieden aan te wijzen waarbinnen in beginsel geen standplaatsvergunningen zullen worden afgegeven.
Het betreft hier met name gebieden in de stad die in hoge mate representatief zijn en waar bovendien in de komende jaren grote veranderingen te verwachten zijn, waarbij de inrichting van met name het openbaar gebied een dominante rol zal spelen.
Desondanks wordt de mogelijkheid gecreëerd om in deze gebieden tóch standplaats in te nemen met beperkingen ter zake van de omvang van de verkoopinrichting. De verkoopinrichting mag niet groter zijn dan 2 m2 , met dien verstande dat de omvang niet meer dan 2 kubieke meter mag bedragen.
Het college is bevoegd om met inachtneming van de reguliere toetsingsgronden ontheffingen te verlenen voor deze standplaatsen.

In het derde lid is de ontheffingsmogelijkheid voor de verkoop van seizoensgebonden artikelen in standplaatsvrije gebieden opgenomen.
Het betreft:
-   haring in de periode vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober;
-   ijs in de periode van 1 april tot en met 30 september;
-   sinaasappelsap in de periode van 1 april tot en met 30 september;
-  oliebollen van 1 november tot en met 31 januari;
-   kerstbomen van 6 december tot en met 24 december.

Toelichting artikel 5.2.7a:
In het eerste lid is geregeld dat indien een gebied als standplaatsvrij wordt aangewezen, degenen op wiens naam een standplaatsvergunning is gesteld binnen het als standplaatsvrij aangewezen gebied, voor een periode van twee jaar van die vergunning gebruik kan blijven maken.
Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid specifieke locaties binnen het standplaatsvrije gebied aan te wijzen waar ontheffing verleend kan worden aan een standplaats van niet meer dan vier vierkante meter en een inhoud die niet meer dan 10 kubieke meters mag bedragen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid, waarvan het college in bijzondere gevallen gebruik kan maken.

Toelichting artikel 5.2.8:
Deze bepaling spreekt voor zichzelf.

Toelichting artikel 5.2.9: [vervallen]
 
Toelichting artikel 5.2.10: [vervallen]

Toelichting artikel 5.2.11: [vervallen]

Toelichting artikel 5.2.12:
De artikelen 5.2.3 tot en met 5.2.11 van de APV betreffen het innemen van standplaats op de openbare weg in het kader van de 'ambulante handel'. Dit innemen van standplaats geschiedt veelal met niet al te omvangrijke (markt)kramen of met kleine voertuigen of aanhangwagens. In de praktijk bestaat bij bepaalde instanties of ondernemers de wens om ook met grotere voertuigen periodiek op bepaalde plaatsen standplaats in te nemen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan voertuigen waarin medische onderzoeken worden verricht, aan bibliotheekbussen, aan (voorlichtings)voertuigen van ideële instellingen, aan voertuigen die worden gebruikt voor de inzameling van klein gevaarlijk afval (KGA) en tenslotte - in het commerciële vlak - aan voertuigen, waarin of waaruit producten of diensten aan het publiek worden aangeboden, verkocht of verstrekt (verzekeringsmaatschappijen, telefoonmaatschappijen etc.). Tegen deze vorm van standplaats innemen bestaat op zich geen bezwaar. De oude standplaatsregeling in de APV bood voor deze specifieke standplaatsen echter geen ruimte. Vandaar dat is gekozen voor een meer specifieke bepaling.

Toelichting artikel 5.2.13: [vervallen]


Dit artikel valt onder evenement als bedoeld in paragraaf 2.2.















































§ 5.3    OPENBAAR WATER

Algemene toelichting § 5.3:
Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De centrale wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde vaarwateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. Genoemd wordt hier onder meer het op de Scheepvaartverkeerswet gebaseerde Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Op provinciaal niveau is er in dit verband de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.
De regelgevende bevoegdheid ten aanzien van "de bescherming van 's rijks waterstaatswerken en de verzekering van het doelmatig en veilig gebruik daarvan" komt exclusief toe aan de centrale overheid. Dit betekent dat voor de provinciale en gemeentelijke overheden en de waterschappen slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid resteert voor zover daaraan hetzelfde motief als dat van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag ligt. Deze bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die vaarwateren.

De regelgeving in de onderhavige paragraaf blijft beperkt tot gedragingen in of op het openbaar water (zie voor de definitie daarvan het eerste hoofdstuk van deze verordening), die overlast kunnen veroorzaken voor andere gebruikers van het openbaar water (de scheepvaart), die de veiligheid op het openbaar water in gevaar kunnen brengen, die kunnen leiden tot beschadiging van waterstaatswerken en oevers, of die te brengen zijn onder de categorie "baldadigheid". De in deze paragraaf opgenomen strafbepalingen kunnen in beginsel worden toegepast op alle openbare wateren in Rotterdam, tenzij voor die wateren andere regelingen van toepassing zijn. Dat is dan in de betreffende artikelen vermeld.
 
Toelichting artikel 5.3.1:
Bepalingen die evenals artikel 5.3.1 tot doel hebben het gebruik van het water te waarborgen, komen in zowel de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartverkeerswet (artikel 30, tweede lid: verbod een voorwerp, van welke aard ook, dat het verkeer op een vaarweg in verwarring zou kunnen brengen, daarlangs, daarin of daarboven aan te brengen) als in de Vaarwegenverordening Zuid-Holland (artikelen 2.2.3. en 3.2.2; verbod om voorwerpen in een vaarweg te brengen of te laten vallen) voor.
Zowel de Wet beheer rijkswaterstaatswerken als de Vaarwegenverordening Zuid-Holland geven aan voor welke wateren zij van toepassing zijn. Het onderhavige artikel 5.3.1 is dan ook bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden.
Het tweede lid geeft het college heeft de mogelijkheid om categorieën van voorwerpen aan te wijzen – al dan niet onder voorwaarden - waarvoor het niet nodig is een vergunning aan te vragen.
De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, onder 6 (inzake het al dan niet opzettelijk versperren van waterwegen), en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement; verbod tot het te water doen geraken van voorwerpen en stoffen).

Toelichting artikel 5.3.1a:
Dit in 2008 ingevoegde artikel is afgeleid van enkele artikelen uit de Pleziervaartuigenverordening. De Pleziervaartuigenverordening gaf regels met betrekking tot het recreëren met pleziervaartuigen op de Kralingse Plas en de Bergse plassen. Een groot deel van deze verordening was achterhaald, maar een klein aantal artikelen diende onverminderd te blijven bestaan. Deze artikelen zijn opgenomen in de nieuwe artikelen 5.3.1a en 5.3.1b van de APV Rotterdam, met dien verstande dat zij niet beperkt zijn tot de Kralingse Plas of de Bergse plassen. De in de hiervoor genoemde artikelen gelden enkel voor zover deze door het college bij aanwijzingsbesluit zijn “geactiveerd”.
 
Indien het college gebieden aanwijst kan zij de verboden genoemd onder a tot en met h daar van toepassing te verklaren. Niet alle verboden hoeven voor een gebied te gelden, het college kan een keuze maken.

De in het eerste lid bedoelde verboden gelden overigens niet voor pleziervaartuigen die in een jachthaven liggen of pleziervaartuigen die liggen op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien meter.

Toelichting artikel 5.3.1b:
Op grond van dit artikel kan het college openbaar water aanwijzen waar het verboden is zich met een vaartuig te bevinden.
Het college kan van het verbod in het eerste lid vrijstelling (voor een categorie van gevallen) of ontheffing (voor individuele gevallen) verlenen.

Toelichting artikel 5.3.2:
De Vaarwegenverordening Zuid-Holland kent dergelijke bepalingen voor waterstaatswerken die bij de provincie in beheer zijn (vgl. de artikelen 2.2.1 en 2.2.8).
Artikel 5.3.2 vormt dan het sluitstuk, namelijk voor de waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten.
Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.

Toelichting artikel 5.3.3:
Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.

Toelichting artikel 5.3.4:
In algemene zin wordt in deze bepaling het zwemmen in openbaar water - veelal niet bevorderlijk voor de gezondheid of voor de persoonlijke veiligheid van de zwemmer - verboden, behalve op die plekken, die door het college zijn aangewezen.

Toelichting artikel 5.3.5:
Deze bepaling richt zich op gedragingen van zwemmers en baders in openbaar water. Of de zwemmer of bader "legaal" in het water vertoeft (vgl. artikel 5.3.4) doet daarbij niet terzake. Zwemmers en baders mogen het scheepvaartverkeer niet hinderen.
Terzake zijn ook regels gesteld in het Binnenvaartpolitiereglement (artikel 6.17.: een persoon die .watersport bedrijft zonder gebruik te maken van een schip moet voldoende afstand houden van een varend schip of een varend drijvend voorwerp dan wel van een drijvend werktuig in bedrijf (onder watersport is zwemmen en baden begrepen)) en in de Vaarwegenverordening Zuid-Holland (artikelen 2.2.1 en 3.2.1: verbod om de scheepvaart te belemmeren).

Toelichting artikel 5.3.6:
Deze bepaling betreft vooral baldadige gedragingen, die helaas nogal eens voorkomen en gemakkelijk tot schade of overlast voor watersporters kunnen leiden.

Toelichting artikel 5.3.7:
Deze bepaling betreft een bijzondere wijze van verzamelen van visvoer, welke activiteiten (veelal beroepsmatig) worden uitgeoefend.

§ 5.4   VERBOD AFVALSTOFFEN TE VERBRANDEN BUITEN INRICHTINGEN OF ANDERSZINS VUUR TE STOKEN

Algemene toelichting § 5.4:
Vuren in de open lucht raken de veiligheid van personen en goederen. Voorts levert dit verbrandingsstoffen op die de gezondheid van de mens kunnen beïnvloeden en een bedreiging vormen voor flora en fauna. De meeste vuren worden gevoed met afvalstoffen. Deze stoffen dienen op grond van de milieuwetgeving afgevoerd en opgeruimd te worden (bouw- en sloopafval, verpakkings- en verzendmateriaal, land- en tuinbouwafval). Voor het verbranden daarvan in de open lucht is derhalve geen ruimte. De vuren die onder deze bepaling vallen, zullen in de regel kleine vuren betreffen op het eigen erf. Gelet op de bebouwings- en bevolkingsdichtheid en de aanwezige natuurwaarden zal er meestal sprake zijn van verstoring van het woon- en leefklimaat, van overlast voor mens en dier en van aantasting van flora en fauna.

Toelichting artikel 5.4.1:
Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet onder het verbod. Daarnaast mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven.

Het college kan van het in het eerste lid omschreven verbod ontheffing verlenen. Daarbij kan worden gedacht aan (veelal georganiseerde) vreugdevuren, kampvuren en oudejaarsvuren. Een ontheffing voor dergelijke vuren kan voorschriften bevatten betreffende het te stoken materiaal, de afstand tot het mogelijk toeschouwende publiek, de aanwezigheid van eerstehulpmaterialen en -deskundigen, de aanwezigheid van blusmaterialen, het verwijderen van en het afvoeren van as en andere verbrandingsresten en het herstel van de ondergrond van de vuurplaats.
Ook kan ontheffing worden verleend voor verbranding van landbouwreststoffen op het land of van akkermaalshout, als andere verwerkingsmethoden als volledig onbruikbaar en ondoelmatig zijn aan te merken.
Ten slotte kan ontheffing worden verleend, indien dit noodzakelijk is ter vernietiging van met ziekte aangetast hout. Zo geeft artikel 4.4.12 van deze verordening een regeling betreffende vernietiging van bomen die door iepenziekte zijn aangetast. Voorts valt te denken aan hout dat is besmet met het zogenaamde bacterievuur. In deze verdient het, indien mogelijk, op milieuhygiënische gronden de voorkeur het met ziekte aangetast hout af te voeren naar een afvalverbrandingsinstallatie (avi).

Aan de bovengenoemde ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden. Gedacht kan worden aan het voorschrift dat:
-   het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving;
-   in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout, besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk moeten worden gescheiden;
-   de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig dient te zijn en deze dient zorg te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt;
-   de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang en zonsopgang;
-   verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot bouwwerken;
-   van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken van de directeur van de Dienst Gemeentewerken of zijn plaatsvervanger ten minste één uur voor de verbranding moet worden geïnformeerd.
In ieder geval zal aan de bovengenoemde ontheffingen het voorschrift worden verbonden, dat ten minste één uur voor de verbranding de alarmcentrale van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond telefonisch moet worden geïnformeerd.

Het vierde lid biedt de aanvullende mogelijkheid voor het college om perioden, tijden of gebieden aan te wijzen wanneer of waar het gestelde in het tweede lid, onder c, verboden is.

In het vijfde lid, van artikel 5.4.1 zijn van de werkingssfeer van deze bepaling uitgezonderd die situaties waarop artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, te weten het aanleggen van vuur of het onderhouden daarvan op zó korte afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet, indien de provinciale milieuverordening van toepassing is. In de provinciale milieuverordening kunnen inzake dit onderwerp evenzeer regels worden gesteld. Een afbakening tussen de APV en de provinciale verordening is dus noodzakelijk.

§ 5.5   VERSTROOIING VAN AS

Algemene toelichting § 5.5:
In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor een vergunning had gekregen van het college. Het terrein was bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt).

In de gewijzigde Wet op de lijkbezorging is de mogelijkheid geopend voor de nabestaande om de as zelf te verstrooien. In artikel 5.5.2 is aangegeven waar dit op het grondgebied van de gemeente verboden is. Uiteraard geldt steeds, ook in het geval het college een ontheffing ter zake verleent, dat ook andere relevante wet- en regelgeving, zoals bijvoorbeeld de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, in acht moet worden genomen. Zo moeten de verantwoordelijke overheden als waterkwaliteitsbeheerder, zoals Rijkswaterstaat, de Hoogheemraadschappen en de Waterschappen, instemmen met de incidentele verstrooiing boven water alvorens hiertoe wordt overgegaan.

Toelichting artikel 5.5.2:
Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.

Als het college een vergunning hebben verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.

Ook is het niet wenselijk wanneer asverstrooiing plaatsvindt op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en spelterreinen. Enerzijds om te voorkomen dat op deze vaak druk bezette terreinen mensen met een asverstrooiing geconfronteerd worden en anderzijds om te voorkomen dat, met name, kinderen bij het spelen in aanraking komen met asrestanten.

Voor wateren die niet door de beroepsvaart gebruikt worden en op het strand en in de zee is het verboden om in de periode van 1 mei tot en met 30 september tussen 9 uur ’s ochtends en 9 uur ’s avonds as te verstrooien. Dit zijn veelal gebieden die in die periode volop door mensen voor (water)recreatie gebruikt worden en het is niet wenselijk dat in die periode op die plaatsen asverstrooiingen plaatsvinden. Voor de zee geldt dat asverstrooiingen tijdens de genoemde periode alleen binnen 300 meter van de kustlijn verboden is. Buiten de 300 meter uit de kustlijn is asverstrooiing wel toegestaan.
In de periode van 1 oktober tot en met 30 april gelden de beperkingen ten aanzien van de openbare vaarwegen, het strand en de zee niet, dan kunnen asverstrooiingen op elk tijdstip plaatsvinden. Kanttekening hierbij is wel dat de asverstrooiingen geen hinder mogen opleveren.

Het verbod om as te verstrooien op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en remmingswerken hangt samen met het gebruik van dit havenmeubilair voor de scheepvaart alsmede met het gevaar dat het verstrooien vanaf dergelijke plaatsen zou kunnen opleveren.

Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.

Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten. Alvorens de nabestaanden tot asverstrooiing overgaan zullen zij zich derhalve steeds van moeten vergewissen dat er door de asverstrooiing geen hinder of overlast ontstaat.

Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.
Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.
Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.

§ 5.6    NAAKTRECREATIE

Algemene toelichting § 5.6:
De gemeentelijke bevoegdheid tot regulering van de naaktrecreatie wordt begrensd door artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt als volgt: "Hij die zich buiten een door de gemeenteraad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie aangewezen plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie." Deze bepaling is gebaseerd op het uitgangspunt, dat naaktrecreatie anno heden niet (langer) overal schennis van de eerbaarheid oplevert. Dat geldt zeker op die plaatsen waarop terzake een zekere maatschappelijke aanvaarding heeft plaatsgevonden, danwel daar waar verwacht mag worden dat de grote meerderheid van de aldaar aanwezigen dat geen bezwaar zou achten.

Artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht bevat een "uitputtende" regeling van deze materie. Er is ten aanzien van ongeklede recreatie dan ook geen plaats meer voor een gemeentelijke verbodsbepaling. De gemeenteraad mag alleen nog gebieden aanwijzen die hij voor ongeklede recreatie wél geschikt acht.
Bij de behandeling van dit artikel in de Tweede Kamer is gebleken dat niet alleen op plaatsen die de gemeenteraad geschikt acht ongeklede recreatie mag plaatsvinden, maar dat in feite op alle voor het openbaar verkeer bestemde plaatsen, die daarvoor geschikt zijn, ongekleed gerecreëerd mag worden. De rechter maakt in het concrete geval uit of er inderdaad sprake is van een "geschikte plaats" als in het evenvermelde artikel is bedoeld.
Slechts indien de aard van de plaats of de omstandigheden zo zijn, dat in redelijkheid niet meer kan worden gesproken van geschiktheid, blijft het feit een zekere mate van strafwaardigheid behouden. De minister van justitie noemde tijdens de Kamerbehandeling reeds een aantal factoren, dat zijns inziens bij de afweging, of er sprake is van een geschikte plek voor ongeklede recreatie, betrokken moet worden, te weten:
-   het feit dat de grote meerderheid van de ter plaatse aanwezigen geen bezwaren moet hebben tegen ongeklede recreatie;
-  de lokale omstandigheden;
-  de tijdsomstandigheden;
-   (soms) het tijdstip van de dag.
De woorden "op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde plaats" stellen tenslotte buiten twijfel, dat er slechts sprake is van overtreding van artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht, indien het gebeuren plaatsvindt in het openbaar gebied, of daarmee te vergelijken plaatsen.

Conclusie van het bovenstaande: door het aanwijzen van bepaalde - concreet omschreven - gebieden voor ongeklede recreatie, zoals in artikel 5.6.1 is gebeurd, geeft de gemeenteraad impliciet aan, dat hij andere gebieden in beginsel niét geschikt acht voor ongeklede recreatie. Indien personen in die andere gebieden echter tóch ongekleed recreëren, dan hangt het van het inzicht van de rechter af of deze personen strafbaar zijn of niet. De rechter bepaalt immers in laatste instantie of een bepaald gebied voor ongeklede recreatie geschikt is. De aanwijzing van gebieden door de gemeenteraad heeft dus in zekere zin een relatieve betekenis. De jurisprudentie zal op dit punt verdere duidelijkheid moeten scheppen.

Wat moet nu echter onder "ongeklede recreatie" worden verstaan? Naar de mening van de Minister van Justitie valt hier zowel geheel als gedeeltelijk ongeklede recreatie onder. Wel liet de Minister blijken dat het topless recreëren niet snel schending van artikel 430a zal betekenen. Dit vindt meestal plaats op stranden of daarmee te vergelijken plaatsen, en is aldaar op dit moment vrij algemeen aanvaard, aldus de minister. De rechter heeft hierover echter het laatste woord.

Toelichting artikel 5.6.1:
In dit artikel wordt aangegeven op welke plaatsen binnen de gemeente naakt gerecreëerd mag worden.

ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

§ 5.7  STRAND EN ZEE

Algemene toelichting § 5.7:
In deze paragraaf zijn die bepalingen bijeengebracht, die uitsluitend betrekking hebben gedragingen op en rondom het strand en in de zee. Met name op warme zomerdagen, wanneer de stranden het drukst worden bezocht, kan het voor de badgasten erg hinderlijk en zelfs gevaarlijk zijn, indien men zich met voertuigen, met rij- en trekdieren of met bepaalde speelwerktuigen op het strand bevindt. Ook het bevaren van de zee met vaartuigen kan gevaar opleveren voor zwemmende of badende badgasten.

De motieven achter de in deze paragraaf opgenomen bepalingen zijn primair de handhaving van de openbare orde en de verzekering van de openbare veiligheid. Secundair is met het weren van bijvoorbeeld motorvoertuigen, bromfietsen en rij- en trekdieren van de stranden ook een milieubelang gemoeid (vermijden van uitlaatgassen, uitwerpselen e.d.).

Toelichting artikel 5.7.1: [vervallen]

Toelichting artikel 5.7.2:
Dit artikel verbiedt dat men zich met motorvoertuigen, bromfietsen en fietsen op de publiek toegankelijke delen van het strand of van de duinen bevindt. Onder het begrip fiets vallen ook mountainbikes, terreinfietsen, ligfietsen, enz. In de praktijk is gebleken dat fietsen vooral in de duingebieden veel schade kunnen veroorzaken.

Voor de in het eerste lid genoemde voertuigen is in het derde lid een ontheffingsmogelijkheid opgenomen, zodat bijvoorbeeld strandtenthouders in de gelegenheid kunnen worden gesteld hun strandtent te bevoorraden. Ook politie- en rampbestrijdingsvoertuigen behoeven een ontheffing. Tevens is het mogelijk om in geval van grote evenementen, zoals bijvoorbeeld "strandraces" - welke in het verleden op het strand van Hoek van Holland plaatsvonden - een ontheffing te verlenen.

Toelichting artikel 5.7.3:
Deze bepaling regelt dat het college perioden en tijden kan aanwijzen wanneer het verboden is zich met rij- of trekdieren op het strand te bevinden. Doel van de bepaling is de vervuiling van het strand door uitwerpselen van paarden en pony's tegen te gaan. Daarnaast kan de aanwezigheid van met name paarden gevaar opleveren voor de badgasten.

De bepaling is op verzoek van de deelgemeente Hoek van Holland verruimd. In plaats van het noemen van perioden in deze verordening kan nu het college (dagelijks bestuur) zelfstandig perioden en tijden vaststellen. De verruiming bleek noodzakelijk daar het oude artikel geen ruimte gaf om bijvoorbeeld de perioden en tijden af te stemmen met de buurgemeenten.

Het college kan overigens niet alleen voor het strand te Hoek van Holland, maar ook voor het strand op de Maasvlakte perioden en tijden aanwijzen. De problemen op beide stranden zijn immers identiek.

Toelichting artikel 5.7.4:
In het eerste lid is het Noordzeestrand van de Maasvlakte aan het verbod om zich daar met een vaartuig te begeven toegevoegd. Deze toevoeging is opgenomen om gemotoriseerd waterverkeer tussen badgasten te voorkomen. Op verzoek van de deelgemeente Hoek van Holland is aan het jetskiverbod een kite-surf verbod toegevoegd. In de praktijk is gebleken dat zowel jetski’s als kite-surfers ernstig gevaar opleveren voor de badgasten. Daarom is het jetski en kite-surf verbod ook van toepassing op het strand van en de zee voor de Maasvlakte.
Wel bestaat er de mogelijkheid dat het college perioden, tijden of gebieden aangeeft, danwel aanwijst waar het verbod om zich met jetski’s, waterscooters of met kite-surfuitrustig op het strand of in de zee te bevinden niet geldt.

Toelichting artikel 5.7.5:
Het artikel is bedoeld om zwemmers te behoeden om zich in gevaarlijk zeewater te begeven.

Toelichting artikel 5.7.5a:
Dit artikel beoogt de levensgevaarlijke situaties, zoals deze zich voordoen op de blokken van de blokkendam, te voorkomen. Mensen lopen of zitten op de blokken van de blokkendam gelegen tussen Slag Maasmond en Slag Dobbelsteen en op de blokkendam in het verlengde van de Noorderpier en daarmee brengen zij zichzelf onnodig in gevaar. Door golfslag van grote schepen en golfslag bij slecht weer kunnen golven voor dusdanige problemen zorgen dat mensen zich kunnen bezeren doordat zij van de blokken gespoeld worden of in het ergste geval dat zij te water raken en verdrinken. Mensen zijn zich veelal niet bewust van dit gevaar en daarom is in artikel 5.7.5a een algeheel verbod opgenomen om zich te bevinden op de blokken van de blokkendam.

Toelichting artikel 5.7.6:
Net als in veel andere kustgemeenten het geval is, wordt in Hoek van Holland in toenemende mate overlast ondervonden van bezoekers met speelwerktuigen, die onder bepaalde omstandigheden gevaarlijk of hinderlijk kunnen zijn. Vooral het vliegeren met moderne vliegers op het strand kan gevaarlijk zijn voor de aanwezige personen op dat strand. Ook het gezelschapsspel jeu-de-boules kan onder bepaalde omstandigheden gevaar opleveren voor strandbezoekers. Het gebruik van dergelijke "speelwerktuigen" op het strand, in de zee of in de duinen is dus niet absoluut verboden. De politie zal per geval moeten beoordelen of sprake is van een gevaarlijke of hinderlijke situatie.

Toelichting artikel 5.7.7:
In dit artikel is vastgelegd dat de in deze paragraaf gestelde verboden niet gelden met betrekking tot voertuigen, fietsen, dieren en vaartuigen, ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij en de Rotterdamse Vrijwillige Reddingsbrigade. Door het opnemen van dit artikel wordt voorkomen dat de hierboven genoemde organisaties die bedrijfsmatig op het strand moeten zijn, een ontheffing moeten aanvragen.

§ 5.8     DESTRUCTIE [vervallen]

Deze paragraaf is overbodig geworden door nieuwe landelijke regelgeving en is daarom komen te vervallen.

TOELICHTING HOOFDSTUK 6  HANDHAVING

Algemene toelichting hoofdstuk 6:
In het zesde van deze verordening hebben de handhavingsbepalingen hun plaats gekregen. Verwezen zij naar de toelichtingen bij de betreffende bepalingen.

Toelichting artikel 6.1:
Volgens artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Hieruit volgt, dat de formele wetgever aan de gemeentelijke wetgever de keuzemogelijkheid heeft gelaten om op overtreding van gemeentelijke verordeningen een geldboete te stellen van de tweede categorie (€ 2250,-) of van de eerste categorie (€ 225,-).
Aldus kan de raad aangeven welke overtredingen hij van zwaardere aard en welke overtredingen hij van lichtere aard acht. Een en ander doet niets af aan de traditionele vrijheid van de rechter om binnen de door de (Gemeente)wet gestelde grenzen de soort en de maat van de straf in een concreet geval te bepalen. Tot de grens van de door de gemeentelijke wetgever gekozen geldboetecategorie zal de strafrechter dus steeds de straf in het concrete geval moeten bepalen.
Artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht legt de rechter de plicht op rekening te houden met de draagkracht van de verdachte.

In het onderhavige artikel 6.1 is van de door de wetgever gegeven keuzemogelijkheid gebruik gemaakt. Overeenkomstig verzoeken uit de praktijk en hetgeen in andere gemeenten is bepaald, is in 2003 gekozen voor onderbrenging van alle strafbepalingen in deze verordenin g in de tweede categorie (maximum € 2250,-). Ieder soort delict kan namelijk onder zodanige omstandigheden worden gepleegd, dat een geldboete van meer dan € 225,- in de rede ligt. Niet zelden gebeurde het, dat de rechter er behoefte aan had om voor bijvoor beeld bepaalde baldadigheidsdelicten een geldboete van de tweede categorie op te leggen terwijl dat niet mogelijk was. In plaats van een geldboete van maximaal de tweede categorie is het op basis van artike l 6.1, eerste lid, eveneens mogelijk om voor genoemde overtredingen een hechtenis te eisen van ten hoogste drie maanden. Hierdoor wordt aan het Openbaar Ministerie de keuze gelaten om in plaats van een geldboete voor hechtenis te kiezen.

De strafbedreiging op overtreding van gemeentelijke medebewindsvoorschriften is meestal te vinden in de bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het vaststellen van deze voorschriften. De opsomming in het eerste lid van artikel 6.1 bevat dan ook geen in deze verordening opgenomen medebewindvoorschriften, op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Deze voorschriften zijn de voorschriften met betrekking tot heling met uitzondering van artikel 2.5.5 (overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht (tweede, respectievelijk derde geldboetecategorie)).

Door ook overtreding van het krachtens de verordening bepaalde met straf te bedreigen, wordt ook het niet naleven van door het college krachtens delegatie door de raad gestelde nadere regels bestempeld tot strafbaar feit. De strafbaarstelling van overtreding van de door het college gestelde nadere regels moet immers steunen op de raadsverordening. Ook het niet nakomen van de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften wordt door het gebruik van de term "krachtens" een strafbaar feit.

Toelichting artikel 6.2:
Men kan een onderscheid maken tussen opsporingsbevoegdheden enerzijds en controlerende of toezichthoudende bevoegdheden anderzijds. Van opsporing kan eerst worden gesproken indien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van een strafbaar feit voortvloeit.
Onderzoek zonder dat een redelijk vermoeden van een strafbaar feit aanwezig is, draagt het karakter van toezicht (controle). Toezichthoudende bevoegdheden kunnen worden toegepast ten aanzien van al degenen tot wie de betrokken voorschriften zijn gericht. Uiteraard kan de uitoefening van toezicht wel feiten of omstandigheden aan het licht brengen die leiden tot een redelijk vermoeden van een strafbaar feit en dus tot het intreden van de opsporingsfase.

(Buitengewone) opsporingsambtenaren, tevens toezichthouders

De met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren worden genoemd in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. De in artikel 141 genoemde ambtenaren (onder andere de ambtenaren van de regionale politiekorpsen) hebben een algemene opsporingsbevoegdheid. Artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, bepaalt dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast de personen aan wie bij verordeningen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan is toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd. De aangewezen personen hebben dus ingevolge het bepaalde in artikel 142, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafrecht tevens opsporingsbevoegdheid voor die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Om buitengewone opsporingsambtenaar te kunnen worden dient men éérst in een verordening te zijn aangewezen als 'toezichthoudend ambtenaar'.
Aangezien het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in de mogelijkheid van 'delegatie' van de aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren als buitengewone opsporingsambtenaren aan het college, zal de raad deze ambtenaren in de verordening zelf moeten aanwijzen. Artikel 6.2, eerste lid, voorziet hierin. Naar het voorkomt behoeven de betreffende personen niet 'in persoon' te worden aangewezen (dan zou de APV wel erg vaak gewijzigd moeten worden), maar kan worden volstaan met een 'functionele' of 'categorale' aanwijzing.
Het vierde lid van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan, dat bij algemene maatregel van bestuur voor buitengewone opsporingsambtenaren regels kunnen worden gegeven inzake o.m. de beëdiging, het toezicht waaraan deze opsporingsambtenaren zijn onderworpen, de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid. Inmiddels is een dergelijke algemene maatregel van bestuur vastgesteld ("Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar"). De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaar beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn.

Pure toezichthoudende ambtenaren

Het tweede lid van artikel 6.2 voorziet in de aanwijzing van 'toezichthoudende ambtenaren' door het college.
De achtergrond van deze in 1998 in de APV opgenomen bepaling is de nieuwe regeling terzake van 'handhaving' in de Algemene wet bestuursrecht (derde tranche). In artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht wordt met zoveel woorden aangegeven dat onder 'toezichthouder' wordt verstaan een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. De grondslag voor de aanwijzing van toezichthouders op autonome gemeentelijke regels wordt ontleend aan een op basis van de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening (i.c. de APV). Een persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen bevoegdheden.
Ook aan opsporingsambtenaren (in dit verband met name de reguliere politie) mag uiteraard de (beperkte) controlebevoegdheid tot inzage van vergunningen/ontheffingen worden verleend. Dat is op verschillende plekken in deze verordening ook gebeurd.

Toelichting artikel 6.3:
Artikel 6.3 betreft het betreden dan wel binnentreden van "woningen" door toezichthoudende ambtenaren zonder toestemming van de bewoner. Het betreden dan wel binnentreden van "andere gebouwen en plaatsen" wordt geregeld in de Algemene wet bestuursrecht, waar in artikel 5.15 met zoveel woorden is bepaald, dat aan een toezichthouder de bevoegdheid wordt toegekend elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.

In artikel 12 van de Grondwet is bepaald, dat het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner alleen geoorloofd is in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens een bijzondere of algemene last van een autoriteit door de wet aangewezen, en met inachtneming van de bij de wet geregelde vormen. Op 1 oktober 1994 is de Algemene wet op het binnentreden in werking getreden. In deze wet zijn voorschriften opgenomen die bij het binnentreden in woningen en het betreden van enkele andere bijzondere plaatsen (vergaderzalen van algemeen vertegenwoordigende lichamen, ruimten voor godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke bezinningssamenkomsten, rechtszalen) in acht dienen te worden genomen. Als gevolg van het in werking treden van de Algemene wet op het binnentreden dienen de binnentredingsbepalingen in gemeentelijke verordeningen te worden aangepast. De aanpassing komt er in het kort op neer, dat het niet langer mogelijk is om in een verordening een algemene last tot binnentreden op te nemen.

De Algemene wet op het binnentreden noemt een aantal vereisten dat bij het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner in acht genomen moet worden:
1.   een bijzondere machtiging is vereist (uitzondering in geval van spoedeisendheid);
2.   degene die bevoegd is een woning binnen te treden moet zich op grond van artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden daarbij legitimeren (uitzondering in geval van spoedeisendheid); die verplichting bestaat overigens ook wanneer de bewoner toestemming geeft om binnen te treden;
3.   voordat een woning wordt binnengetreden dient mededeling te worden gedaan van het doel van het binnentreden (uitzondering in geval van spoedeisendheid); die verplichting bestaat ook wanneer de bewoner toestemming geeft om binnen te treden;
4.   er dient omtrent het binnentreden na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10); dit is van belang voor de controle achteraf op de uitoefening van deze in de persoonlijke levenssfeer ingrijpende bevoegdheid.

Ingevolge artikel 149a van de Gemeentewet kan de raad bij verordening aan personen die belast zijn met het toezicht op de naleving daarvan, de bevoegdheid verlenen tot het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner. In dat kader is artikel 6.3 in de APV opgenomen.
Bij het binnentreden op grond van artikel 6.3 gaat het overigens uitdrukkelijk om binnentreden ter uitoefening van toezicht en opsporing in verband met de naleving van voorschriften inzake handhaving van de openbare orde of veiligheid en bescherming van het leven of de gezondheid van personen, derhalve met name ter handhaving van autonome gemeentelijke verordeningen. Voor wat betreft medebewindsbepalingen dient gehandeld te worden overeenkomstige de binnentredingsbepalingen in de van toepassing zijnde bijzondere wet.
Artikel 149a van de Gemeentewet - en in het verlengde daarvan artikel 6.3 van de APV - geeft uitdrukkelijk niet de bevoegdheid om binnen te treden in woningen ter uitoefening van bestuursdwang. Deze bevoegdheid kan alleen blijken uit afzonderlijke wetten in formele zin.

Zoals reeds opgemerkt wordt het betreden dan wel binnentreden van "andere gebouwen en plaatsen" door toezichthouders geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. In artikel 5:15 van de Awb is met zoveel woorden bepaald, dat een toezichthouder bevoegd is, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Ingevolge het tweede lid van artikel 5:15 verschaft de toezichthouder zich zonodig toegang met behulp van de sterke arm. Het derde lid van artikel 5:15 bepaalt, dat de toezichthouder bevoegd is zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

Zie over het begrip "toezichthouder" ook de toelichting bij artikel 6.2.

TOELICHTING HOOFDSTUK 7  OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Toelichting artikel 7.1:
Bij de inwerkingtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 wordt de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam ingetrokken, met dien verstande dat artikel 5.2.2 (venten) tot 1 oktober 2008 geldt.
Vanaf 1 oktober 2008 wordt venten vergunning vrij. Om de bevoegde bestuursorganen voldoende tijd te geven om hierop in te springen, zal tot 1 oktober 2008 het oude recht nog van toepassing zijn en is venten vergunningplichtig.
 
Toelichting artikel 7.2:
Nu een nieuwe APV wordt vastgesteld is he t noodzakelijk overgangsrecht op te nemen, om te voorkomen dat bevoegde organen die in het verleden regelingen, beleidsregels, nadere regels e.d., op basis van de oude APV hebben vastgesteld, nieuwe regels moeten vaststellen.
Dit overgangsrecht voorkomt dit.

Toelichting artikel 7.3:
Het overgangsrecht in dit artikel regelt dat aanvragen om een toestemming of bezwaarschriften die voor de inwerkingtreding van de verordening zijn ingediend, maar waarop niet is beslist, nog worden afgehandeld op basis van het oude recht.

Toelichting artikel 7.4:
De verordening treedt in werking de dag na publicatie daarvan in het gemeenteblad.
Daarvan zijn uitgezonderd de artikelen 2.2.2a (meldingsplichtige evenementen), 5.2.2 (venten) en 5.3.1a (ligplaats vaartuigen). Deze artikelen treden in werking op 1 oktober 2008. Dit heeft te maken met het feit dat de implementatie van deze artikelen de nodige tijd vergt.

Toelichting artikel 7.5:
De citeertitel van deze verordening is “Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008” of “APV Rotterdam 2008”.


 



Uitgelicht


Zoeken