| Aan de hoofden van dienst en t.k.n. directeuren van de Bestuursdienst
|
P&O-circulaire Bezoekadres: Stadhuis Coolsingel 40 Rotterdam Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Website: www.rotterdam.nl E-mail: post@stadhuis.rotterdam.nl
Ons kenmerk: 2007/7 Aantal bijlagen: 1 Betreft: wijziging Ambtenarenreglement t.a.v. de verkoop van vakantie-uren in het kader van het cafetariamodel en vervallen vakantie-uren. Datum: 13 maart 2007 |
Juridische grondslag: artikel 125 Ambtenarenwet
Relatie met andere circulaires: n.v.t.
Ingangsdatum: 1 januari 2007
Geldig tot: onbepaalde tijd
Hierbij delen wij u mede dat wij in onze vergadering van 27 februari jl. hebben besloten tot wijziging van het Ambtenarenreglement (AR). Samengevat houdt ons besluit in dat alleen uren uit een komend kalenderjaar verkocht mogen worden. Verder moet vanaf 1 januari 2007 na de verkoop van vakantie-uren in het kader van het cafetariamodel (artikel 40e AR) een hoger aantal vakantie-uren resteren dan tot nu toe het geval was (144 uren in plaats van 103,2). Ook is het gestelde maximum voor wat betreft het aantal te verkopen vakantie-uren (72) geschrapt. Daarnaast hebben wij besloten in het AR uitdrukkelijk vast te leggen dat als een ambtenaar aan het einde van een kalenderjaar nog recht heeft op meer dan 180 vakantie-uren het meerdere vervalt, tenzij wij besluiten dat meer uren mogen worden doorgeschoven naar het volgende kalenderjaar.
1. Alleen verkoop van uren uit een komend kalenderjaar
In artikel 40e van het AR is de mogelijkheid opgenomen om in het kader van het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden de duur van de jaarlijkse vakantie te verminderen in ruil voor een vergoeding. De ambtenaar wordt hierdoor in staat gesteld een deel van zijn vakantietegoed in geld om te zetten (te “verkopen”). Dit is onderdeel van het zogenaamde cafetariamodel.
Het bleek niet duidelijk of de zinsnede “de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 42, eerste lid-“ in het eerste lid van artikel 40e AR ook betrekking had op vakantie-uren uit voorgaande jaren. Hierdoor was het onduidelijk of vakantie-uren uit voorgaande jaren ook onder de werkingssfeer van artikel 40e vallen (en dus verkocht mogen worden) of niet.
Met de nieuwe tekst is beoogd vast te leggen dat alleen vakantie-uren uit het komende kalenderjaar uitgewisseld (verkocht) mogen worden. Uren die uit voorgaande jaren stammen, vallen dus niet (meer) onder het cafetariamodel.
2. Verhoging aantal vakantie-uren dat na uitruil tegen geld over moet blijven
In het tweede lid van artikel 40e van het AR was vastgelegd dat voor een ambtenaar met een volledige betrekking na het verkopen van vakantie-uren tenminste 103,2 uren van de jaarlijkse aanspraak op vakantie dienden te resteren. Dit aantal blijkt niet te verenigen met artikel 7 van de richtlijn 93/104/EG van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/34/EG van 22 juni 2000 (verder: de richtlijn).
Richtlijnen zijn ook van toepassing op ambtenaren. In artikel 7, eerste lid, van de richtlijn wordt gesproken over een vakantie van tenminste vier weken. In de Rotterdamse situatie gaat het dan in het geval van een ambtenaar met een volledige betrekking om 144 uur vakantie.
Op grond van de richtlijn moet de werknemer in normale omstandigheden in het belang van een doeltreffende bescherming van zijn veiligheid en gezondheid daadwerkelijke rust kunnen genieten. Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan op grond van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn alleen in geval van beëindiging van het dienstverband worden vervangen door een financiële vergoeding.
Het bovenstaande betekent dat een ambtenaar met een volledige betrekking per jaar tenminste 144 uur vakantieverlof dient te genieten. Een ambtenaar met een volledige betrekking die, conform artikel 40e AR, in het volgende kalenderjaar vakantie-uren in wil wisselen voor een financiële vergoeding, dient hierna dus altijd 144 uur in het volgende kalenderjaar over te houden. Het tot op heden in artikel 40e, tweede lid, AR opgenomen aantal van 103,2 uur kon om die reden niet in stand blijven en is vervangen door het minimum aantal uren van 144.
Voor de duidelijkheid: leeftijdsverlofuren (artikel 1, tweede en derde lid, van de Vakantie- en Verlofregeling) tellen mee voor het minimum aantal vakantie-uren van 144. Een ambtenaar met aanspraak op leeftijdsverlofuren kan dus meer uren verkopen voordat hij het minimum aantal vakantie-uren bereikt dan een collega die geen leeftijdsverlofuren heeft.
N.B.: de werkgever moet er op toezien dat een ambtenaar minimaal 144 uren vakantie per jaar geniet. Als een ambtenaar in een kalenderjaar minder dan 144 uur vakantie aanvraagt, dient er dus (eerder) van de in artikel 41, eerste lid, AR opgenomen mogelijkheid gebruik te worden gemaakt om een ambtenaar ongevraagd vakantie te verlenen.
Wellicht ten overvloede: compensatie-uren als gevolg van een feitelijke arbeidsduur die hoger is dan de formele arbeidsduur worden niet beschouwd als vakantie-uren. De (Europese) wetgever kent het begrip compensatie-uren niet. Het is dus onjuis t om te stellen dat als een medewerker in een kalenderjaar tenminste 144 compensatie-uren heeft opgenomen, hij daarmee het wettelijk minimum aantal vakantie-uren van 144 heeft genoten en dus (al) zijn vakantie-uren zou kunnen verkopen. Voor het cafetariamodel tellen alleen vakantie-uren en daarvan moeten er jaarlijks 144 in de vorm van vakantie worden genoten.
3. Overgangstermijn
Wij realiseren ons dat deze wijziging van het AR op grond van Europese regelgeving de diensten voor een probleem kan plaatsen bij het onverkort (moeten) toepassen ervan. Ambtenaren die een aanzienlijk saldo aan vakantie-uren uit voorgaande jaren hebben opgebouwd, kunnen deze immers niet (meer) verkopen en deze wijze hun saldo aan vakantie-aanspraken afbouwen.
Om deze reden hebben wij besloten dat aan ambtenaren die op dit moment te maken hebben met een overschot aan vakantie-uren (uit 2006 of eerdere jaren) van meer dan 80 uur wordt toegestaan dat als zij op grond van artikel 40e AR vakantie-uren willen verkopen, zij in de jaren 2007, 2008 en 2009 ook vakantie-uren uit voorgaande jaren verkopen (zowel wettelijke als bovenwettelijke). Hierbij geldt dat maximaal 72 vakantie-uren per jaar mogen worden verkocht en dat na verkoop minimaal 144 vakantie-uren op de verlofkaart moeten resteren. Vanaf 1 januari 2010 dient ook voor hen artikel 40e AR strikt te worden toegepast.
4. Schrappen maximum in het aantal te verkopen vakantie-uren
Het maximum aantal tegen een vergoeding uit te wisselen vakantie-uren bedroeg 72. Aangezien de reguliere aanspraak op vakantie 173,6 uur of 180,8 uur bedraagt (afhankelijk van de salarisklasse waarin de betrokkene is ingedeeld; zie artikel 1, eerste lid, van de Vakantie- en Verlofregeling en afgezien van leeftijdsverlofuren), zullen de meeste ambtenaren door de verhoging van het minimum aantal uren dat na verkoop van vakantie-uren dient te resteren niet (meer) in staat zijn dat maximum aantal uren van 72 te verkopen. Het handhaven van dit aantal uren in de regelgeving heeft dan ook geen functie meer. Wij hebben besloten de bepaling hierover te schrappen.
5. Reeds verkochte uren
Europese regelgeving verzet zich ertegen dat uren die gerekend moeten worden tot de minimum vakantieaanspraak per jaar verkocht kunnen worden. Een ambtenaar dient altijd 144 uur vakantie per jaar te kunnen genieten. Het is vervolgens de vraag wat te doen met de vakantie-uren die in het verleden zijn ingezet zijn in het kader van de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden en tot de minimum vakantieaanspraak behoorden. Kan een ambtenaar alsnog eisen dat hij die uren als vakantie kan genieten? Hij heeft immers formeel aanspraak op een minimale (betaalde) vakantieperiode en verliest die aanspraak niet doordat hij daar een financiële vergoeding voor krijgt. De ambtenaar zou dus alsnog zijn al uitbetaalde vakantie-uren kunnen opnemen.
Tegen een verzoek om alsnog uitbetaalde vakantie-uren op te mogen nemen kan echter worden ingebracht dat de werkgever in dat geval de uitgekeerde vergoeding voor de vakantie-uren kan terugvorderen. Dit brengt ons tot de conclusie dat vakantie-uren die in het verleden zijn ingezet in ruil voor een vergoeding, niet meer (alsnog) in de vorm van vakantie genoten kunnen worden.
Eenzelfde lijn zou, eenmalig, gevolgd moeten worden voor vakantie-uren die weliswaar nog niet daadwerkelijk zijn ingezet (van de verlofkaart zijn afgeschreven) in ruil voor een vergoeding, maar waarover wel degelijk afspraken voor komende jaren zijn gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de toepassing van de Fietsregeling Rotterdam 2006, maar ook aan de PC-privéregeling zoals die bij een aantal diensten wordt toegepast. Als er (op basis van de regelgeving zoals deze tot luidde tot de bijgaande wijziging ervan) afspraken zijn vastgelegd tussen een ambtenaar en de dienst over de inzet van vakantie-uren in komende jaren in ruil voor een fiets, een computer, etc., zou het naar onze mening te ver gaan om deze afspraken terug te draaien als blijkt dat het hierbij mede gaat om uren die tot de wettelijke minimum vakantieaanspraak behoren.
Het mag duidelijk zijn dat deze lijn alleen betrekking heeft op afspraken die vóór het verschijnen van deze P&O-circulaire gemaakt zijn tussen een ambtenaar en de dienst. Vanaf nu mogen in het kader van het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden alleen afspraken worden gemaakt met betrekking tot de inzet van bovenwettelijke vakantie-uren.
6. Vervallen vakantie-uren
Artikel 46 AR regelt de aanspraak op vakantie in de situatie waarin in een kalenderjaar niet het gehele vakantieverlof wordt opgenomen. Er gelden twee regels:
1. De niet opgenomen vakantie-uren worden tot maximaal 180 uren doorgeschoven naar het volgende kalenderjaar. Het college kan in bijzondere gevallen besluiten dat meer uren worden doorgeschoven.
2. Het aantal vakantie-uren dat in een kalenderjaar mag worden opgenomen, bedraagt ten hoogste anderhalf maal het aantal uren waarop de ambtenaar in dat kalenderjaar – exclusief de doorgeschoven uren – recht heeft.
In de praktijk bleek soms niet duidelijk, dat als de ambtenaar aan het einde van een kalenderjaar nog recht heeft op meer dan 180 uren, het meerdere vervalt (althans als het college niet besluit dat meer uren mogen worden doorgeschoven). Bij de invoering van de regeling sprak dit vanzelf, aangezien voorheen het gehele resterende saldo vakantie-uren werd doorgeschoven naar het volgende kalenderjaar. Om de bedoeling van de regeling duidelijker tot uitdrukking te brengen zijn daarom aan de eerste volzin van artikel 46, eerste lid, AR de woorden “en vervalt het meerdere” toegevoegd.
Wij verzoeken u aan deze circulaire op de gebruikelijke wijze bekendheid te geven.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De Secretaris, De Burgemeester,
Bijlage: Gemeenteblad 2007?, nr.31 m.b.t. wijziging Ambtenarenreglement