Direct naar hoofdmenu / zoekveld
Home / Vorige raadsperioden / Raadsperiode 1994-1998 / Gemeenteraad 1994-1998 / 1995 / Kwartaal 4 / Het voorstel tot vaststelling van een Sociaal Plan voor de medewerkers van de dienst Gemeentelijke Verpleeghuizen en Verzorgingshuizen (DGVV).

Het voorstel tot vaststelling van een Sociaal Plan voor de medewerkers van de dienst Gemeentelijke Verpleeghuizen en Verzorgingshuizen (DGVV).

Volgnummer 309, litt. a.

 

Verzameling 1995

 

SCZ 953195

 

Sociaal Plan voor medewerkers van de Dienst Gemeentelijke Verpleeghuizen

en Verzorgingshuizen (DGVV) als gevolg van de herbestemming van het

verzorgingshuis Oldenoord en de reductie van het aantal

verzorgingsplaatsen in Boekholt

 

Rotterdam, 19 september 1995.

 

Aan de Gemeenteraad.

 

In het Plan op de Bejaardenoorden 1995-1998 (202/'95), dat op 17 augustus

1995 is vastgesteld, wordt voorzien in een aanzienlijke reductie van het

aantal intramurale verzorgingsplaatsen. Voor de DGVV heeft de uitvoering

van dit plan tot gevolg dat het verzorgingshuis Oldenoord (238 plaatsen)

wordt herbestemd tot 80 ouderenwoningen en dat het aantal intramurale

verzorgingsplaatsen van Boekholt van 238 naar 100 plaatsen wordt

gereduceerd via nieuwbouw bij het verpleeghuis De Vijf Havens.

 

Wij hebben vooruitlopend op de vaststelling van het Plan op de

Bejaardenoorden voor Oldenoord en Boekholt tot een opnamestop besloten

ingaande 1 december 1994. De opnamestop heeft tot gevolg dat thans nog een

klein aantal bewoners (10) in Oldenoord aanwezig is. Tussen nu en binnen

enkele weken zullen alle bewoners naar verwachting verhuisd zijn.

 

Dit betekent dat een Sociaal Plan moet worden vastgesteld voor de opvang

van de personele gevolgen. De realisatie van een Sociaal Plan is regulier

een bevoegdheid van het hoofd van dienst. Wanneer het Sociaal Plan op

onderdelen afwijkt van de vastgestelde regelgeving in het AR en de

Leidraad bij Organisatieverandering dient besluitvorming door

gemeenteraad plaats te vinden.

 

Waarnemend directeur DGVV heeft, met inachtneming van de regelgeving van

het Ambtenarenreglement van de Gemeente Rotterdam (AR) en de Leidraad bij

Organisatieveranderingen, in overleg met de werknemersorganisaties een

Sociaal Plan opgesteld.

Aan dit Sociaal Plan heeft de Medezeggenschapscommissie van de DGVV haar

instemming verleend. Voorts bestaat er overeenstemming met de

werknemersorganisaties. Op 1 juni 1995 hebben partijen, onder voorbehoud

van besluitvorming door de gemeenteraad, het Sociaal Plan ondertekend.

 

Het Sociaal Plan van de DGVV vertoont in vergelijking met het AR en de

Leidraad bij Organisatieveranderingen de volgende afwijkingen:

 

1. Er wordt gegarandeerd dat er ten gevolge van deze

organisatieveranderingen geen gedwongen ontslagen zullen vallen,

tenzij de betrokkene weigert een passende functie te aanvaarden (zie

regel 3.2 en 5.3.5 van het Sociaal Plan);

2. Onder het artikel 6.4 van het Sociaal Plan is een mobiliteitspremie

opgenomen ter bevordering van de uitstroom van medewerkers uit de

organisatie om daarmee de plaatsing van boventallige medewerkers te

bespoedigen.

 

Het Sociaal Plan heeft een werkingsduur van 1 december 1994 tot 1 januari

1998. De datum van 1 december 1994 is gekozen omdat per deze datum de

opnamestop in de verzorgingshuizen is ingegaan en de einddatum van

1 januari 1998 is de geplande datum voor de ingebruikname van de nieuwbouw

bij het verpleeghuis De Vijf Havens.

Indien de ingebruikname hiervan later plaatsvindt en alle personele

gevolgen zijn nog niet opgevangen, is voorzien -in overleg met de

werknemersorganisaties- in een mogelijke verlenging van het Sociaal Plan.

 

De filosofie van het Sociaal Plan is dat de DGVV de personele gevolgen van

het Plan op de Bejaardenoorden 1995-1998 intern wil opvangen. Nader

onderzoek heeft uitgewezen dat, gezien het verwachte verloop, de huidige

inzet van uitzendkrachten en het feit dat het verzorgingshuis Boekholt pas

op termijn gesloten wordt, de DGVV in staat is de personele gevolgen

intern op te vangen.

Bovendien is geanalyseerd dat op deze wijze de financiële gevolgen zoveel

mogelijk worden beperkt.

Overigens worden alle financiële gevolgen van dit Sociaal Plan afgedekt

door een convenant dat (waarnemend) directeur DGVV heeft gesloten met

directeur Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) als budgethouder en

uitvoerder van de Wet op de Bejaarden-oorden (WBO). De betreffende

middelen worden gegenereerd uit de renovatiefondsen van het WBO-budget.

 

De hoge prioriteit die wij geven aan werkgelegenheid rechtvaardigt de

inspanning om betrokken medewerkers voor het arbeidsproces te behouden.

 

Het voorkomen van gedwongen ontslagen wordt gerealiseerd door tijdelijk

een aantal medewerkers boventallig te plaatsen. Dat gebeurt aan de hand

van een plaatsingsproces. Voor het plaatsingsproces wordt in hoofdstuk 5

van het Sociaal Plan een rangorde uitgewerkt. Uitgangspunt hierbij is dat

medewerkers met de meeste dienst- en functiejaren het eerst in aanmerking

komen voor eenzelfde of een direct passende functie.

 

Het aantal tijdelijk boventalligen wordt geschat op 35 medewerkers in

1995, 28 medewerkers in 1996, 19 medewerkers in 1997 en geen enkele

medewerker in 1998.

 

De kosten van boventallige medewerkers zijn, zoals al eerder is vermeld,

'afgedekt' in het convenant tussen de DGVV en de dienst SoZaWe.

 

In het Sociaal Plan zijn de reguliere ontslaggronden voor de ambtenaar

niet uitgesloten. Deze blijven onverkort van toepassing. De garantie tegen

gedwongen ontslagen kan gezien worden als een nadere vulling van artikel

89, eerste lid van het Ambtenarenreglement. De garantie is niet in de tijd

beperkt, hetgeen betekent dat deze ook nog geldt na de werkingsduur van

het plan na 5 jaar. Anderzijds is de garantie beperkt tot de gevolgen van

onderhavige organisatieverandering en biedt deze geen rechten in het kader

van de mogelijke toekomstige verzelfstandiging van de DGVV.

 

Teneinde het proces van plaatsing te kunnen bevorderen en het aantal

(tijdelijke) boventallige medewerkers zoveel mogelijk te beperken is in

het Sociaal Plan een mobiliteitspremie opgenomen die kan worden toegekend

aan medewerkers van de dienst die op eigen verzoek ontslag nemen uit

gemeentelijke dienst en zelf boventallig zijn of door hun vertrek het

mogelijk maken dat een boventallig medewerker geplaatst kan worden in de

reguliere formatie.

 

Naar verwachting zullen er maximaal 20 medewerkers in aanmerking komen

voor de mobiliteitspremie. De kosten worden geraamd op ca. Ÿ 150.000,-.

Door toepassing van deze regeling kan naar verwachting een aanzienlijke

beperking van de kosten van boventallig personeel worden bereikt, terwijl

de kosten van de regeling zelf zijn afgedekt door het convenant dat met

SoZaWe is gesloten.

Overigens is de mobiliteitspremie tevens van toepassing voor medewerkers

die gebruik maken van de VUT omdat ook hiermee de kosten boventallig

personeel worden beperkt.

 

Ten slotte wordt benadrukt dat de garantie tegen gedwongen ontslagen in

combinatie met de mobiliteitspremie niet alleen sociaal wenselijk is, maar

ook veel goedkoper zal zijn dan de doorgaans hoge wachtgelden die

uitgekeerd worden bij gedwongen ontslagen.

Wel constateren wij dat het Sociaal Plan enkele onduidelijke regels bevat,

namelijk die ter bepaling van degenen wiens functie vervalt.

De voorstellen hebben geen financiële consequenties voor de exploitatie

van de Dienst Gemeentelijke Verzorgingshuizen en Verpleeghuizen. De kosten

van de mobiliteitspremie zijn afgedekt in het al eerder vermelde

convenant tussen de dienst DGVV en de dienst SoZaWe, als uitvoerder van de

WBO. Door het toekennen van de mobiliteitspremie dalen de totale kosten

van boventallig personeel.

 

De commissie voor Maatschappelijke Dienstverlening en Volksgezondheid

heeft in haar vergadering van 22 november 1995, waarbij twee leden afwezig

waren (VVD en D66), positief geadviseerd.

 

Wij stellen u derhalve voor, door het nemen van het ontwerp-besluit onder

litt. b., te besluiten conform regel 3.2 en 5.3.5 van het Sociaal Plan en

in te stemmen met de garantie dat er ten gevolge van deze reorganisatie

geen gedwongen ontslagen noodzakelijk zijn, tenzij een ambtenaar weigert

een passende functie te aanvaarden; de mobiliteitspremie zoals omschreven

in artikel 6.4. van het Sociaal Plan toe te staan en aan het hoofd van

dienst te verzoeken de regels van het Sociaal Plan ter bepaling van

degenen wiens functie wordt opgeheven, in overleg met de werkorganisaties

te verduidelijken.

 

Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,

 

De Secretaris, De Burgemeester,

 

 

 

 

N. van Eck A. Peper

 

 

 

 

 

litt. b.

 

Ontwerp-besluit

 

De Raad der gemeente Rotterdam,

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 september 1995,

S&CZ 95/3195 (Verzameling 1995 der gedrukte stukken, volgnummer 309);

 

Besluit:

 

I. Conform regel 3.2 en 5.3.5 van het hierbij behorende (en als zodanig

gewaarmerkte) Sociaal Plan in te stemmen met de garantie dat er ten

gevolge van deze reorganisatie geen gedwongen ontslagen noodzakelijk

zijn, tenzij een ambtenaar weigert een passende functie te

aanvaarden;

 

II. een mobiliteitspremie zoals omschreven in artikel 6.4. van het

Sociaal Plan toe te staan;

 

III. het hoofd van dienst te verzoeken de regels van het Sociaal Plan ter

bepaling van degenen wier functie wordt opgeheven in overleg met de

werknemersorganisaties te verduidelijken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van

 

De Secretaris, De Voorzitter,


Uitgelicht


Zoeken