Direct naar hoofdmenu / zoekveld

Geweldsprotocol gemeente Rotterdam

 

 

 

 

 

 

 

Geweldsprotocol gemeente Rotterdam

Juni 2004

Programmabureau Veilig &

Directie Middelen en Control

 

 

 

 

 

 


Relevante telefoonnummers

 

1. Ambulance

 

Bij spoed                112

 

2. Politie en OM

 

Bij spoed                112

Bij geen spoed              0900- 8844

Politie: Bert v.d. Berg             (010) 274 80 66

Openbaar Ministerie: Trijnie Boerman        (010) 888 83 73

   

3. Forensisch arts

 

Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (FARR)    (010) 4778661

 

4. Arbodienst

 

Arbo Unie West-Nederland:           (010) 286 28 28

Achmea Arbo:              (010) 240 31 63

 

5. Ziekenhuizen

 

Sint Franciscus Gasthuis             (010) 461 61 61

Ikazia Ziekenhuis              (010) 297 50 00

IJsselland Ziekenhuis            (010) 258 50 00

Erasmus Medisch Centrum (Dijkzigt)        (010) 463 92 22 / 9868

Medisch Centrum Rijnmond-Zuid (Zuiderziekenhuis)    (010) 290 30 00

Ziekenhuis Medisch Centrum Rijnmond-Zuid (Clara)     (010) 291 19 11

 

6. Gemeentelijke Gezondheidsdienst

 

GGD Regio Rotterdam en omstreken (08.00u – 18.00u)  (010) 433 98 97

Buiten kantooruren: via Centrale Post Ambulance     (010) 433 98 82

 

7. Bestuursdienst, directie Middelen en Control

 

Contactpersoon geweldsincidenten: Wouter Voorzaat  (010) 417 37 65

 

8. Dienst Gemeentewerken

 

Verzekeringsdeskundige: Henk Boender      (010) 489 35 48

 

9. Servicedienst Rotterdam

 

Juridische diensten Rotterdam           (010) 417 28 35


10. Slachtofferhulp

 

Buro Slachtofferhulp Rijnmond           (010) 436 01 44

 

11. Bureau voor Rechtshulp

 

Rechtshulp Rotterdam             (010) 410 66 77

 

12. Arbeidsinspectie

 

Arbeidsinspectie Rotterdam           (010) 479 83 00

 


Inhoudsopgave

 

0.  Inleiding en leeswijzer  5

1.  Handelen na het incident  8

1.1  Handelen in de eerste 48 uur   8

1.2  Handelen na de eerste 48 uur  9

1.3  Samenvattend overzicht: wie doet wat?  11

2.  Afhandelen van de schade  14

2.1   Inleiding  14

2.2  Vaststellen van de schade  14

2.3   Schadevergoeding  14

2.4   Verhaal van de schade  15

2.5   Juridisch stappenplan n.a.v. geweldsincident  15

3.  Preventie  18

3.1  Inleiding  18

3.2   Zaken rond het werk  18

3.3   Omtrent het personeel  19

3.4   Richting cliënten  20

4.  Naslag  22

4.1  Inleiding  22

4.2  Algemene zaken rondom het Geweldsprotocol  22

4.3  Strafrechtelijke en strafvorderlijke aspecten  24

4.4  Slachtoffergericht: Letselschade en aangifte  25

4.5  Slachtoffergericht: Bedrijfsopvang  26

4.6  Besmettingsaccidenten  27

4.7   Schadevergoeding en -verhaal  28

4.8  Registratie  35

Bijlage 1  37

Bijlage 2  40

 


  1. Inleiding en leeswijzer

In toenemende mate worden gemeenteambtenaren met publiekscontacten van de gemeente Rotterdam geconfronteerd met tegen hen gerichte vormen van agressie en geweld, zowel fysiek als verbaal. In navolging van Politie Rotterdam-Rijnmond en de RET wordt een pakket van eisen en maatregelen in het leven geroepen gericht op het vergroten van de veiligheid en de weerbaarheid van de gemeenteambtenaren. De concrete maatregelen staan vervat in het onderliggende Geweldsprotocol voor Rotterdamse gemeenteambtenaren.

 

Doel en strekking Geweldsprotocol

Het doel van het Geweldsprotocol is :

  • Het voorkomen van geweld (door bijvoorbeeld: preventieve maatregelen te nemen zoals trainen van medewerkers, medewerkers communicatiemiddelen te verschaffen, gemeentelijke gebouwen te beveiligen en publiciteit te geven aan het protocol).
  • Als gemeente laten zien dat geweld jegens medewerkers nooit geaccepteerd zal worden.
  • In het geval van een geweldsincident het slachtoffer zo goed mogelijk helpen, ondersteunen en diens schade vergoeden.
  • De belangen van de gemeente zelf veilig stellen en haar schade verhalen.

Het uitgangspunt van het Geweldsprotocol is dat geweld en/of agressie tegen gemeenteambtenaren te allen tijde een vervolg dient te krijgen, zowel vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap als vanuit het oogpunt van strafrechtelijke handhaving (vervolging van de dader). Bij het eerste gaat het om een actieve rol vanuit de gemeente in de vorm van ondersteuning, begeleiding, verwijzing, opvang e.d. van betrokken gemeenteambtenaren die het slachtoffer zijn geworden van geweld. Eén van de elementen daarbij is ook het verhalen van de (im)materiële schade op de dader(s). Bij het tweede gaat het erom dat de politie en het Openbaar Ministerie er zorg voor dragen dat, indien mogelijk en opportuun, zij prioriteit geven aan de aangifte (politie) en de vervolging van de dader en dat de zaak binnen een redelijke termijn op de zitting wordt gebracht (OM).

 

Dit Geweldsprotocol gaat dus, kort gezegd, uit van maximale ondersteuning door de werkgever van de gemeenteambtenaar die slachtoffer is geworden van agressie of geweld voor wat betreft de afhandeling van het incident. Een adequate, efficiënte maar vooral slagvaardige bedrijfsopvang respectievelijk schadeverhaal en schadevergoeding vormen in dat verband zeer essentiële aspecten. Bovendien gaat er een belangrijk preventief signaal uit van een actieve strafrechtelijke aanpak van personen die geweld plegen tegen ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun functie.

 

De gemeente heeft als werkgever de verplichting om benodigde voorzieningen te treffen om geweld tegen haar medewerkers zoveel mogelijk te voorkomen. Op de gemeenteambtenaar rust de plicht om vanuit zijn of haar professionele houding, met in achtneming van de werkvoorschriften/werkprotocollen, incidenten zodanig te benaderen dat geweld door of tegen de klant zoveel mogelijk wordt voorkomen (zie hoofdstuk 3).

 

Voor wie

Dit Geweldsprotocol geldt als basisdocument voor alle gemeentelijke diensten. Vastgelegd is, wat in ieder geval door elke dienst geregeld moet worden. Daarnaast is het mogelijk per dienst specifieke zaken (afspraken, aanvullende regelingen) vast te leggen in een subparagraaf die wordt toegevoegd aan dit Geweldsprotocol. Een voorbeeld hiervan is dat voor ambtenaren op straat een aantal extra afspraken kunnen worden gemaakt met politie en justitie die voor ambtenaren met een baliefunctie minder toepasselijk/noodzakelijk zijn.

 

 

 

Taken

In dit Geweldsprotocol wordt een aantal taken bij bepaalde medewerkers van een dienst gelegd. Voor de volledigheid: uiteraard is het mogelijk andere dan de in dit Geweldsprotocol genoemde personen verantwoordelijk te maken voor bepaalde werkzaamheden. Het belangrijkste is dat verantwoordelijkheden worden vastgelegd, zodat daarover geen onduidelijkheid bestaat.

 

Situatie in Rotterdam

Ten behoeve van de totstandkoming van dit Geweldsprotocol is een globale inventarisatie gemaakt van het aantal geweldsincidenten dat zich bij de diensten voordoet. Daarbij bleek dat er grote behoefte is aan de totstandkoming van een geweldsprotocol. Een aantal diensten, zoals RET, SoZaWe, Stadstoezicht, Gemeentebelastingen en dS+V werken inmiddels met / aan een geweldsprotocol. Hieronder staan een aantal bevindingen uit de inventarisatie opgesomd:

  • Registratie van incidenten, bij diensten die tot nog toe geen geweldsprotocol hebben, vindt nauwelijks plaats waardoor de inventarisatie niet nauwkeurig kon plaatsvinden.
  • Met behulp van de gegevens van de benaderde diensten die minder medewerkers met publiekscontacten hebben, schatten we het gemiddeld aantal geweldsincidenten per dienst (uitgezonderd SoZaWe, RET en Stadstoezicht, die meer incidenten hebben) op ongeveer 4 á 5 per jaar. Te verwachten valt dat wanneer alle geweldsincidenten worden geregistreerd, dit aantal hoger zal blijken te zijn.

Leeswijzer

In hoofdstuk 1 vindt u een schematisch overzicht en de korte uitleg van de procedure zoals die gevolgd moet worden als een geweldsincident heeft plaatsgevonden. In hoofdstuk 2 vindt u vervolgens een korte uitleg over de afhandeling van de schade. In de hoofdstukken 3 en 4 treft u achtergrondinformatie aan over wat in hoofdstuk 1 en 2 is beschreven en ook vindt u in hoofdstuk 4 meer algemene informatie over het Geweldsprotocol.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Praktijkinformatie


  1. Handelen na het incident

1.1  Handelen in de eerste 48 uur

 

1.1.1   Beëindigen bedreigende situatie

Ten eerste dient de bedreigende situatie die zich voordoet zo spoedig mogelijk beëindigd te worden, hetzij door de ambtenaar zelf, hetzij door anderen.

 

1.1.2 Direct melden aan leidinggevende

Als een ambtenaar van de gemeente, tijdens zijn dienst slachtoffer wordt van agressie en/of geweld waardoor (psychisch) letsel ontstaat, dan staakt hij als het nodig is zijn werkzaamheden. Hij, of zijn collega, meldt het incident direct bij leidinggevende.

 

1.1.3   Melden ongeval bij arbeidsinspectie

Als er sprake is van een dodelijk ongeval of een ongeval waarbij sprake is van ernstig letsel dan meldt P&O het ongeval onverwijld telefonisch bij de Arbeidsinspectie. De melding moet daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Arbeidsinspectie worden bevestigd. Er is sprake van een ernstig letsel als een slachtoffer zodanige schade aan de gezondheid heeft opgelopen dat deze –binnen 24 uur- tot opname in een ziekenhuis leidt. Dit ter behandeling of observatie. Het telefoonnummer van de Arbeidsinspectie is 010-479 83 00.

 

 

1.1.4   Opvang door leidinggevende van slachtoffer (eventueel bedrijfsopvang, bedrijfsarts, en/of instituut voor Psychotrauma)

De dienstdoende leidinggevende zorgt of zelf voor de eerste opvang van het slachtoffer of waarschuwt (indien aanwezig) het bedrijfsopvangteam. Zie paragraaf 4.5 voor meer informatie over bedrijfsopvang. De leidinggevende (in overleg met eventueel bedrijfsopvangteam) zorgt ook voor de vervolgopvang van het slachtoffer, eventueel bedrijfshulpverlening, bedrijfsarts, en/of instituut voor Psychotrauma.

 

1.1.5  Besmettingsaccidenten

In de gevallen waarin de betrokken medewerker door prikaccidenten, bijtwonden, bloedspatten in het oog of mond, zichtbaar bloed bij mond-op-mond-beademing of bloed op de niet intacte huid in contact is gekomen met bloed van een derde, is er kans op besmetting met virussen. De leidinggevende of iemand van het bedrijfsopvangteam begeleidt de betrokken medewerker naar de GGD om te laten vaststellen of inderdaad besmetting heeft plaatsgevonden (tel. 010 – 433 98 97 tussen 08.00u en 18.00u; daarbuiten 010 – 433 98 82). Zie paragraaf 4.6.

 

1.1.6   Relevante gegevens direct verzamelen incl. foto's

De (dienstdoende) leidinggevende zorgt ervoor dat tijdens of meteen na afloop van het geweldsincident relevante gegevens over het incident worden verzameld. Daarbij horen in beginsel foto's van de aard van het letsel en eventueel van de plaats van het geweldsincident, als dit relevant is. Als aangifte wordt gedaan draagt de (dienstdoende) leidinggevende of iemand van het bedrijfsopvangteam de verzamelde gegevens over aan de politie.

 

1.1.7   Bij letsel bezoek op afspraak forensisch arts

Als er (psychisch) letsel is ontstaan, bezoekt het slachtoffer (op afspraak) zo spoedig mogelijk een arts van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (FARR). De leidinggevende danwel iemand van het bedrijfsopvangteam neemt contact op met de FARR om een afspraak te maken (24-uurs telefoonnummer: 010 – 477 86 61). Dit dient plaats te vinden voordat er aangifte bij de politie wordt gedaan. Bij het maken van de afspraak en het bezoek aan de FARR dient vermeld te worden dat het slachtoffer gemeenteambtenaar is en ook moet worden vermeld bij welke dienst het slachtoffer werkt.

Ook als het slachtoffer in een ziekenhuis wordt opgenomen als gevolg van het geweldsincident maakt de FARR de letselbeschrijving. Dit zal dan op locatie (het ziekenhuis) dienen te gebeuren.

 

De forenisch arts stelt de aard van het letsel en de vermoedelijke duur van het herstel vast en vult na het bezoek de 'geneeskundige verklaring' (ook wel 'letselbriefje' genaamd) in. Het slachtoffer krijgt dit letselbriefje mee en overhandigt dit aan de politie bij het doen van aangifte. Als na verloop van tijd blijkt dat de agressie- of geweldsaanval meer letsel heeft veroorzaakt dan eerder was vastgesteld, dan meldt het slachtoffer zich bij de FARR en geeft dit via een tweede letselbriefje door aan de politie. De politie bekijkt of deze informatie nog kan worden toegevoegd aan het opsporingsdossier.

 

1.1.8   Aangifte – leidinggevende en slachtoffer direct aangifte bij politie

In principe doet het slachtoffer van elk strafbaar feit, waarop dit Geweldsprotocol van toepassing is, na eventueel bezoek aan de FARR (1.1.7.), zo spoedig mogelijk aangifte bij de politie. De leidinggevende geeft het slachtoffer hiervoor de mogelijkheid. De leidinggevende of iemand van het bedrijfsopvangteam begeleidt hem/haar desgewenst naar het politiebureau. De politie neemt in principe elke aangifte op. Op verzoek van het slachtoffer kan in plaats van zijn privé-adres het adres van de dienst in het proces-verbaal van aangifte worden vermeld, zodat de dader niet te weten komt waar de werknemer woont (domicilie kiezen). De begeleider van het slachtoffer let erop dat in de aangifte duidelijk wordt gemaakt dat het gaat om een geweldsincident van een gemeenteambtenaar en dat het Geweldsprotocol van toepassing is.

Als het slachtoffer niet in staat is om naar het politiebureau te gaan, omdat hij is opgenomen in het ziekenhuis, neemt de leidinggevende of iemand van het bedrijfsopvangteam van het slachtoffer contact op met het betreffende district van de politie over de te volgen stappen.

 

Het doen van aangifte is een voorwaarde voor het toepassen van dit Geweldsprotocol op de ambtenaar. In de praktijk betekent dit dat de ambtenaar die aangifte doet van een tegen hem gepleegd geweldsdelict actief ondersteund wordt bij het vergoed krijgen van zijn schade en de vordering op de dader wordt overgenomen door de gemeente. De gemeente probeert de schade op de dader te verhalen. Zie verder paragraaf 1.2.2 en hoofdstuk 4, paragrafen 4.4, 4.7.4 en 4.7.5.1.

 

1.1.9  Opvang van collega’s

Naast aandacht voor het slachtoffer is er ook aandacht nodig voor de (betrokken) collega's. Al naar gelang de intensiteit van het incident kan het nodig zijn deze medewerkers ook opvang te verlenen dan wel aan te geven wat de gevoelens en acties van directeur en bestuur zijn.

 

1.2  Handelen na de eerste 48 uur

 

1.2.1   Beoordeling of Geweldsprotocol verder van toepassing is

Voor de volgende stappen worden genomen, beoordeelt de leiddinggevende in overleg met de afdeling P&O of het Geweldsprotocol van toepassing is. Deze beoordeelt het incident aan de hand van de voorwaarden die staan beschreven in paragraaf 4.2.1. De 3 belangrijkste voorwaarden waaraan de leidinggevende het incident moet toetsen zijn:

  • Vond het betreffende incident plaats in de uitoefening van de functie danwel in directe relatie tot het werk.
  • Heeft het slachtoffer geen ‘eigen schuld’ aan het incident, dat wil zeggen: heeft het slachtoffer gewerkt volgens de werkvoorschriften/werkprotocollen van de dienst.
  • Heeft het slachtoffer aangifte gedaan, danwel is hij bereid om dat te doen (zie paragraaf 1.1.8.).

Voor meer achtergrondinformatie zie hoofdstuk 4, paragrafen 4.4, 4.7.4 en 4.7.5.1. Als er feiten naar voren komen die van belang kunnen zijn voor het onderzoek van de politie dan worden die gemeld bij de politie.

 

1.2.2 Vastleggen van P&O informatie

In rechtspositionele zin wordt een geweldsincident als een bedrijfsongeval beschouwd.

  • Het slachtoffer dient (met hulp van een leidinggevende, het bedrijfsopvangteam of de afdeling P&O) het bedrijfsongevallenformulier in te vullen.
  • De bedrijfsarts van betreffende dienst geeft indien het incident tot verzuim leidt een oordeel over de relatie tussen de ziekte en/of gebreken van het slachtoffer en het incident. Ook oordeelt de bedrijfsarts in welke mate die ziekte en/of gebreken al aanwezig waren bij het slachtoffer.
  • P&O adviseert op basis van het ingevulde bedrijfsongevallenformulier en eventuele rapportages van de Arbeidsinspectie en de bedrijfsarts of er sprake is van 'arbeidsongeschiktheid in en door de dienst' zoals bedoeld in art. 49 van het Ambtenarenreglement. Het besluit van P&O wordt zo snel mogelijk genomen.

1.2.3   Registreren incident in Personeels Informatie Systeem

  • In eerste instantie wordt geregistreerd buiten het Personeels Informatie Systeem Rotterdam (PI’R) om, middels een document dat na elk incident moet worden ingevuld en toegezonden aan de contactpersoon geweldsincidenten van de directie Middelen en Control. Dit formulier vindt u als bijlage bij dit protocol gevoegd danwel via uw eigen intranet-site.
  • In de toekomst zal het incident worden geregistreerd in het nieuwe HRM-systeem U wordt geïnformeerd wanneer dit systeem in werking is en het eerder genoemde document vervalt. In het nieuwe HRM-systeem zijn de personeelsgegevens van medewerkers van de gemeente Rotterdam vastgelegd. De mutaties in dit systeem worden door de personeels- en salarisadministrateurs (PSA’s) ingevoerd. Bij een geweldsincident moeten de kerngegevens van het incident worden vermeld.
  • Tevens wordt in het persoonlijk dossier van het slachtoffer (en waar nodig van getuigen) een aantekening gemaakt van het geweldsincident. Als het door toedoen van het geweldsincident op langere termijn niet goed gaat met het slachtoffer, kan door deze registratie een link worden gelegd met het incident. Informatie over het incident zelf staat geregistreerd in HRM-systeem.
  1. Bewaken voortgang bij politie en OM

De leidinggevende bewaakt de voortgang, behartigt de belangen van het slachtoffer en gaat na of de politie de zaak aanbrengt bij het Openbaar Ministerie. Hij onderhoudt intensief contact met de politie van het district waar aangifte is gedaan.

 

1.2.5 OM slachtofferinformatiestaat met parketnummer + aan de slag

Het Openbaar Ministerie voorziet de slachtofferinformatiestaat van een parketnummer en stuurt deze terug naar het adres dat het slachtoffer in het proces-verbaal van aangifte heeft vermeld. Als het slachtoffer deze heeft ontvangen, vult hij de ontbrekende gegevens in. De leidinggevende helpt hem eventueel daarbij. De compleet ingevulde slachtofferinformatiestaat wordt vervolgens zo snel mogelijk naar het Openbaar Ministerie gestuurd.

Bij hoge uitzondering zou de officier van justitie ook ambtshalve, dus zonder aangifte door het slachtoffer, tot vervolging kunnen overgaan. In een dergelijk geval is het Geweldsprotocol met alle voordelen, niet op het slachtoffer van toepassing. Tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en het slachtoffer niet in staat is aangifte te doen.

 

1.2.6   Vaststellen, vergoeden en verhalen schade

Als gevolg van een geweldsincident kan zowel voor de medewerker als voor de dienst schade ontstaan. Zie voor meer informatie over het vaststellen, vergoeden en verhalen van de schade: Hoofdstuk 2 Afhandelen van de schade.

1.3  Samenvattend overzicht: wie doet wat?

 

Procedurestappen

Ter oriëntatie zijn onderstaand de meest essentiële taken van de diverse actoren in het kader van het Geweldsprotocol nog eens kort opgesomd.

 

Taken leidinggevende:

  • Eerste opvang gemeenteambtenaar (eventueel door inschakeling bedrijfsopvangteam).
  • In geval van mogelijk besmettingsaccident contact opnemen met de GGD.
  • Gegevensverzameling van het incident.
  • Begeleiden van de betrokken gemeenteambtenaar naar de forensisch arts van de FARR (zo nodig). Daarbij dient vermeld te worden dat het gaat om een gemeenteambtenaar die onder het Geweldsprotocol valt en de dienst waarbij de ambtenaar werkt.
  • Begeleiden van de betokken gemeenteambtenaar naar de politie voor het doen van aangifte. Daarbij dient vermeld te worden dat het gaat om een gemeenteambtenaar die onder het Geweldsprotocol valt. Tevens draagt de leidinggevende de verzamelde informatie zoals foto’s en het letselschadebriefje over aan de politie zodat dit bij het dossier gevoegd kan worden
  • Opvang collega’s.
  • Eventueel inschakelen bedrijfsopvangteam conform regeling voor vervolgopvang of op verzoek van betrokken gemeenteambtenaar.
  • Beoordeling over toepasselijkheid Geweldsprotocol.
  • Toezien op het invullen en versturen van formulieren.
  • Toezien op de registratie van het geweldsincident.
  • In gang zetten van de procedure voor schadevergoeding.
  • Bewaken voortgang bij politie en OM en informeren betrokken ambtenaar.

In geval van een ziekenhuisopname als gevolg van geweld tegen een medewerker:

  • Contact opnemen met een arts van de FARR om het letsel te laten vaststellen. Dit zal op locatie (het ziekenhuis) dienen te gebeuren.,
  • Toezien dat een slachtoffer aangifte doet bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en dat de afdeling P&O in het bezit wordt gesteld van een afschrift daarvan.

Taken betrokken gemeenteambtenaar / slachtoffer

  • Melden incident aan leidinggevende.
  • Bezoeken van de forensisch arts van de FARR ter vaststelling letsel.
  • Doen van aangifte.
  • Invullen bedrijfsongevallenformulier.
  • Invullen van het voegingsformulier ten behoeve van het schadeverhaal.
  • Verlenen van volledige medewerking aan het proces van schadeverhaal.

Taken afdeling P&O

  • Adviseren over toepasselijkheid Geweldsprotocol.
  • Bijstaan bij het invullen van de formulieren: bedrijfsongevallenformulier en schadeformulier (evt. leidinggevende of bedrijfsopvangteam).
  • Zorgdragen voor de verzending van de formulieren.
  • Registratie geweldsincident.
  • Opstellen van advies inzake schadevergoeding door de dienst.

Taken Servicedienst Rotterdam, Juridische Diensten

  • (desgevraagd) adviseren bij verhaalszaken.
  • In overleg (en veelal tegen vergoeding) overnemen van de afhandeling van een zaak.
  • Verhaal schade werkgever.

Taken van de FARR

  • Ontvangen van betrokken gemeenteambtenaar binnen 48 uur na aanmelding.
  • Vaststellen van de aard van het letsel en de vermoedelijke duur van het herstel.
  • Vaststellen of er bloed-bloed contact heeft plaatsgevonden (besmettingsaccidenten) en als dat het geval is dan alsnog verwijzen naar de GGD.
  • Terstond invullen en meegeven van de geneeskundige verklaring (=letselbriefje).

Taak GGD

  • Op verzoek van (leidinggevende van) betrokkene beoordelen of er sprake is van een besmettingsaccident waarbij daadwerkelijk besmetting heeft plaatsgevonden en advisering hieromtrent.

Taak bedrijfsarts

  • Beoordelen van de relatie tussen de ziekte en/of gebreken van het slachtoffer en het incident.

Taken politie

  • Het slachtoffer in de gelegenheid stellen om aangifte te doen. Een zo compleet mogelijk proces-verbaal opstellen, zo mogelijk met een medische verklaring (letselbriefje) en foto's van het letsel.
  • Te allen tijde overleg voeren met het betreffende team van het Openbaar Ministerie, dan wel de piketofficier van justitie. Daarbij kan door het O.M. verwijzing plaatsvinden naar de desbetreffende politiesecretaris bij het betreffende district.
  • Vaststellen of sprake is van recidive bij de verdachte.

Bij het vaststellen van recidive alle vormen van geweld meewegen.

  • Indien sprake is van recidive uitdrukkelijk melding maken van eerdere geweldsincidenten tegen ambtenaren indien deze zich hebben voorgedaan.

Taken Openbaar Ministerie:

  • Geven van prioriteit aan de vervolging van de verdachte (in zeer incidentele gevallen ook als het slachtoffer (zelf) geen aangifte doet). Twee opties voor vervolging: dagvaarden, dan wel opleggen van een transactie via de TOM-zitting (Taakstraf Openbaar Ministerie) of (in incidentele gevallen) via een acceptgirokaart.
  • Alle verdachten, als het mogelijk en nodig is, een dagvaarding in persoon meegeven of voorgeleiden aan de officier van justitie.
  • Als een verdachte wordt voorgeleid aan de officier van justitie, daar waar mogelijk, een inbewaringstelling vorderen, al dan niet in combinatie met het uitreiken van een dagvaarding in persoon.
  • De zaak binnen drie maanden beoordelen en binnen een redelijke termijn, dat wil zeggen op de eerstvolgende vrije zittingsmogelijkheid, op de zitting aanbrengen.
  • Schadeafwikkeling via de schadebemiddelaars van OM.
  • Daar waar de aard van de strafzaak, de omvang van de schade, en de persoon van de verdachte dat toelaten, het aanbrengen van de zaak op een Taakstrafzitting, waarbij de schade via de schadebemiddelaar van het OM wordt geregeld.
  • Slachtoffergesprek, indien gewenst door het slachtoffer.
  • In het geval van een zitting bij de rechtbank de schadevergoedingsvordering voor afhandeling aan de rechtbank voorleggen.
  • Bij de beslissing omtrent verdere vervolging, dan wel tijdens de eis ter terechtzitting, als uitgangspunt laten gelden dat niet wordt getransigeerd tenzij de eis ter zitting een geldboete zou opleveren en er geen ruimte is voor een civiele vordering.
  • De afloop van de strafzaak aan het slachtoffer melden.

 

 

 


2.  Afhandelen van de schade

 

2.1  Inleiding

In dit hoofdstuk komen de hoofdlijnen van schadevergoeding en -verhaal aan de orde. Meer informatie kunt u vinden in hoofdstuk 4 (paragraaf 4.7).

 

Het Geweldsprotocol heeft als uitgangspunt dat de werkgever de gemeenteambtenaar die het slachtoffer is geworden van agressie of geweld, maximaal ondersteunt voor wat betreft de afhandeling van het incident. Anders gezegd: de ambtenaar dient niet te worden belast met de administratieve afwikkeling van het incident. De inzet van de gemeente is erop gericht zoveel mogelijk schade te verhalen op de dader.

 

Hieronder wordt in paragraaf 2.2 allereerst aandacht besteed aan het vaststellen van de schade en vervolgens aan de verschillende soorten schaden. Vervolgens komt in paragraaf 2.3 de schadevergoeding aan de orde. In paragraaf 2.4 gaat het om het verhaal van door de gemeente Rotterdam geleden (loon)schade. In paragraaf 2.5 is een juridisch stappenplan opgenomen.

 

2.2  Vaststellen van de schade

Bij het vaststellen van de schade maken we onderscheid tussen materiële en immateriële schade.

 

Materiële schade is de schade die de medewerker en/of de dienst direct financieel lijdt. Het gaat meestal om de waarde of de waardevermindering van de vernielde en/of weggenomen goederen, medische kosten en verlies van inkomsten. Tevens vallen hieronder de kosten die de medewerker moet maken om het goed in de oude staat te herstellen, alsook de overige kosten zoals b.v. taxi- en telefoonkosten, kosten huishoudelijke hulp, etc.

 

Onder immateriële schade verstaan we het verlies of de tijdelijke vermindering van levensvreugde door het ontstaan van letsel, geleden pijn en/of verdriet. Er is in dit verband dus sprake van smartengeld. Zie ook paragraaf 4.2.2.

 

Bij het vaststellen van schade van het slachtoffer wordt uitgegaan van de syllabus Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, dan wel van de ANWB-smartengeldgids. Deze laatste wordt met name gehanteerd in de gevallen waarbij er sprake is van beperkt lichamelijk letsel. Neemt het slachtoffer geen genoegen met de hoogte van de schadebedragen die in de syllabus, dan wel de smartengeldgids zijn vastgelegd, kan hij/zij besluiten zelf bij de rechter een hogere vergoeding te eisen. Hierbij vindt GEEN ondersteuning door de dienst plaats.

 

2.3  Schadevergoeding

Bij schadevergoeding gaat het om de vergoeding van materiële en immateriële schade die de ambtenaar heeft geleden als gevolg van een geweldsincident.

 

In hoofdstuk 1 en in paragraaf 4.2.1 staan de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat het Geweldsprotocol van toepassing is. Als die toets heeft plaatsgevonden en het Protocol van toepassing is, kan men overgaan tot het hele traject van schadevergoeding.

 

Materiële schade dient hierbij direct te worden vergoed; immateriële schade nadat een rechter een uitspraak heeft gedaan over de hoogte van die schade. De dienst neemt de eventuele vordering van de schade op de dader over van het slachtoffer. Hij/zij hoeft dan na de uitspraak van de rechter geen verdere confrontatie aan te gaan met de dader (maandelijkse betalingen, niet ontvangen bedragen etc). Met het overnemen van de vordering neemt de werkgever ook het risico over van niet betalen door dader. Daarom wordt van de werknemer verwacht dat hij/zij volledige medewerking verleent aan het proces van schadeverhaal.

 

2.4  Verhaal van de schade

Bij dit punt gaat het om het verhalen van de geleden schade op de dader. Dit gebeurt deels om die schade daadwerkelijk vergoed te krijgen en deels om de dader te laten voelen dat wat hij gedaan heeft niet wordt getolereerd.

 

Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen de schade geleden door het slachtoffer en de schade geleden door de werkgever. De reden voor deze keuze, is dat het verhaal van schade moeite, tijd en geld kan kosten.

 

De schade van het slachtoffer wordt altijd verhaald op de dader (zonder verhaalsonderzoek) vanuit de gedachte dat er in ieder geval een vuist gemaakt moet worden naar de dader. Het gaat hierbij om schade aan eigendommen, geneeskundige kosten en immateriële schade.

 

Bij de door werkgever geleden schade (die vaak met name zal bestaan uit het doorbetalen van het loon als er sprake is van verzuim) kan de dienst een verhaalsonderzoek laten plaatsvinden om op basis daarvan te besluiten al dan niet verhaal te halen op de dader. Deze beslissing wordt genomen op basis van een (zakelijke) kosten-batenanalyse.

 

2.5   Juridisch stappenplan n.a.v. geweldsincident

 

  • Allereerst wordt op basis van de in paragraaf 1.2.2 genoemde criteria besloten of het Geweldsprotocol van toepassing is.
  • Is dat het geval, dan wordt de materiële schade direct vergoed door de gemeente. Deze keert het gehele bedrag direct uit en neemt het verhaal op dader over.
  • De dienst zorgt er in het geval van een strafzaak voor dat de voegingsformulieren (zie paragraaf 4.7.5.1), vergezeld door een toelichting over de aard en de ernst van het incident, naar het Openbaar Ministerie worden gestuurd.

Nadat de dienst de bovenstaande stappen heeft doorlopen kunnen er diverse wegen worden bewandeld:

 

De (eenvoudige) zaak blijft bij de dienst zelf in behandeling

  • Ter zitting van de strafrechter licht de betrokken ambtenaar ofwel een vertegenwoordiger van de dienst de vordering op de dader toe. De rechter wijst de vordering van de ambtenaar vervolgens toe/af.
  • Nadat het vonnis is gewezen en de dader is veroordeeld, vindt uitbetaling van de immateriële schadevergoeding aan de ambtenaar plaats. Ook hier keert de gemeente het bedrag in z’n geheel uit en neemt de vordering op de dader over.
  • De door het slachtoffer geleden schade wordt te allen tijde verhaald op de dader.
  • Door de dienst geleden loonschade zal op grond van de Verhaalswet Ongevallen (VOA) door de dienst op de dader moeten worden verhaald. Expertise voor het verhalen van deze schade is ondergebracht bij de Servicedienst Rotterdam, Juridische Diensten. De dienst van de betrokken medewerker kan een verhaalsonderzoek instellen om te achterhalen of de dader verhaal biedt en aan de hand daarvan beslissen of de loonschade wordt verhaald.

De Servicedienst Rotterdam, Juridische Diensten, is het vaste aanspreekpunt voor dit soort gevallen. Deze kan als vraagbaak fungeren voor gerezen juridische vragen.

 

 

 

De (complexere) zaak wordt overgedragen aan Juridische Diensten

In het geval van een gecompliceerde zaak wordt diensten geadviseerd contact met Juridische Diensten op te nemen, om te beoordelen of het niet zinvoller is de vordering in een civiele procedure aanhangig te maken. De dienst kan er in dat geval voor kiezen de zaak voor te leggen aan een advocaat. De kosten van deze externe deskundige (kunnen) worden vergoed uit de Kostenplaats Verzekering. Zie hierover ook P&O-circulaire 2003/10 van 22 april 2003.

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Achtergrondinformatie

 


3.   Preventie

 

3.1  Inleiding

Dit Geweldsprotocol is met name gericht op te treffen maatregelen nadat een medewerker het slachtoffer is geworden van een geweldsincident. Uiteraard is het eveneens van belang om incidenten te voorkomen.

 

In dit hoofdstuk staan aandachtspunten die in het kader van preventie aan de orde kunnen komen. Elke dienst is gehouden maatregelen te treffen om geweld tegen zijn medewerkers te voorkomen.

 

3.2  Zaken rond het werk

 

3.2.1   Inventarisatie risicovolle werkzaamheden en tijdstippen

Het risico van een geweldsincident is niet voor iedere medewerker van de gemeente Rotterdam even groot. Veel zal samenhangen met twee zaken: het soort werk en het moment van de dag dat dit werk wordt verricht.

 

Wat het soort werk betreft: het zal duidelijk zijn dat met name werk met onder andere de volgende elementen een verhoogd risico met zich meebrengt:

  • Het hebben van veel publiekscontact.
  • Het nemen van beslissingen / handelingen verrichten die voor burgers ongewenst zijn (gevraagde voorziening weigeren, naheffing gemeentelijke belasting opleggen, etc.).
  • Het aanspreken van mensen op incorrect gedrag.

Het zal duidelijk zijn dat met name de medewerkers die zich bezig houden met handhavende werkzaamheden risico lopen om met geweld te worden geconfronteerd.

 

Daarnaast kan ook het moment van de dag een rol spelen. In het algemeen wordt de avond en de nacht, zeker rond de weekends als meer risicovol gezien dan tijdstippen overdag.

 

Het verdient aanbeveling om concreet inzicht te krijgen in de werkzaamheden en de tijdstippen waarbij er sprake is van een verhoogd risico. Als die bekend zijn, kunnen er immers maatregelen getroffen worden om deze risico’s te beperken.

 

Wellicht ten overvloede: in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht om een risico-inventarisatie en –evaluatie (RIE) te maken. In deze RIE komen bovengenoemde zaken ook aan de orde.

 

3.2.2  Fysieke inrichting1

Wanneer onderkend is dat bepaalde werkzaamheden een verhoogd risico op agressief gedrag van burgers met zich meebrengen, dan is de volgende stap te bekijken in hoeverre bouwtechnische aanpassingen een beperking van dit risico kunnen opleveren.

Hierbij zijn, in hoofdlijnen, twee richtingen denkbaar:

  1. de ruimte is sober en veilig ingericht.
  2. de ruimte is zo ingericht dat de agressor als het ware gestuurd wordt bij het toebrengen van schade; hij brengt die schade toe waarvoor de organisatie van tevoren heeft gekozen.

Ad A. In deze situatie zitten de medewerkers bijvoorbeeld achter veiligheidsglas. Losse elementen zijn nagenoeg niet voorhanden: meubilair zit stevig aan de vloer verankerd.

In dit geval is het toebrengen van schade nagenoeg onmogelijk. Echter: in deze gevallen kan de agressie van een klant zich op objecten buiten de ontvangstruimte richten, waardoor de agressie alleen maar verplaatst wordt.

 

Ad B. Een ruimte kan klantvriendelijk ingericht worden, terwijl het toch mogelijk blijft om de schade te beperken. Zo kunnen folderrekken van licht materiaal gemakkelijk omgegooid worden, terwijl dat weinig schade met zich mee zal brengen. Hetzelfde geldt voor kleinere planten in lichte bloembakken. Ook kan er voor gekozen worden om juist zware objecten in een ruimte te plaatsen, maar die dienen dan weer zo zwaar te zijn dat er niet mee gegooid kan worden. Verder kan gedacht worden aan bredere balies, waardoor het lastiger wordt om een medewerker van de gemeente fysiek te benaderen. Een andere optie is een balie met een borstwering op borsthoogte, waarbij de staande klant en de zittende medewerker op ooghoogte met elkaar communiceren. Tenslotte kan gedacht worden aan het aanbrengen van alarmbellen en/of aan het zodanig opstellen van werkplekken dat collega’s elkaar kunnen zien.

 

Maar ook de inrichting van de voor het publiek toegankelijke ruimte heeft invloed op mogelijk agressief gedrag. Wachttijden worden over het algemeen niet op prijs gesteld. Maar als de wachttijden onvermijdelijk lang zijn, worden een goede zitplaats en wat afleiding in de vorm van lectuur snel op prijs gesteld. De wachttijd kan ook productief gemaakt worden door informatie over de te leveren diensten of producten te geven. Een schone en opgeruimde publieksruimte draagt tenslotte ook bij aan de indruk die de dienst maakt op de clië nten.

 

3.3  Omtrent het personeel

 

3.3.1  Personeelsbeleid (selectie, begeleiding)

Wanneer bepaalde functies risicovolle elementen in zich hebben, is het uiteraard van belang om op deze functies zo veel mogelijk medewerkers in te zetten die zich (psychisch) weerbaar kunnen opstellen in deze situaties. Die rust kunnen bewaren, correct blijven handelen, maar wel volhoudend blijven. Dit betekent dat het goed is om bij de werving van personeel een duidelijk beeld te hebben van de risicovolle werkzaamheden en de eigenschappen die van een medewerker worden verlangd om hier mee om te kunnen gaan.

 

Als er medewerkers zijn geworven, zullen zij vervolgens terdege begeleid moeten worden om continu het hoofd te bieden aan de risicovolle elementen van hun functie. De begeleiding heeft betrekking op training, maar ook op steun vanuit hun leidinggevende en de collega’s.

 

3.3.2   Voldoende personeel

Een nogal voor de hand liggend, maar daarom niet minder belangrijk element in het verkleinen van de risico’s op (gewelds)incidenten, is de zorg voor voldoende personeel. Zeker als bekend is dat de risico’s op bepaalde tijdstippen in de week of op de dag groter worden, is de aanwezigheid van voldoende personeel essentieel. Dit werkt twee kanten op:

de medewerker weet dat er collega’s zijn die eventueel te hulp kunnen schieten en de burger weet dat de kans om weg te komen met agressief gedrag klein is, eenvoudigweg omdat zijn gedrag door meerdere personen wordt waargenomen.

 

3.3.3   Protocol agressie (naslagwerk “wat te doen”)

Als een medewerker dreigt geconfronteerd te worden met geweld, is het van belang dat hij weet hoe te handelen. Een hulpmiddel hierbij kan een voor de medewerker gemakkelijk in te zien agressieprotocol zijn, waarin de werkvoorschriften beschreven staan hoe om te gaan met agressieve burgers. Een medewerker kan een dergelijk protocol van tijd tot tijd bekijken en zo de richtlijnen van hoe te handelen op het netvlies blijven houden.

 

3.3.4  Gedragstraining medewerkers

Medewerkers in functies die risico’s op geweld met zich meebrengen, dienen uiteraard in beginsel de goede eigenschappen in huis hebben om in gevallen van agressie correct te (blijven) handelen. Een punt waarmee bij de werving rekening moet worden gehouden. Daarnaast is het van belang dat de medewerkers de richtlijnen kennen over hoe te handelen in situaties die dreigen te escaleren.

 

In de praktijk blijkt echter in hoeverre de persoonlijke eigenschappen van de medewerker en het theoretische kader dat hij heeft meegekregen ervoor zorgen dat de medewerker er daadwerkelijk in slaagt om het hoofd koel te houden. Daarom is het van belang om medewerkers te trainen in omgang met stressvolle situaties. Hierdoor worden ze zich bewust(er) van de juiste wijze van deë scalerend optreden, om zo te voorkomen dat een situatie uit de hand loopt en ontaardt in het toepassen van fysiek geweld2.

 

3.4  Richting cliënten

Het onderstaande in de paragrafen 3.4.1, 3.4.2 en 3.4.3 is met name gebaseerd op ervaringen van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

3.4.1  Huisregels

Op het moment dat burgers weten wat van hen verwacht wordt en wat zij van de desbetreffende dienst van de gemeente mogen verwachten, ontstaat er minder snel discussie over ongewenst gedrag. Een simpel voorbeeld: als men er op voorhand duidelijk op gewezen wordt dat roken in een bepaalde ruimte niet is toegestaan, ontstaat er minder snel discussie als een burger hierop wordt aangesproken.

 

Het verdient dus aanbeveling om voor de (medewerkers van de) dienst en de burgers over en weer duidelijkheid te scheppen over wat men van elkaar mag verwachten. Een manier om hier handen en voeten aan te geven, is het opstellen van huisregels, die bijvoorbeeld op voorhand naar burgers die een afspraak met een dienst maken toegezonden kunnen worden. Daarnaast kunnen de huisregels ter informatie bij balies worden neergelegd en/of op borden in wachtruimtes worden opgehangen.

 

3.4.2  Waarschuwingsbrief

Mocht een burger zich schuldig maken aan agressief gedrag, dan kan hem door de dienst een brief gestuurd worden, waarin deze op zijn gedrag wordt aangesproken en duidelijk wordt gemaakt dat dit gedrag niet wordt getolereerd. Daarbij kan ook duidelijk gemaakt worden wat de consequenties zijn als het gedrag zich herhaalt. Een sanctie kan zijn dat een organisatie gedurende een bepaalde periode geen diensten aan de betrokken burger verleent. Uiteraard dient met dit laatste instrument terughoudend te worden omgegaan. Zie bijlage 1.

 

3.4.3  Pandverbod (zwarte lijst)

Als een burger zich in strijd met de huisregels en/of algemeen aanvaarde gedragsregels heeft gedragen, daarop aangesproken is, maar zijn gedrag niet verbetert, kan overwogen worden om aan deze burger een pandverbod op te leggen. Dit houdt in dat de betrokken medewerker zich gedurende een bepaalde tijd niet in het pand mag vertonen. Hij komt op een zogenaamde “zwarte lijst” te staan. In bepaalde gevallen is het redelijkerwijs niet mogelijk om op deze wijze de betrokkene alle dienstverlening te weigeren. Denk aan het verstrekken van uitkeringen. In zulke gevallen kan afgesproken worden om (een aantal keren) voor dit soort ‘klanten’ een bepaald tijdstip af te spreken waarop of politietoezicht aanwezig is danwel particuliere beveiliging. Zie bijlage 1.

 

3.4.4  Klachtenregeling voor burgers

Ook al spant de organisatie zich nog zo in, dan nog is het nog niet mogelijk om alle klanten tevreden te stellen. Het negeren van ontevredenheid kan tot problemen leiden. Om ontevredenheid van klanten te kanaliseren is het van belang dat burgers die niet tevreden zijn over de dienstverlening door een medewerker hun grieven kunnen uiten. Als zij zien dat op een serieuze wijze met hun klachten wordt omgegaan, kan dit onbegrip en frustratie en daarmee wellicht agressie tegen medewerkers van de dienst voorkomen. Ook levert een dergelijke regeling feedback op over het functioneren van de organisatie, waardoor het mogelijk is gerichte sturing te geven. Goede klachtenprocedures richten zich niet alleen op de juridische aspecten van klachtenbehandeling, maar vooral ook op de relationele kanten ervan.

 


4.   Naslag

 

4.1  Inleiding

In de hoofdstukken 1 en 2 hebt u de hoofdlijnen aangetroffen over hoe om te gaan met een geweldsincident waar een gemeenteambtenaar bij betrokken is. In dit hoofdstuk wordt een breder kader geschetst voor de onderwerpen die daarin aan de orde zijn gesteld.

 

Dit naslagwerk is als volgt opgebouwd:

In paragraaf 4.2 worden algemene zaken rond het Geweldsprotocol uit de doeken gedaan. In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op de dadergerichte activiteiten: de strafrechtelijke en strafvorderlijke aspecten van geweldsincidenten. Paragraaf 4.4 en volgend gaan over de slachtoffergerichte activiteiten. In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de vaststelling van het letsel van de medewerker en de aangifte van het delict. De paragrafen 4.5 en 4.6 en 4.7 gaan in op de opvang, de besmettings- accidenten en schadevergoeding en –verhaal, waarbij ook het verhaal van door de dienst geleden schade aan de orde komt. In paragraaf 4.8 wordt de registratie van geweldsincidenten aan de orde gesteld.

 

4.2   Algemene zaken rondom het Geweldsprotocol

 

4.2.1   Definitie geweldsincident

Er wordt in het kader van het protocol steeds gesproken over geweldsincidenten. Maar wat wordt daaronder verstaan? Hier volgt de definitie van het begrip geweldsincident:

een plotseling optredende gebeurtenis, waarbij een medewerker van de gemeente Rotterdam door een derde wordt beledigd, bedreigd of opzettelijk pijn of letsel wordt toegebracht.3

 

4.2.2   Toepassingsbereik

Voordat we met het geweldsprotocol kunnen gaan werken is van belang om vast te stellen of het van toepassing is op dit specifieke incident/ het slachtoffer. Daarvoor zijn een aantal criteria vastgesteld. Achtereenvolgens leest u in onderstaande op wie het van toepassing is, waar, in welke situatie en voor welke delicten. Een incident moet binnen al deze voorwaarden vallen wil het protocol van toepassing zijn.

 

Op wie:

Het Geweldsprotocol is allereerst van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeente Rotterdam zoals bedoeld in artikel 1 van het Ambtenarenreglement, die in vaste dienst, dan wel in tijdelijke dienst zijn aangesteld als bedoeld in artikelen 12 en 13 van het Ambtenarenreglement. Het gaat dan met name om de ambtenaren met publiekscontacten. Daarnaast is het van toepassing op medewerkers met wie op grond van de Arbeidsovereenkomstenverordening 2002 een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

 

Op andere functionarissen, zoals stagiaires, uitzendkrachten of vanuit andere organisaties gedetacheerde werknemers, is het Geweldsprotocol van toepassing, voor zover het gaat om de bescherming tegen gevaren en de eerste opvang na een geweldsincident. Voor vergoeding van schade of ondersteuning bij verhaal van schade op de dader zullen zij zich in voorkomende gevallen moeten wenden tot de eigen organisatie. Kort gezegd komt het erop neer dat degenen die formeel niet bij de gemeente Rotterdam in dienst zijn hun eigen werkgever hiervoor moeten aanspreken. Het Geweldsprotocol is bovendien alleen van toepassing tijdens of in verband met de opgedragen werkzaamheden. Het Geweldsprotocol is niet van toepassing op geweld tussen ambtenaren in functie onderling.

Waar:

Het geweldsprotocol is voor wat betreft de afspraken met politie en justitie alleen van toepassing binnen de geografische grenzen van het arrondissement Rotterdam. Dit betekent dat in de gevallen waarin er een werkgerelateerd geweldsincidenten plaatsvindt buiten de geografische grenzen van het arrondissement Rotterdam er bijvoorbeeld voor het doen van aangifte geen bijzondere afspraken gelden. Dit laat onverlet dat de andere elementen van het Geweldsprotocol (opvang, vaststelling letselschade door FARR, vergoeding van schade, etc. nog wel degelijk van toepassing zijn.

 

In welke situatie:

  • gemeenteambtenaren die in de uitoefening van de functie danwel in directe relatie tot het werk worden geconfronteerd met feiten zoals hieronder nader omschreven.
  • Gemeenteambtenaren die geen ‘eigen schuld’ aan het incident hebben dat wil zeggen dat het slachtoffer heeft gewerkt volgens werkvoorschriften/werkprotocollen van de dienst
  • een slachtoffer dat bereid is om aangifte te doen of dat al heeft gedaan

Welke delicten:

Het geweldsprotocol is alleen van toepassing op geweldsincidenten in het kader van dit protocol, te weten:

  1. fysiek geweld (artikelen 141, 287, 288, 289, 300, 301, 302, 303, 304, 307 en 308 van het Wetboek van strafrecht).
  2. bedreiging met (wapen)geweld (artikelen 285 en 285a van Wetboek van strafrecht).
  3. afpersing of diefstal met geweld, dat wil zeggen met geweld of bedreiging met (wapen)geweld iemand bewegen tot afgifte van een goed (artikelen 312 en 317 van het Wetboek van strafrecht).
  4. gijzeling (artikelen 282, 282a en 284 van het Wetboek van strafrecht),  
  5. opruiing (artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht).
  6. geweldsmisdrijven tegen het openbaar gezag (artikelen 179, 180, 181, 182, 184, 185 van het Wetboek van Strafrecht).
  7. belediging van een ambtenaar in functie (artikelen 266 juncto 267 van het Wetboek van Strafrecht).

4.2.3  Reikwijdte

Het Geweldsprotocol, voor zover het de verantwoordelijkheid van de werkgever betreft, is van toepassing op alle vormen van geweld of agressie. Alleen worden bij verbale agressie, zoals belediging, discriminatie en opruiing, geen stappen ondernomen om te komen tot enig schadeverhaal. Vanzelfsprekend wordt in al deze gevallen wel door het Openbaar Ministerie uit het oogpunt van strafrechtelijke handhaving tegen de betreffende dader opgetreden, indien zulks mogelijk en opportuun is. Aan de afhandeling van de zaken van het Geweldsprotocol wordt zo veel mogelijk prioriteit gegeven.

 

4.2.4  Aanverwante zaken

Een belangrijk element in de procedure is onder andere de noodzaak van een goede, effectieve en tijdige opvang van gemeenteambtenaren die het slachtoffer zijn geworden van geweld. Van belang daarbij is een adequate bedrijfsopvang.

 

Hoofdzaak bij de organisatie van bedrijfsopvang is de bevordering van de collegiale opvang van medewerkers in psychische nood. Getrainde medewerkers vangen collega’s op die een schokkende gebeurtenis hebben meegemaakt. Dit is uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid van de organisatie. Zij moet ervoor zorgen dat bedrijfsopvang kan plaatsvinden. Zie verder paragraaf 4.5. Het uiteindelijke doel van bedrijfsopvang is dat medewerkers de emoties die na een schokkende ervaring kunnen optreden, kunnen verwerken.

 

Het college van burgemeester en wethouders acht de bedrijfsopvang voor gevallen als deze van essentiële betekenis. Vanzelfsprekend ligt hier tevens een verantwoordelijkheid voor de leiding van het team of de dienst aan wie de directe zorg voor de betreffende gemeenteambtenaar is toevertrouwd.

 

Daarnaast zijn er afspraken gemaakt met de GGD in het kader van bijt-, prik- en sproei-incidenten voor wat betreft de acute dienstverlening van de kant van de GGD. Zie paragraaf 4.6.

 

Het registreren van geweldsincidenten is cruciaal, met name vanuit managements- en sturingsoptiek. Via registratie kan immers stelselmatig onderzoek en analyse plaatsvinden. De registratie geschiedt onder verantwoordelijkheid van het hoofd van dienst. Zie paragraaf 4.8.

 

 

4.3  Strafrechtelijke en strafvorderlijke aspecten

 

4.3.1  Inleiding

De aanpak van geweldsincidenten is enerzijds dadergerichte en anderzijds slachtoffergericht.

 

Bij de dadergerichte aanpak gaat het om die activiteiten die in het kader van strafvordering dienen te worden ondernomen teneinde een strafrechtelijke veroordeling te bevorderen. Door middel van communicatie over deze actieve strafrechtelijke aanpak van daders van geweldsincidenten kan tevens een potentiële dader worden afgeschrokken. Ook worden trainingen gegeven aan ambtenaren ter voorkoming van geweldsincidenten en worden andere preventieve maatregelen genomen met datzelfde doel (zie hoofdstuk 3: preventie).

 

De slachtoffergerichte activiteiten hebben betrekking op de werkzaamheden die door de werkgever worden verricht teneinde te komen tot bedrijfsopvang, verhaal van de schade e.d. De slachtoffergerichte activiteiten zijn uitvoerig weergegeven in de paragrafen 4.4 en 4.5 van dit Geweldsprotocol.

 

Hieronder wordt in paragraaf 4.3.2 aandacht besteed aan een aantal praktische punten die relevant zijn voor de opsporing en vervolging van de betreffende feiten.

 

  1. Dadergericht: strafrechtelijke en strafvorderlijke aspecten

Politie:

  • Voor alle gevallen als bedoeld in het Geweldsprotocol wordt te allen tijde overleg gevoerd met het betreffende team van het Openbaar Ministerie dan wel de piketofficier van justitie. Daarbij kan door het O.M. verwijzing plaatsvinden naar de desbetreffende politiesecretaris bij het betreffende district.
  • Het is van essentieel belang om vast te stellen of sprake is van recidive bij de verdachte.
  • Bij het vaststellen van recidive dienen alle vormen van geweld te worden meegewogen.
  • Indien sprake is van recidive dient uitdrukkelijk melding te worden gemaakt van eerdere geweldsincidenten tegen ambtenaren indien deze zich hebben voorgedaan.

Openbaar Ministerie:

Het Openbaar Ministerie zorgt ervoor dat:

  • Alle verdachten, als het mogelijk en nodig is, een dagvaarding in persoon krijgen of worden voorgeleid aan de officier van justitie.
  • Als een verdachte wordt voorgeleid aan de officier van justitie, daar waar mogelijk, een inbewaringstelling wordt gevorderd, al dan niet in combinatie met het uitreiken van een dagvaarding in persoon.
  • De zaak binnen drie maanden wordt beoordeeld en binnen een redelijke termijn, dat wil zeggen op de eerstvolgende vrije zittingsmogelijkheid, op de zitting wordt aangebracht.
  • Daar waar de aard van de strafzaak, de omvang van de schade, en de persoon van de verdachte dat toelaten, het OM de zaak zal aanbrengen op een Taakstrafzitting, waarbij de schade via de schadebemiddelaar van het OM wordt geregeld.
  • Het slachtoffer desgewenst een slachtoffergesprek krijgt.
  • In het geval van een zitting bij de rechtbank de schadevergoedingsvordering voor afhandeling aan de rechtbank wordt voorgelegd;
  • Bij de beslissing omtrent verdere vervolging, dan wel tijdens de eis ter terechtzitting, als uitgangspunt geldt dat niet wordt getransigeerd tenzij de eis ter zitting een geldboete zou opleveren en er geen ruimte is voor een civiele vordering.
  • De afloop van de strafzaak aan het slachtoffer wordt gemeld.

4.4  Slachtoffergericht: Letselschade en aangifte

Letselschade

Voordat er bij de politie aangifte wordt gedaan van tegen een medewerker gepleegd geweld, dient er een duidelijke beschrijving van het letsel te worden gemaakt. Daarvoor moet het slachtoffer eerst naar een arts van de Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (FARR). Dit is een organisatie die zich bezighoudt met forensische geneeskunde. Een van de diensten die verleend worden, is het vaststellen van letsel volgens forensisch geneeskundige normen. De forensisch artsen hebben op kantoortijden een spreekuur ingericht ten behoeve van letselbeschrijving. Het is van belang dat gemeld wordt dat het om een gemeenteambtenaar gaat en dat vermeld wordt om welke tak van dienst het gaat. Per geval wo rdt € 50,- in rekening gebracht voor werkzaamheden tijdens kantooruren (08.00u - 17.00u); buiten kantooruren geldt een tarief van € 100,-. In voorkomende gevallen kan een letselbeschrijving op een politiebureau plaatsvinden, zo nodig buiten kantooruren.

 

Forensisch artsen zijn geschoold in het vaststellen van letsel en het bepalen van de relatie tussen een geweldsincident en het geconstateerde letsel. Voor de bewijsvoering in een strafzaak tegen de dader is een adequate vaststelling van het letsel van groot belang. Daarnaast heeft de forensisch arts geen band met de betrokkene, zodat duidelijk is dat deze goed in staat is een objectief oordeel te geven. Vandaar dat het college ervoor gekozen heeft om voor het hele concern met de FARR afspraken te maken over dienstverlening op dit punt.

 

De forensisch arts van de FARR maakt van het geconstateerde letsel een letselschade formulier op dat geldig bewijs vormt in het strafproces, mits het slachtoffer toestemming geeft om het te gebruiken.

 

De factuur van de FARR wordt in eerste instantie door de Bestuursdienst voldaan en later doorbelast aan de betreffende dienst.

 

Aangifte

Na het eventueel laten vaststellen van het letsel door de FARR doet het slachtoffer aangifte bij de politie. Hierbij vermeldt hij ten behoeve van een correcte afhandeling dat hij gemeenteambtenaar is en dat het Geweldsprotocol van toepassing is. Als er sprake is van fysiek letstel, overhandigt het slachtoffer het ingevulde letselschadeformulier aan de politie-ambtenaar om toe te voegen aan het dossier. Bij aangifte kan de aangever domicilie kiezen op het adres van werkgever in plaats van op zijn privé adres. Dit is een recht van het slachtoffer, dat zich daardoor niet ongerust hoeft te maken dat een verdachte het privé-adres via de aangifte te weten komt.

 

De afhandeling van de aangifte vindt plaats volgens de "aanwijzing voor de opsporing" van het college van PG's, dd.11-2-2003. Aangifte is noodzakelijk voor het zich kunnen voegen in een strafzaak. De aangifte is (immers) het begin van het strafrechtelijk traject.

 

Het doel van het doen van aangifte is het stellen van grenzen aan wangedrag van klanten, gericht tegen medewerkers van de diensten. Door daadwerkelijke actie gaat er ook een preventief signaal van uit. Daarnaast is het doen van aangifte van belang voor het verhalen van de schade van de dienst waar het slachtoffer werkt.

 

Indien de betrokken ambtenaar geen aangifte doet, is het Geweldsprotocol niet op hem van toepassing. In de praktijk betekent dit met name dat de ambtenaar niet (actief) ondersteund wordt bij het vergoed krijgen van zijn schade. Ook neemt de dienst de vordering op de dader in zulke gevallen niet over van het slachtoffer.

 

Ziet het slachtoffer af van het doen van aangifte dan doet de werkgever aangifte van het incident bij de politie. Dit met name van belang voor het verhalen van de schade van de dienst. Zoals reeds in paragraaf 1.2.5 werd vermeld kan de officier van justitie in gevallen waarin het slachtoffer geen aangifte doet, ambtshalve tot vervolging van het gepleegde strafbare feit overgaan.

 

4.5   Slachtoffergericht: Bedrijfsopvang

Het slachtoffer van een geweldsincident moet worden opgevangen en ondersteund. De medewerker moet in staat gesteld worden om de nare ervaring te verwerken. Hiermee kan uitval worden beperkt. We spreken hierbij van bedrijfsopvang, wat kan worden gedefinieerd als “gebeurtenisgerichte hulpverlening in het kader van een normale verwerking en gericht op het mobiliseren van de sociale opvangstructuur.”

 

Om een handvat te geven: als basis kan gedacht worden aan een structuur waarbij er drie opvanggesprekken plaatsvinden over een periode van drie maanden. Uiteraard is bedrijfsopvang maatwerk. Afhankelijk van de ernst van het trauma kan het aantal gesprekken en de periode waarin deze gesprekken plaatsvinden sterk variëren.

 

Een eerste gesprek is vooral ten behoeve van de reconstructie (verhaal vertellen), gekoppeld aan rust en structuur. Bij een tweede en derde gesprek ligt de nadruk meer op verdieping, integratie en voorlichting. De laatste twee opvanggesprekken onderstrepen tevens een belangrijke nevenfunctie van gestructureerde opvang, namelijk de signalerende functie bij stagnaties in de verwerking. Doorverwijzing naar bedrijfsmaatschappelijk werk en bedrijfsarts liggen dan in het verlengde. Medewerkers van wie wordt vermoed dat zij een posttraumatische stress stoornis hebben, worden door de bedrijfsarts doorverwezen voor professionele traumabehandeling (zie ook bijlage 2 over bedrijfsopvang).

 

De voornaamste taken van bedrijfsopvang zijn:

  • Het op gang brengen en in stand houden van een systematisch proces van opvang van een collega of van collega’s na een schokkende gebeurtenis tijdens of vanwege de dienstuitoefening.
  • Het bevorderen / mobiliseren van de sociale hulp door de eigen omgeving (collega’s, chefs e.d.).

Wie doet de opvang

Diensten bepalen zelf op welke wijze zij de opvang van medewerkers organiseren. De eerste verantwoordelijkheid voor de bedrijfsopvang ligt bij de leidinggevende. Deze draagt, afhankelijk van de organisatie binnen de dienst, zelf zorg voor de opvang, of roept iemand van het bedrijfsopvangteam op. In een bedrijfsopvangteam verlenen getrainde collega’s hulp aan collega's die slachtoffer zijn geworden van een geweldsincident. De grootte van de dienst kan hierbij van belang zijn bij het bepalen van de vorm van opvang: wordt er een bedrijfsopvangteam (1) opgericht of is het een taak voor de leidinggevende(2). Voor een aantal grote diensten kan het meer lonend zijn om bedrijfsopvangteams te vormen.

 

  1. Bedrijfsopvangteams

Getrainde medewerkers van een opvangteam gaan of met de collega apart danwel met alle bij het incident betrokken collega's tezamen het gesprek aan. In dat gesprek toetsen zij de mate van impact en de behoefte aan meerdere gesprekken. Na het eerste gesprek zullen, afhankelijk van de ervaringen, meerdere gesprekken volgen op initiatief van de bedrijfsopvang. Waar nodig verwijzen zij door naar professionele hulpverlening.

 

Ten aanzien van de bedrijfsopvang wordt uitgegaan van de volgende vertrekpunten:

  • Bedrijfsopvang is beschikbaar voor ieder personeelslid, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
  • Bedrijfsopvang is niet afhankelijk van het al dan niet doen van aangifte.
  • Bedrijfsopvang is gedurende de bedrijfstijden van de dienst bereikbaar en kan onmiddellijk worden ingezet voor de eerste opvang.
  • Het aanvaarden van de hulp is vrijwillig.
  • De hulpverlening is uitsluitend gericht op de opvang van de betrokkenen bij de ingrijpende gebeurtenis.
  • Er dient een directie relatie te bestaan tussen het incident en de uitoefening van de functie; het gaat om opvang door getrainde collega’s.
  • Het optreden van de bedrijfsopvanger dient naast het verlenen van de hulp gericht te zijn op het mobiliseren van de sociale opvang (collega’s en leidinggevende) in de eigen werkomgeving.
  • De hulpverlening vindt plaats binnen het kader van een “normale verwerking”. Wetenschappelijk neemt men thans aan dat een normale verwerking, afhankelijk van de persoon en situatie ongeveer drie maanden kan duren.
  1. Opvang door leidinggevende

Voor kleinere diensten kan het niet lonend zijn om een bedrijfsopvangteam in het leven te roepen. Het aantal incidenten kan zo laag zijn dat het opzetten van een bedrijfsopvangteam een onevenredige inspanning vergt. Dit betekent dat er een grotere verantwoordelijkheid bij de leidinggevende van de betrokken medewerker komt te liggen. Deze zal regelmatig aandacht moeten geven aan het gebeurde en het contact moeten onderhouden met de betrokken medewerker(s). Hiertoe behoort ook het eventuele contact met de bedrijfsarts en de bedrijfsmaatschappelijk werker (daarbij ondersteund door de afdeling P&O). Om deze opvangtaak goed uit te kunnen oefenen moet de leidinggevende op eenzelfde wijze getraind worden als een medewerker van een bedrijfsopvangteam. De medewerker krijgt de mogelijkheid om een andere persoon dan de leidinggevende als contactpersoon aan te wijzen. Ook het Bureau Slachtofferhulp zou, indien door de medewerker gewenst, ingeschakeld kunnen worden.

 

4.6  Besmettingsaccidenten

In het voorgaande is een aantal malen gesproken over besmettingsaccidenten. Het college heeft voor de gehele gemeentelijke organisatie met de GGD afspraken gemaakt over de dienstverlening na een incident waarbij er sprake is geweest van mogelijke blootstelling aan bloed of aan met bloed verontreinigde lichaamsvloeistoffen, de besmettingsaccidenten.

 

Onder “besmettingsaccidenten” wordt verstaan:

“een mogelijke blootstelling aan bloed of aan met bloed verontreinigde lichaamsvloeistoffen ten gevolge van”:

  • Een huidverwonding door-en-door .
  • Contact met niet intacte huid.
  • Contact met slijmvlies.

Voorbeelden van bovengenoemde gevallen zijn: prikaccidenten, bijtwonden, bloedspatten in het oog of mond, zichtbaar bloed bij mond-op-mond-beademing of bloed op de niet intacte huid. In het geval van accidenten door beroepsblootstelling is de werkgever verantwoordelijk voor een adequate doorverwijzing en behandeling. De GGD heeft veel ervaring met besmettingsaccidenten en kan 24 uur per dag, 7 dagen per week diensten verlenen. Dit is van belang, omdat mogelijk besmette medewerkers zo snel mogelijk een deskundige willen raadplegen. De diensten worden op rekeningbasis verleend. De total e tijdsduur van de procedure naar aanleiding van een besmettingsaccident is gemiddeld 2 tot 2,5 uur. Het uurtarief bedraagt € 62,50 tijdens kantooruren, € 93,75 tussen 18.00 u en 08.00 u en € 125,- in het weekend. Eventuele laboratoriumkosten en kosten voo r vaccinatie(s) worden apart in rekening gebracht.

 

De factuur voor de verrichtingen van de GGD wordt rechtstreeks naar de betreffende dienst gezonden.

 

Er kan vervolgens een viertal verantwoordelijkheden worden onderkend:

  • De betrokken gemeenteambtenaar is zelf verantwoordelijk voor het melden van het besmettingsaccident bij zijn leidinggevende; hij / zij is overigens zelf verantwoordelijk voor de beslissing om de geadviseerde maatregelen ook te nemen.
  • Van de leidinggevende wordt verwacht dat hij / zij als eerste verantwoordelijkheid draagt voor de begeleiding van de gemeenteambtenaar die betrokken is bij een besmettingsaccident.
  • De GGD is verantwoordelijk voor juiste advisering met betrekking tot besmettingsrisico en het treffen van maatregelen als er een reëel besmettingsrisico is.
  • De forensisch arts van de FARR die de fysieke schade van de medewerker vaststelt of de bedrijfsarts die de medewerker in geval van ziekteverzuim begeleidt zal, indien betrokkene nog geen contact met de GGD heeft gehad en mogelijk besmet is, naar de GGD moeten doorverwijzen

In geval van besmettingsaccidenten kan door het slachtoffer eventueel, met hulp van de Servicedienst, Juridische Diensten, een kort geding worden aangespannen tegen de verdachte indien deze weigert aan een bloedafname mee te werken, teneinde deze ertoe te dwingen wel medewerking te verlenen.

 

Indien pas na enige tijd na het besmettingsaccident vastgesteld kan worden of het slachtoffer daadwerkelijk is besmet (bijv. aidstest pas na 6 maanden), dient de politie op de hoogte van de uitslag van het betreffende onderzoek gesteld te worden, zodat de aangifte (ten behoeve van de vervolging) aangevuld kan worden. Dat kan alleen door het slachtoffer zelf worden gedaan of na schriftelijke toestemming van het slachtoffer door de GGD.

 

Vaccinatie

In het verlengde van de afspraken over besmettingsaccidenten kunnen ook afspraken worden gemaakt over het preventief inenten. Voor bepaalde beroepsgroepen in de medische en paramedische sector is dit verplicht gesteld. Met uitzondering van de GGD zijn de gemeentelijke diensten niet verplicht medewerkers preventief in te laten enten. Niettemin kunnen deze diensten, in navolging van de politie Rotterdam-Rijnmond, medewerkers in de gelegenheid stellen zich te laten vaccineren tegen hepatitis B.

 

4.7  Schadevergoeding en -verhaal

 

4.7.1   Inleiding

Zoals reeds in de inleiding onder 4.1.5 is vermeld, kan in zaken in het kader van het Geweldsprotocol door de gemeenteambtenaar en de gemeente schade worden geleden. Waaruit die schade bestaat en hoe deze kan worden verhaald, wordt hieronder beschreven.

 

4.7.2  Soorten schade

Achtereenvolgens komen in onderstaande paragrafen de schade van het slachtoffer en de schade van de dienst aan de orde.

 

4.7.2.1 Onderscheid materiele en immateriële schade van het slachtoffer

 

Materiële schade

Dit is de totaal van de schade aan persoonlijke eigendommen, fysieke schade, medische kosten en verlies van inkomsten bij ontstane arbeidsongeschiktheid.

Hieronder wordt het onderscheid gemaakt tussen schade aan eigendommen(1) en overige schade(2).

 

1. Schade aan eigendommen

Als het slachtoffer door het voorval schade heeft geleden aan zijn eigendommen, beoordeelt de P&O-functionaris op basis van de gegevens in het schadeformulier en met de overige gegevens in hoeverre vergoeding van die schade op grond van artikel 118 AR (dat over vergoeding van schade aan eigendommen gaat) mogelijk is. Deze schade wordt vergoed naar de dagwaarde. De P&O-functionaris maakt hiervoor het conceptbesluit. Het besluit tot vergoeding van de schade aan eigendommen wordt zo snel mogelijk genomen door het hoofd van dienst.

 

Voorbeeld   Een klant is het niet eens met de gang van zaken. Tussen gemeenteambtenaar en klant ontstaat een worsteling waarbij

het horloge van de betrokken gemeenteambtenaar beschadigd raakt.

 

 

Bij vergoeding o.b.v. artikel 118 AR zijn de volgende P&O-circulaires van belang:

  • 72/03: Schadevergoeding voor in diensttijd opgelopen schade. Bindend wat betreft de in deze circulaire opgenomen punten 1 en 2.
  • 75/08: Schadevergoeding voor in diensttijd opgelopen schade. Bindend wat betreft de afschrijvingstermijn van jassen.
  • 78/39: Schadevergoeding brilmonturen.

2. Overige schade

De overige schade van het slachtoffer zelf kan met name bestaan uit fysieke schade, medische kosten, verlies van inkomsten bij ontstane arbeidsongeschiktheid en immateriële schade:

  • Fysieke schade

Het gaat hierbij om de schade aan het lichaam die de betreffende ambtenaar lijdt als gevolg van het incident. Hierbij valt te denken aan een blauw oog, een hoofdwond, een bloedneus, een kneuzing, een botbreuk, etc.

  • Medische kosten

Ambtenaren in dienst van de gemeente Rotterdam zijn bij het Instituut Zorgverzekeringen Ambtenaren Nederland (IZA) verzekerd tegen ziektekosten. Echter: in veel gevallen vergoedt het IZA medische behandelingen niet volledig. Dan geldt een eigen bijdrage. Als het bedrag van de eigen bijdrage boven de 1% van het jaarinkomen komt, kan het meerdere (op grond van artikel 59b, eerste lid, Ambtenarenreglement) door de dienst worden vergoed.

De geneeskundige kosten bij arbeidsongeschiktheid na een geweldsincident die het IZA niet vergoedt, kunnen op basis van artikel 53b van het Ambtenarenreglement door de dienst worden vergoed.

  • Verlies van inkomsten bij ontstane arbeidsongeschiktheid

Indien een medewerker als gevolg van een geweldsincident arbeidsongeschikt wordt en niet kan werken, heeft hij in eerste instantie geen directe loonschade. Op grond van artikel 52, eerste lid, van het Ambtenarenreglement heeft een ambtenaar gedurende de eerste 18 maanden van ziekte recht op doorbetaling van 100% van zijn bezoldiging. Op basis van het derde lid van artikel 52 is er ook na 18 maanden ziekte recht op doorbetaling van 100% (in plaats van 80%) bezoldiging indien er sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

 

Het is overigens waarschijnlijk dat deze regeling, als gevolg van afspraken in het Najaarsakkoord, gewijzigd wordt. De wijziging zal inhouden dat een ambtenaar gedurende de eerste 12 maanden van ziekte recht heeft op doorbetaling van 100% van zijn bezoldiging en vervolgens 70%. Of een aanvulling tot 100% in geval van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst mogelijk zal blijven, is nog onzeker. Zodra daar meer over bekend is wordt dat met uw dienst gecommuniceerd.

 

Het bovenstaande betekent dat, zolang de regelgeving nog niet is gewijzigd, de P&O-functionaris er zorg voor dient te dragen dat er geen vermindering van de doorbetaling van de bezoldiging naar 80% plaatsvindt.

 

Indien de betrokken medewerker langer dan 24 maanden ongeschikt is voor zijn betrekking en niet elders binnen de dienst of elders binnen de gemeentelijke organisatie herplaatst kan worden, kan op basis van artikel 90 van het Ambtenarenreglement ontslag worden verleend. Daarna heeft de betrokkene weliswaar in de regel recht op een uitkering, maar er zal sowieso sprake zijn van verlies aan inkomen.

 

Hierbij is artikel 53 van het Ambtenarenreglement nog relevant. In deze bepaling is opgenomen dat de gewezen ambtenaar in of door de dienst arbeidsongeschikt is geworden en recht heeft op een WAO-uitkering een aanvullende uitkering wordt verleend. De hoogte hiervan is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid.

 

Het is dus van belang of het geweldsincident als bedrijfsongeval is aangemerkt en of de bedrijfsarts van mening is dat de arbeidsongeschiktheid op het moment van beëindiging van het dienstverband nog steeds het gevolg is van het voorval. Indien dit het geval is, heeft de gewezen ambtenaar recht op een aanvullende uitkering.

 

De P&O-functionaris van de afdeling draagt er (dus) zorg voor dat de bedoelde uitkering wordt verstrekt door tijdige controle van de genoemde gegevens in artikel 53 AR.

 

Immateriële schade

Dit is een vergoeding voor geleden verdriet, pijn en angst (smartengeld).

 

Voorbeeld   Twee andere gemeenteambtenaren in functie willen de bovenstaande klant tegenhouden. Het blijkt om een drugverslaafde te gaan. De verslaafde prikt plotseling met een vuile spuit een van de gemeenteambtenaren in het lichaam. De gemeenteambtenaar verkeert nog langere tijd in onzekerheid of hij besmet is geraakt. Dit heeft tevens weerslag op zijn privé-situatie.

 

Op basis van artikel 119 AR kan voor immateriële schade een vergoeding worden toegekend.

 

4.7.2.2 (Materiële) schade dienst (materieel, materiaal, loonkosten, proceskosten)

Naast de medewerker kan ook de dienst waar deze medewerker werkzaam is, schade lijden.

 

  • Materiaal

Hierbij gaat het om schade aan (dienst)voertuigen en –vaartuigen.

 

  • Materieel

Hierbij gaat het om zaken waarvan de medewerkers gebruik maken om hun werkzaamheden te kunnen verrichten. Het kan onder meer gaan om gereedschap, maar ook om een laptop, of om dienstkleding.

 

  • Vergoeding schade medewerker

Daarnaast zal de (im)materiële schade van de medewerker die het slachtoffer wordt van een geweldsincident, veelal voor vergoeding door de dienst in aanmerking komen. Hierover is in paragraaf 2.3 het een en ander uit de doeken gedaan. Daar waar de dienst schade moet vergoeden, lijdt hij schade.

 

  • Loonkosten

De medewerker die wegens ziekte niet in staat is om zijn betrekking te vervullen, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging. Tegenover deze doorbetaling staat geen arbeidsprestatie. Ook hierdoor lijdt de dienst schade.

 

  • Proceskosten

Op het moment dat de dienst poogt om via een gerechtelijke procedure de ten gevolge van een geweldsdelict geleden schade op de dader te verhalen, zullen hiervoor kosten worden gemaakt. Ook dit is een vorm van schade.

 

4.7.3  Vaststellen van de schade

Het vaststellen van de materiële schade zal veelal door de dienst zelf kunnen gebeuren. Wat de schade aan materiaal en materieel betreft zal dit zo zijn wanneer er binnen de dienst expertise aanwezig is om deze schade vast te stellen. Is deze er niet, dan moet een externe deskundige hierover een oordeel geven. Zo kan voor bijvoorbeeld schade aan een dienstvoertuig de hulp van een externe schade-expert worden ingeroepen.

 

Voor wat betreft de schade van de medewerker geldt het volgende:

  • Voor het bepalen van de schade aan eigendommen wordt verwezen naar de P& O-circulaires die in paragraaf 4.7.2.1 zijn genoemd.
  • Indien er sprake is van letselschade bij de medewerker, zal de omvang van de schade soms pas op langere termijn helder worden. Dan zal de omvang van de schade door medisch specialisten worden vastgesteld.
  • Voor het bepalen van de medische kosten zal in de regel de medische behandeling afgerond moeten zijn.
  • Voor het bepalen van immateriële schade zijn er tabellen beschikbaar, afkomstig uit de syllabus van het Schadefonds Geweldsmisdrijven of uit de ANWB-smartengeldgids. Deze laatste kan met name worden gebruikt in de gevallen waarbij er sprake is van beperkt lichamelijk letsel. Deze tabel dient door de diensten te worden gehanteerd om schade van het slachtoffer te bepalen. Neemt het slachtoffer geen genoegen met de hoogte van de schadebedragen die in de syllabus of de smartengeldgids zijn vastgelegd dan kan hij/zij besluiten om de daders zelf aansprakelijk te stellen, buiten de regeling van het Geweldsprotocol. Hierbij vindt GEEN ondersteuning door de dienst plaats.
  • De loonkosten zijn vrij eenvoudig vast te stellen: dat is de bezoldiging en de daarbij horende werkgeverslasten.
  • De proceskosten staan ten dele vast (bijv. griffierecht bij civiele procedure), maar zijn ook afhankelijk van de (omvang van de) inspanningen van een eventueel ingehuurde advocaat.

4.7.4  Vergoeden van de schade

Bij schadevergoeding gaat het om de vergoeding van materiële en immateriële schade die de ambtenaar heeft geleden als gevolg van een geweldsincident. Daarbij deed zich de vraag voor of de aansprakelijkheid van de gemeente Rotterdam als werkgever hierbij een rol diende te spelen. De gemeente Rotterdam is als werkgever immers niet per definitie wettelijk aansprakelijk als een ambtenaar in haar dienst betrokken raakt bij een geweldsincident en schade lijdt. Echter uit het oogpunt van maximale ondersteuning van de medewerker en een snelle en inzichtelijke procedure bij de afhandeling van de schade van een medewerker wordt ervoor gekozen om de aansprakelijkheidsvraag buiten beschouwing te laten.

 

Materiële schade dient hierbij direct te worden vergoed; immateriële schade nadat een rechter een uitspraak heeft gedaan over de hoogte van die schade. De dienst neemt de eventuele vordering van de schade op de dader over van het slachtoffer. Hij/zij hoeft dan na de uitspraak van de rechter geen verdere confrontatie aan te gaan met de dader (maandelijkse betalingen, niet ontvangen bedragen etc). Met het overnemen van de vordering neemt de werkgever ook het risico over van niet betalen door dader. Daarom wordt van de werknemer verwacht dat hij/zij volledige medewerking verleent aan het proces van schadeverhaal. Praktisch wordt deze regeling vorm gegeven door het bankrekeningnummer van de dienst op het voegingsformulier te vermelden.

 

In paragraaf 4.7.2.1 werden de verschillende soorten schade en de gronden voor vergoeding hiervan genoemd. De afzonderlijke rechtspositionele bepalingen (art. 53, 53b, 118 en 119 AR) blijven van kracht. Echter het volgen van het Geweldsprotocol heeft voor een slachtoffer een aantal voordelen. De twee belangrijkste zijn:

  • Het slachtoffer is niet verplicht om de verschillende procedures op basis van de bovengenoemde bepalingen te volgen om zijn schade vergoed te krijgen. Hij/zij kan volstaan met een beroep op het Protocol, onder welke noemer é ;én vergoeding voor de verschillende vormen van schade kan worden toegekend.
  • De dienst neemt de vordering op de dader over van het slachtoffer. De materiële schade keert de dienst in één keer aan het slachtoffer uit. De immateriële schade wordt vergoed na vaststelling door de rechter.

4.7.5  Verhaal van de schade

Het Geweldsprotocol heeft als uitgangspunt dat de gemeente Rotterdam de gemeenteambtenaar die slachtoffer is geworden van agressie of geweld, maximaal ondersteunt bij de afhandeling van het incident. In deze paragraaf van het protocol wordt aandacht besteed aan het verhalen van de door de betreffende gemeenteambtenaar geleden schade, zowel materieel als immaterieel (zie voor deze begrippen 4.7.2.1). Daarnaast wordt de door de gemeente Rotterdam geleden (loon)schade aan de orde gesteld. Tenslotte wordt het mogelijke verhaal op de verzekeraar behandeld.

 

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de schade geleden door het slachtoffer en de schade geleden door de werkgever. De schade van het slachtoffer wordt altijd verhaald op de dader (zonder verhaalsonderzoek) vanuit de gedachte dat er in ieder geval een vuist gemaakt moet worden naar de dader. Hiermee wordt getoond dat gewelddadig gedrag tegen zijn gemeenteambtenaren niet wordt geaccepteerd. Bij de door werkgever geleden schade (die vaak met name zal bestaan uit het doorbetalen van het loon als er sprake is van verzuim) kan de dienst een verhaalsonderzoek laten plaatsvinden om op basis daarvan te besluiten al dan niet verhaal te halen op de dader. Deze beslissing wordt genomen op basis van een (zakelijke) kosten-batenanalyse.

 

4.7.5.1   Verhaal schade van het slachtoffer

De schade van het slachtoffer kan bestaan uit de materiele schade (zoals de schade aan eigendommen, fysieke schade, geneeskundige kosten, verlies aan inkomsten) en immateriële schade (zie 4.7.2.1.). Zoals eerder gezegd, wordt de schade van het slachtoffer altijd verhaald op de dader.

 

Het slachtoffer kan als benadeelde van een geweldsincident op 3 manieren zijn schade verhalen:

  1. Zich voegen als benadeelde partij in de strafzaak tegen de dader.
  2. Een civiele procedure opstarten.
  3. Schadefonds Geweldsmisdrijven.

ad 1. Voegen als benadeelde partij in de strafzaak tegen de dader (art. 51a-51f Sv):

Deze wijze van verhalen is de regel. Schade kan en zal bijna altijd worden verhaald door voeging in een strafzaak. Deze procedure is snel, eenvoudig en goedkoop. Voeging in het strafproces is alleen mogelijk ter zake van schade die door de in de tenlastelegging omschreven gedraging tegen de benadeelde is veroorzaakt.

 

Indien het OM eenmaal tot vervolging is overgegaan kan de benadeelde ambtenaar zich met een vordering tot schadevergoeding (uit hoofde van onrechtmatige daad) voegen in het strafproces. Voor de terechtzitting kan de benadeelde ambtenaar zijn civiele vordering op de dader aan de Officier van Justitie kenbaar maken met behulp van een “voegingsformulier.” Hij stelt zich daarmede als “civiele partij.” Op het formulier dienen de naam, voornamen, geboortedatum en woon- of verblijfplaats van de benadeelde vermeld te worden (hierbij kan, zoals vermeld in paragraaf 4.4, domicilie worden gekozen op het adres van de dienst), alsmede duidelijk aangegeven te worden wat wordt gevorderd en de gronden waarop die vordering berust. Voeging kan eventueel ook ter zitting, door mondeling of schriftelijk opgave te doen van het bovenstaande.

 

Voordeel van het bewandelen van deze weg is, dat de vordering van de benadeelde niet aan de gebruikelijke processuele eisen (omschrijven onrechtmatige daad, het stellen van toerekenbaarheid en causaal verband) behoeft te voldoen. Vermelding van het verlangde bedrag is voldoende. De schade behoeft niet louter materieel van aard te zijn, ook vergoeding van immateriële schade is voor toewijzing vatbaar, mits aannemelijk is dat de verdachte het oogmerk had dergelijke schade te veroorzaken, ofwel de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ten aanzien van de hoogte van de vordering geldt geen maximum. Om voor beoordeling door de strafrechter in aanmerking te komen, moet de vordering eenvoudig van aard zijn. De rechtbank kan de vordering splitsen in een ingewikkeld en eenvoudig deel. Met het ingewikkelde deel van de vordering kan de benadeelde naar de civiele rechter gaan. Het verdient aanbeveling om de vordering ter zitting mondeling toe te lichten.

 

Vindt de rechter dat het slachtoffer recht heeft op een schadevergoeding, dan kan hij de dader veroordelen tot het betalen van de schade of een gedeelte daarvan. Er zijn twee mogelijkheden:

  1. De rechter legt de dader het betalen van een schadevergoeding op. Dit is een zogenoemde schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f jo. 554 Sr). Deze maatregel heeft het effect van een boete die de dader aan het slachtoffer moet betalen en wordt door het OM geëxecuteerd. De staat ontvangt dus de betaling(en) van de dader en keert deze rechtstreeks uit aan het slachtoffer. In het geval de dader niet betaalt kan vervangende hechtenis worden opgelegd. De vervangende hechtenis heft de verplichting tot het betalen van schadevergoeding jegens het slachtoffer niet op.
  2. De rechter wijst een schadevergoeding toe aan het slachtoffer. Het slachtoffer moet het bedrag zelf innen.

In het kader van de maximale ondersteuning van de medewerker wordt in beide gevallen het verhaal van de schade op de dader door de dienst overgenomen. De ambtenaar dient hierbij zijn vordering aan de gemeente over te dragen. Dat betekent in praktijk dat de werkgever de maandelijkse bedragen van de staat of de dader overgemaakt krijgt en het slachtoffer aan het begin van de periode het schadebedrag in één keer uitgekeerd krijgt door de werkgever.

 

Ad 2. Civiele procedure:

De benadeelde gemeenteambtenaar kan de dader eventueel civielrechtelijk aanspreken tot vergoeding van zijn schade, uit hoofde van onrechtmatige daad (artikel 6:162/184 BW). Deze wijze van verhaal zal slechts in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden. De procedure heeft als nadeel dat er stringent geformuleerde processuele eisen gelden, zoals het nauwgezet moeten omschrijven van de onrechtmatige daad en bewijsaanbod in de dagvaarding, het stellen van toerekenbaarheid en het causaal verband tussen onrechtmatige daad en geleden schade. Zonder strafrechtelijke veroordeling is de uitkomst zeer onzeker. Een ander nadeel van de civiele procedure is dat deze doorgaans veel tijd in beslag neemt. Over het algemeen is het aanhangig maken van een civiele procedure alleen dan zinvol wanneer de dader verhaal biedt (verhaalsonderzoek!) en het te vorderen schadebedrag relatief hoog is.

 

De civiele procedure wordt gevoerd bij de Rechtbank, sector Kanton, in zaken waarbij schade wordt gevorderd tot een bedrag van € 5.000,- en bij de Rechtbank in zaken vanaf

€ 5.000,-. In laatstgenoemde zaken is procesvertegenwoordiging door een advocaat verplicht.

 

Ad 3   Schadefonds Geweldsmisdrijven

In 1976 is het Schadefonds Geweldsm isdrijven bij wet ingesteld. Het Schadefonds beoogt slachtoffers van geweldsmisdrijven een steuntje in de rug te geven met een eenmalige uitkering. Het fonds wordt bestuurd door een Commissie, die beslist over de verzoeken om een uitkering en de hoogte daarvan vaststelt.

 

Niet elke schade die door een misdrijf is ontstaan, komt voor uitkering in aanmerking; alleen de letsel- of overlijdensschade. Bovendien vergoedt het Schadefonds niet de totale schade, maar doet het slechts een uitkering naar redelijkheid en billijkheid. Alleen indien de schade, de grootte daarvan en het verband met het letsel aannemelijk zijn voor de Commissie, kan zij tot een uitkering komen.

 

Daarbij komt dat er sprake moet zijn van ernstig (lichamelijk of geestelijk) letsel. In de praktijk zijn er wat vuistregels voor wat volgens het Schadefonds ernstig letsel is:

  • Letsel dat met levensgevaar gepaard is gegaan.
  • Letsel met blijvend ernstige gevolgen, bijvoorbeeld een ernstig geestelijk trauma, blijvend ontsierende littekens, het verlies van een oog of een blijvende handicap.
  • Letsel waarvan het herstel langere tijd in beslag neemt, wanneer men meer dan ongeveer zes weken zijn dagelijkse bezigheden niet heeft kunnen verrichten.

Voor het indienen van een verzoek om een uitkering uit het Schadefonds kan gebruik worden gemaakt van de website van het Schadefonds ( www.schadefonds.nl) Ook kan het verzoek telefonisch of schriftelijk worden ingediend. U kunt daarbij de hulp inroepen van o.a. van het Buro Slachtofferhulp of Bureau voor Rechtshulp.

 

4.7.5.2 Verhaal schade van de dienst

In tegenstelling tot verhaal van de door de ambtenaar geleden schade, is verhaal van de schade van de dienst geen automatisme. Voor verhaal van de laatstgenoemde schade kan de dienst een verhaalsonderzoek laten plaatsvinden om op basis daarvan te besluiten al dan niet verhaal te halen op de dader. Deze beslissing wordt genomen op basis van een (zakelijke) kosten-batenanalyse. De reden voor deze keuze, is dat het verhaal van schade moeite, tijd en geld kan kosten.

De schade van de dienst kan bestaan uit (1) de schade door uitval van de ambtenaar en (2) de schade aan het materieel, het materiaal en de proceskosten.

 

  1. Verhaal o.b.v. Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA) van schade door uitval ambtenaar

Wanneer een ambtenaar het slachtoffer is geworden van agressie en/of geweld en als gevolg daarvan enige tijd ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, komt de dienst waar deze medewerker werkzaam is voor kosten te staan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om (doorbetaling van) bezoldiging en om uitkeringen wegens ziektekosten (zie paragraaf 4.7.2.2).

 

De geleden nettoloonschade kan op basis van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA) op de dader worden verhaald. De VOA bepaalt dat “het lichaam dat aan of ten behoeve van een ambtenaar krachtens diens rechtspositieregeling uitkeringen of verstrekkingen verleent ter zake van een aan deze overkomen ongeval, voor de kosten verhaal heeft op degene die, in verband met het veroorzaken van het ongeval, jegens de ambtenaar naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn voor de alsdan door deze geleden schade.” Expliciet is vastgelegd dat deze bepaling (ook) betrekking heeft op doorbetaalde bezoldiging en een eventuele uitkering ter zake van het ongeval, verleend na zijn ontslag.

 

De werkgever zal dus een civiele procedure moeten starten op basis van de VOA als hij de geleden schade op de dader wil verhalen en een vordering moeten indienen. Voor de gemeente Rotterdam is deze expertise ondergebracht bij de Servicedienst Rotterdam, Juridische Diensten.

 

  1. Verhaal schade aan materieel, materiaal en proceskosten

De schade die aan materiaal en materieel wordt aangebracht en de proceskosten die gemaakt worden om de schade die de dienst lijdt te verhalen, vallen niet onder de werkingssfeer van de VOA. Om deze schade op de dader te verhalen, zal dus een beroep gedaan moeten worden op het Burgerlijk Wetboek, artikel 6:162, dat over de onrechtmatige daad en aansprakelijkheid daarvoor handelt.

 

4.7.5.3   Verhaal op de verzekeraar

Niet in alle gevallen zal er sprake zijn van een dader die bekend is. Ook is het zeer wel mogelijk dat de dader geen verhaal biedt. Indien deze situaties zich voordoen, is het uiteraard ook niet mogelijk de schade te verhalen op degene die de schade heeft toegebracht. In dit soort gevallen zou de verzekering van de gemeente Rotterdam tegen wettelijke aansprakelijkheid wellicht een oplossing kunnen bieden. Uit hoofde van haar werkgeverschap zal de gemeente Rotterdam jegens de ambtenaar die het slachtoffer wordt van een geweldsdelict veelal aansprakelijk zijn voor de geleden schade. De gemeente heeft op basis van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 de verplichting om de gevaren en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Op het moment dat er een geweldsincident tijdens de uitoefening van de functie plaatsvindt, zal vaak aangevoerd kunnen worden dat de werkgever in dezen tekort geschoten is. Dit maakt de werkgever schadeplichtig, waarop de werkgever deze aansprakelijkheid zal kunnen afwentelen op de verzekeraar.

 

De ervaring bij de RET leert dat het verhaal op de verzekeraar mogelijk is. De kritische kanttekening kan worden gemaakt dat indien het aantal verzoeken aan de verzekeraar voor vergoeding van schade toeneemt, deze scherper zal kijken of de gemeente als werkgever aansprakelijk is. Op voorhand valt niet te zeggen of dit in de praktijk ertoe zal leiden dat de verzekeraar uitkeringen gaat weigeren. Dat hangt af van de concrete gevallen die zich voordoen. Niet uit te sluiten valt dat de gemeente schade gaat vergoeden aan een medewerker, maar die schade niet bij de verzekeraar kan terughalen.

 

4.8   Registratie

Het is van belang om geweldsincidenten te registreren. Als je wilt weten of geweldsincidenten qua omvang of aard een probleem vormen, dan wel of het aantal incidenten toe- of afneemt, zul je over cijfers moeten beschikken. Registratie is dus essentieel: “Meten is weten”. Het college van burgmeester en wethouders heeft in ieder geval bepaald dat diensten verplicht zijn om geweldsincidenten te registreren. Via registratie en analyse van de gegevens kan stelselmatig onderzoek worden gedaan naar geweldsincidenten. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek kunnen eventueel maatregelen worden getroffen om geweldsincidenten te voorkomen.

 

In eerste instantie wordt geregistreerd middels een document dat na elk incident moet worden ingevuld en toegezonden aan de contactpersoon (zie pagina 2) geweldsincidenten van de directie Middelen en Control. Dit formulier vindt u of als bijlage bij dit protocol gevoegd, danwel via uw eigen intranet-site.

 

In de toekomst zal het incident worden geregistreerd in het nieuwe HRM-systeem. U wordt geïnformeerd wanneer dit systeem in werking is en het eerder genoemde document vervalt. In het HRM-systeem zijn de personeelsgegevens van medewerkers van de gemeente Rotterdam vastgelegd. De mutaties in dit systeem worden door de personeels- en salarisadministrateurs (PSA’s) ingevoerd. Bij een geweldsincident moeten de kerngegevens van het incident worden vermeld. Op centraal niveau wordt dan wel de informatie over de incidenten opgevraagd om zo voor heel de gemeente een overzicht te krijgen.

 

Voor eenduidige registratie dient het nieuwe HRM-systeem uitgerust te worden met formulieren om het incident te melden en formulieren om vast te leggen dat er schade is geleden en wat de hoogte van de schade is.

 

Tevens wordt in het persoonlijk dossier van het slachtoffer (en waar nodig van getuigen) een aantekening gemaakt van het geweldsincident. Als het door toedoen van het geweldsincident op langere termijn niet goed gaat met het slachtoffer, kan door deze registratie een link worden gelegd met het incident. Informatie over het incident zelf staat geregistreerd in het HRM-systeem.

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 1


 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 2

 


 

Bedrijfsopvang

 

Of er nu sprake is van een bedrijfsopvangteam of niet, een aantal basisprincipes voor de eerste opvang geldt altijd. Daarbij is het van belang dat medewerkers te allen tijde een uiting van agressie of geweld melden bij hun leidinggevende.

 

De basisprincipes bestaan uit:

  • de leidinggevende moet vooral aanwezig zijn voor de betrokken medewerker;
  • de medewerker moet ruimschoots de gelegenheid krijgen om over het incident te praten;
  • het gaat uitdrukkelijk om de beleving c.q. het gevoel van de medewerker;
  • het uit handen nemen van taken van de medewerker;
  • het afschermen van de medewerker uit de drukte;
  • het tot zichzelf laten komen van de medewerker, alleen of met anderen, op kantoor of thuis;
  • eventueel de medewerker naar huis begeleiden;
  • in de eerste weken extra aandacht geven aan de betrokken medewerker en zeker geen:

grappen over het incident maken, bagatelliseren;

  • druk op werkhervatting;
  • bespreken hoe het incident is ontstaan en hoe de medewerker daarin heeft gehandeld, zonder in directe zin over de schuldvraag te praten.

 

Inhoud gesprekken bedrijfsopvang

 

0.   Onmiddellijk na het incident

  • rust, praktische hulp, medische hulp en indien medewerkers mogelijke besmetting hebben opgelopen wordt contact opgenomen met de GGD (zie 1.1.4).

1.  Het eerste gesprek

  • binnen ongeveer 24 uur na het incident
  • verhaal laten vertellen (reconstructie)
  • emotioneel steunen (empathie, compassie, begrip, waardering erkenning)
  • informatie over de verwerking en hoe je er het beste mee kunt omgaan (eerste reacties)
  • praktische hulp (partner / thuisfront inlichten, schade, juridisch, etc.)

2.  Het tweede gesprek

  • binnen ongeveer een maand na het incident
  • verhaal laten vertellen en navragen (hoe het sinds het vorige gesprek is gegaan, privé, werk, verloop verwerking en verder hoe het nu is)
  • emotioneel steunen
  • informatie over verwerking, reacties bij zichzelf en omgeving

3.  Het derde gesprek

  • binnen ongeveer drie maanden na het incident
  • verhaal laten vertellen en navragen (tevens stilstaan bij eventuele veranderingen sinds gebeurtenis)
  • emotioneel steunen
  • informatie over verwerking en reacties bij zichzelf en omgeving
  • bij stagnatie in de verwerking doorverwijzen
  • afsluiting

 

In de drie gesprekken komen derhalve de volgende kernaspecten van opvang in meerdere of mindere mate aan de orde: reconstructie en verhaal laten vertellen (feiten, gedachten, gevoelens), emotionele steun, navragen reacties bij zichzelf en omgeving, educatie over stress-reacties en effectieve manier om met het gebeurd om te gaan. Bij de laatste twee gesprekken komen tevens het doorverwijzen naar het bedrijfsmaatschappelijk werk en bedrijfsarts aan de orde.

 

 

Klik op de link om het document te downloaden.

Geweldsprotocol gemeente Rotterdam

Uitgelicht


Zoeken